Een overzicht van stadhouders in de Nederlanden.
Geschiedenis Een stadhouder is een plaatsvervanger van een vorst in een van diens gewesten; in de Zuidelijke Nederlanden wordt hij ook wel gouverneur genoemd. In de Nederlanden waren de stadhouders eerst in dienst van de Bourgondische, daarna van de Habsburgse vorsten, maar ook Karel van Gelre en de Saksische hertogen in Friesland hadden stadhouders in gewesten die zij bezetten, tot de Habsburgers in 1543 alle Nederlanden hadden veroverd (zie Gelderse Oorlogen). Bij het aanstellen van stadhouders werden leden gekozen uit de hoge Nederlandse adel, en belangrijke families leverden meerdere stadhouders.
Door de Tachtigjarige Oorlog waren er twee partijen die aanspraken maakten op verscheidene gewesten in de Nederlanden, die derhalve twee verschillende stadhouders kregen, een voor de Spaanse koning/Oostenrijkse aartshertog en één in dienst van de Staten-Generaal der Nederlanden. Uiteindelijk kwamen alle stadhouders in de Verenigde Provinciën uit het huis Oranje-Nassau en werd het Noord-Nederlandse stadhouderschap erfelijk in 1747.
Erfstadhouder Willem VI werd, na terugkeer uit ballingschap in 1813 ten gevolge van Franse bezetting in 1815 ingehuldigd als eerste koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830/1839) dat ook het latere België omvatte en een personele unie met het Groothertogdom Luxemburg onderhield. De Koning(in) der Nederlanden stelt sindsdien de provinciaal gouverneur aan over iedere provincie, die sinds 1850 commissaris van de Koning(in) wordt genoemd (behalve in Limburg). België (onafhankelijk sinds 1830/1839) heeft nog steeds provinciale gouverneurs; Luxemburg schafte het stadhouderschap/gouverneurschap in 1890 af bij zijn onafhankelijkheid.
Artesië In dienst van de Habsburgers: 1500-1504: Engelbrecht II van Nassau, graaf van Nassau-BredaMaria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 369. 1506-1513: Jacob van Luxemburg, heer van Fiennes 15??-1524: Ferry van Croÿ, heer van Roeulx 1524-1553: Adriaan van Croÿ-RoeulxMaria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 366. 1553-1558: Pontus van Lalaing, heer van Bugnicourt 1559-1568: Lamoraal van Egmont, prins van Gavere 1568-1571: geen (?) 1571-1578?: Ferdinand van Lannoy, hertog van Bojano 1578-1579: Gilles van Berlaymont, heer van Hierges 1579-1597?: Florent van Berlaymont, graaf van Lalaing en Berlaymont 1597-1610: Karel III van Croÿ, prins van Chimay 1610-1624: Lamoraal I van Ligne, prins van Ligne
Brabant Brabant kende geen stadhouder, aangezien de landvoogd(es) dit gewest rechtstreeks vanuit Brussel bestuurde. Willem van Oranje heeft eens voorgesteld om een soort stadhouder (superintendent noemde hij het) aan te stellen om de staten van Brabant te kunnen bewegen tot gehoorzaamheid, omdat zonder stadhouder de staten te zelfstandig konden optreden. Zijn voorstel werd echter verworpen door Granvelle.Robert Fruin, Het voorspel van den tachtigjarigen oorlog (1859). Bij de intocht van Willem van Oranje te Brussel in 1577 kreeg hij wel de middeleeuwse titel van ruwaard, wat op een stadhouderschap neerkwam, maar vooral een symbolische waarde had.
Doornik In dienst van de Habsburgers 1555-1556: Peter van Barbançon, heer van WerchinMaria van Hongarije, regentes der Nederlanden, 371. 1559-1570?: Floris van Montmorency, baron van Montigny 1581–1588?: Filips van Récourt, baron van Licques (Liques), burggraaf van Lens, van 1574 tot 1576 gouverneur van Kamerijk
In dienst van de Staten-Generaal 15??-1594?: Peter van Melun, kleinzoon van Peter van Barbançon. Tijdens het Beleg van Doornik (1581) verdedigde zijn vrouw Christina van Lalaing de stad.
