thumb|Flip Winckel op Biak in 1944. Christiaan Philip Karel (Flip) Winckel (Batavia (Nederlands-Indië), 16 april 1919 – Wassenaar, 18 september 2009) was een Nederlandse Engelandvaarder en jurist. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, studeerde hij aan de Universiteit Leiden.

Engelandvaart Winckel was een lid van de in het Nederland's Patriciaat opgenomen familie Winckel. Flip Winckel komt in 1939 aan in Leiden voor de rechtenstudie. Hij behaalt zijn kandidaats in 1940 en wanneer de Universiteit Leiden sluit, gaat hij in Amsterdam op kamers. Hij staat dan in de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam ingeschreven. Hij voorkomt ondertekening van de loyaliteitsverklaring dankzij zijn vader, dr. Charles Winckel, lid van het dagelijks bestuur van Het Nederlandse Rode Kruis. Winckel komt via dr. Jan Spaander, hoofd van de bloedtransfusiedienst van het Amsterdamse Rode Kruis in het Binnengasthuis, aan een officiële baan als administrateur van het laboratorium. Zijn salaris van honderd gulden per maand stort zijn vader terug in de Rode Kruis-kas. In 1944 maakt Winckel met ir. Edzard Moddemeijer (1916-1998), radio- en elektrotechnisch ingenieur opgeleid in Mittweida, Chemnitz, en drie Leidse studenten geologie, John Osten (1920-2010), Hein Fuchter (1921-2016) en Henk Baxmeier (1920-2008), de enige succesvolle tocht van dat jaar over de Noordzee. Winckel is Nederlands zwemkampioen op de 50 m vrije slag, bokst goed en is 1,90 m lang.

Osten en Moddemeijer hebben vergeefs een eerdere poging ondernomen op 29 september 1943. Baxmeier zou meegaan maar wegens ziekte ging dat niet door. Baxmeier komt uit Zoetermeer en is een ervaren zeiler. Hij heeft veel cruciale contacten op en rond de Zuid-Hollandse Eilanden. Na de sluiting van de Universiteit Leiden weigeren Fuchter, Baxmeier en Osten de loyaliteitsverklaring te tekenen en duiken onder in een steenfabriek gelegen aan de Westzijde Boterdiep in Bedum, vlak bij Groningen. Gedrieën proberen ze aldaar clandestien door te studeren. Osten was al vroeg bevriend met Hein Fuchter. Zij zaten samen op de HBS. Wegens de noodzaak vaak van adres te veranderen trekt Osten samen met Fuchter in bij een garagehouder te Dokkum. Fuchter is de zoon van mr. W.A.H. Fuchter, Burgemeester van Soerabaja van 1935 tot zijn verdwijning naar een jappenkamp ergens op Java in 1942. Baxmeier verlaat Groningen en komt ook in Friesland terecht. Winckel studeert illegaal af in Utrecht op 15 juli 1943.

Begin november 1943 kopen Osten en Moddemeijer voor fl. 2100,- een overnaads gebouwde Zuiderzeevlet van 7 meter. Dit geschiedt door bemiddeling van de gebroeders Pier en Jo Meyer, beiden werkzaam op de Van Ravesteijnwerf bij de Sluiskant aan de noordkant van de Vliet te Leidschendam. Via deze broers ruilen ze tevens de 17 pk-motor in tegen bijbetaling van fl. 700,- voor een 60 pk Chevrolet-truckmotor uit 1929. Deze motor stond bekend als "the cast-iron wonder" wegens zijn beroemde betrouwbaarheid. In de buurt van en later op Scheepswerf "De Hoop" van de Gebroeders G. en A. Tijssen aan het Utrechts Jaagpad aan de Vliet te Leiden wordt de motor ingebouwd en de boot zeewaardig gemaakt. Uit ervaring wordt een stevige buiskap aangebracht tegen de golfinslag van de vaak woeste Noordzee en ter bescherming van de motor.

Een 175 liter lange-afstandsrace-benzinetank wordt in Nijmegen uit een oude Hispano Suiza gesloopt en door Osten en Moddemeijer vol met rode Wehrmacht-benzine in de trein meegenomen. In totaal krijgt de boot een capaciteit voor 375 liter brandstof. Moddemeijer overziet de gehele verbouwing. Om het geluid van de motor te dempen, komt de uitlaat onder de waterlijn en buiswater zorgt voor de motorkoeling. De firma Bronswerk uit Rotterdam giet de schroef. Later blijkt deze te groot te zijn voor het hoge toerental van de Chevy-motor. Baxmeier zorgt ervoor dat een zeilmast, zeiltuig en roeispanen voorradig zijn mocht de motor uitvallen. De vlet krijgt de naam Marko.