Drenthe Vóór 1536 was de drost de vertegenwoordiger van de landsheer geweest. Met Georg Schenck van Toutenburg ontving Drenthe van de Habsburgers in 1536 haar eerste stadhouder; sindsdien had Drenthe meestal dezelfde stadhouder als Groningen. Meer nog dan Groningen is Drenthe strijdperk geweest van de dynastieën Nassau-Dillenburg en Nassau-Dietz enerzijds en Nassau-Oranje/Oranje-Nassau anderzijds. Met meer moeite dan in Groningen werd Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg in 1593 door de Drentse adel, in 1596 ook door de Staten-Generaal erkend als stadhouder, hoewel landelijk een groep edelen meer voelde voor Maurits van Nassau, die met de dood van Willem Lodewijk in 1620 alsnog stadhouder van Drenthe werd. Tussen 1625 en 1640 bestuurden de Casimirs van Nassau-Dietz Drenthe en Groningen, van 1640 tot 1650 weer de Nassau-Oranjes, waarna zij de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz verkozen boven het Eerste Stadhouderloze Tijdperk dat in de andere gewesten inging. In 1696 werd in Drenthe dan weer Willem III van Oranje erkend in plaats van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. Toen Willem III in 1702 kinderloos stierf kwam Drenthe, evenals een groot deel van de Republiek, ditmaal ook terecht in een Stadhouderloos Tijdperk. Dit eindigde in 1722 toen Drenthe de stadhouder van Friesland en Groningen (Willem IV van Oranje-Nassau, de zoon van Johan Willem Friso die de titel prins van Oranje-Nassau had geërfd) erkende als stadhouder. In 1747 zou Willem IV stadhouder van alle gewesten van de Verenigde Nederlanden worden, in 1751 opgevolgd door Willem V die tot 1795 regeerde.
In dienst van de Habsburgers: 1536-1540: Georg Schenck van Toutenburg, vrijheer van Toutenburg 1540-1548: Maximiliaan van Egmont, graaf van Buren 1549-1568: Jan van Ligne, graaf van Arenberg 1568-1572: Karel van Brimeu, graaf van Megen 1572-1574: Gilles van Berlaymont, heer van Hierges 1574-1576: Caspar de Robles, heer van Billy (in 1576 gevangengenomen door muiters) 1576-1580: geen; gewest in Staatse handen 1580-1581: George van Lalaing, graaf van Rennenberg (sinds zgn. verraad van Rennenberg in dienst van Filips II) 1581-1594: Francisco Verdugo (in dienst van Filips II, verloor vanaf 1589 in toenemende mate zijn gezag tot het in 1594 beperkt was tot de stad Groningen) 1595-1618: Frederik van den Bergh (in dienst van Filips II, wegens de Reductie van Groningen geen feitelijke zeggenschap)
In dienst van de Staten-Generaal: 1576-1580: George van Lalaing, graaf van Rennenberg (sinds zgn. verraad van Rennenberg in dienst van Filips II) 1580-1584: Willem van Oranje, prins van Oranje (de facto)Na Rennenbergs verraad werd Oranje de facto de stadhouder van de noordelijke gewesten namens de Staten-Generaal; feitelijk hadden de Staten echter geen gezag over Groningen en Drenthe in deze jaren. 1584-1596: geen; gewest in Spaanse handen, De Stadhouders van Drenthe, hunne magt en staatsregterlijke verhouding tot de landschap (1867) 4-6.Hoewel nooit feitelijk vastgelegd, gold Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg als de Staatse opvolger van Willem van Oranje in Groningen en Drenthe vanaf 1584. Een groep onder leiding van Maarten Schenk van Nydeggen ijverde in 1585 vergeefs om Maurits van Nassau aan te stellen als stadhouder over het op dat ogenblik in Spaanse handen verkerende Drenthe, maar de Drentse edelen steunden unaniem Willem Lodewijk, dus dat ging niet door. 1593/6-1620: Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg, graaf van Nassau-DillenburgNadat Coevorden in 1592 werd veroverd op de regeringstroepen, stelden gevolmachtigde Drentse edelen Willem Lodewijk op 5 januari 1593 te Kampen hem aan als stadhouder van de landschap Drenthe. Dit werd pas op 24 augustus 1596 door de Staten-Generaal te Den Haag bevestigd. 1620-1625: Maurits van Nassau, vanaf 20 februari 1618 prins van Oranje 1625-1632: Ernst Casimir van Nassau-Dietz, graaf van Nassau-Dietz 1632-1640: Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz, graaf van Nassau-Dietz 1640-1647: Frederik Hendrik van Oranje, prins van Oranje 1647-1650: Willem II van Oranje, prins van Oranje 1650-1664: Willem Frederik van Nassau-Dietz, vorst van Nassau-Dietz 1664-1696: Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz, vorst van Nassau-Dietz regentes 1664-1673: Albertine Agnes van Nassau 1696-1702: Willem III van Oranje, koning van Engeland, Schotland en Ierland 1702-1722: Stadhouderloos tijdperk (duurde korter dan in Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel, maar langer dan in Friesland en Groningen) 1722-1751: Willem IV van Oranje-Nassau, erfstadhouder der Verenigde Nederlanden regentes 1722-1731: Maria Louise van Hessen-Kassel 1751-1795: Willem V van Oranje-Nassau, erfstadhouder der Verenigde Nederlanden regentes: 1751-1759: Anna van Hannover regent: 1759-1766: Lodewijk Ernst, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel
Friesland Vanaf 1498, toen Friesland onder de Saksen kwam te staan en de Friese Vrijheid eindigde, werden de eerste Friese stadhouders aangesteld. Hertog George met de Baard verkocht Friesland aan Karel van Habsburg toen de Saksische vete met de Groningers, Friezen, Geldersen en Oost-Friezen voor hem op een totale nederlaag leek uit te draaien. In de periode 1515-1524 probeerden zowel de Habsburgers als Geldersen Westerlauwers Friesland te veroveren en stelden elkaar bestrijdende stadhouders aan, tot de heerlijkheid Friesland uiteindelijk bij de Habsburgse Nederlanden ging horen. Vanaf 1528 regeerde de Friese stadhouder ook over Overijssel en vanaf 1536 ook over Groningen en Drenthe.
Tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog kende Friesland opnieuw enige tijd twee stadhouders: één namens koning Filips II (achtereenvolgens de naar de Spanjaarden overgelopen graaf van Rennenberg en de Spanjaard Francisco Verdugo) en één namens de Republiek (achtereenvolgens Willem van Oranje en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg).
Friesland heeft ten tijde van de Republiek, in tegenstelling tot de overige Nederlanden die stadhouders uit de lijn van Oranje-Nassau hadden, lang een eigen stadhouder gehad uit de Dillenburgse en later Dietze tak van het geslacht Nassau (dit gold tot 1711 ook voor Groningen en Drenthe), die bijgevolg bekend geworden zijn als de "Friesche Nassau's". Friesland heeft hierdoor -als enige gewest- geen stadhouderloze tijdperken gekend, en het was uiteindelijk de Friese tak die de in 1702 uitgestorven Oranje-tak voortzette: vanaf Willem IV kregen alle gewesten in de Republiek geleidelijk dezelfde stadhouder, wiens ambt ten slotte in 1747 erfelijk werd verklaard.
In dienst van de Saksen: 1498-1500: Willebrord van Schaumburg 1500-1504: Hugo van Leisenach (of Leisnig) 1504-1506: Willem Truches van Waldburg 1506-1509: Hendrik van Stolberg, graaf van Stolberg en heer van Wernigerode 1509-1515: Everwijn van Bentheim, graaf van Bentheim
In dienst van de Geldersen: 1515-1518: Hendrik de Groiff, erfvoogd van Erkelenz, De Vrije Fries, Volumes 47-50 (1966). 1518-1519: Maarten van Rossum, heer van Poederoijen, "Maarten van Rossem" in Biografisch Woordenboek Gelderland. Geraadpleegd op 22 december 2012.Maarten van Rossum werd op een landdag te Sneek op 1 augustus 1518 gekozen tot stadhouder van Friesland namens Karel van Gelre, ter vervanging van Hendrik de Groiff, erfvoogd van Erkelenz. , Fryslân, staat en macht 1450-1650: bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998 (1999) 114-115. 1519-1522: Christoffel van Meurs, graaf van Meurs 1522-1523: Jasper van Marwijck
In dienst van de Habsburgers: 1515-1518: Floris van Egmont, graaf van Buren 1518-1521: Wilhelm van Roggendorf, vrijheer van Roggendorf 1521-1540: Georg Schenck van Toutenburg, vrijheer van Toutenburg 1540-1548: Maximiliaan van Egmont, graaf van Buren 1549-1568: Jan van Ligne, graaf van Arenberg 1568-1572: Karel van Brimeu, graaf van Megen 1572-1573: Gilles van Berlaymont, heer van Hierges 1573-1576: Caspar de Robles, heer van Billy (1572-1573 plaatsvervangend) 1576-1580: geen; gewest in Staatse handen 1580-1581: George van Lalaing, graaf van RennenbergRennenberg betuigde aanvankelijk adhesie aan de Unie van Utrecht (1579), maar koos op 3 maart 1580 om terug te keren onder de 'obediëntiën des Konings', ook wel aangeduid als het 'verraad van Rennenberg'. 1581-1594: Francisco Verdugo