De organisatie zal grotendeels de succesvolle operationele vluchtroute van ir. Anton Schrader volgen. Schrader is al tijdens de oorlog in kleine kring bekend als "de man van de bootjes". Osten had Schrader ontmoet in augustus 1943, dankzij Maria Rudolphina (Marie) Burgwal-Crietee, de moeder van Engelandvaarder en RAF-piloot Rudy Burgwal bij haar thuis aan de Populierstraat nummer 19 in Den Haag. Op dit adres kwamen Engelandvaarders wel vaker samen. Schrader stelt aan Osten voor met een van zijn bootjes over te steken met Moddemeijer als de aangewezen motorman. Moddemeijer had Schrader via Engelandvaarder Henk Elfrink ontmoet en is werkzaam bij Siemens & Halske te Den Haag. Hij wil weg als hij gedwongen wordt om voor de radio van de Duitse Luftwaffe te werken. Osten kende Rudy Burgwal als ouderejaars studievriend uit Leiden en wederzijds zijn beiden verantwoordelijk voor hun individuele Engelandvaart. Rudy Burgwal stak eerder over in 1941.

In Den Haag heeft Osten tevens contact met Maria Hendrica (Miep) Vrins-Otten, echtgenote van tweede luitenant der Genie François Cornelis (Hans) Vrins. Miep Vrins-Otten is werkzaam bij het Rode Kruis en actief in het Haags verzet terwijl haar man in Neubrandenburg gevangen zit. Miep werkt samen met Marie Burgwal-Crietee en helpt diverse Engelandvaarders. Mieps jongere broer is Engelandvaarder Daan L. Otten en deze was in juli 1943 overgestoken samen met Elfrink, deze laatste fungerende als motorexpert. In haar huis op de Albertinestraat 24 in het Bezuidenhout geeft Miep onderdak aan Aert Quirinus van Braam Houckgeest, een student uit Delft, aldaar actief in het verzet. Van Braam Houckgeest zorgt eind 1943 voor de allereerst benodigde grote partij benzine die illegaal opgeslagen ligt bij Garage D. de Man & Zn. te Zeist. Hij verkoopt 250 liter voor 30 cent per liter aan Osten onder de naam A. Braam.

Fuchter verlaat Dokkum en gaat op zoek naar Osten in Den Haag waar zijn ouders wonen. Baxmeier komt rond oktober 1943 uit een ziekenhuis te Kampen en reist ook naar Den Haag. Fuchter en Baxmeier worden door Osten op de hoogte gebracht van diens plannen. Fuchter gaat op kamers in Leiden en nodigt zijn Njord-roei- en Minerva-clubgenoot Flip Winckel tevens intrek te nemen met de bedoeling samen naar Engeland over te steken. Fuchter, Winckel en Baxmeier sluiten zich dan bij Osten en Moddemeijer aan. Ieder betaalt fl. 1000 als bijdrage voor de onderneming. Osten en Moddemeijer hadden met de aankoop van de vorige boot en motor hun kapitaal verspeeld en moeten door de anderen gefinancierd worden. Winckel verkoopt hiervoor zijn motorfiets en krijgt geld van zijn Leidse hospita, Juffrouw Krüger. Vader Winckel wordt in juniors studentenkamer te Leiden op de hoogte gebracht en doet financieel ook mee, thuis alles verzwijgende.

Fuchter verkoopt een nieuwe winterjas en zijn fiets met echte banden voor samen fl. 500 en krijgt het restant van een vriend. De benodigde zeekaarten krijgen de varensgezellen via John Ostens vader, vice-admiraal Johannes Osten, en een sloepkompas kunnen ze ophalen bij zijn kennis, Feike de Boer, directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland en later burgemeester van Amsterdam. In opdracht van Osten komen Winckel en Fuchter in Dieren aan nog eens tientallen liters van de Wehrmacht gestolen benzine. Winckel stuurt de gesmokkelde brandstof in Rode Kruis-bloedplasmakisten naar Puttershoek, het geplande punt van afsteek. Vader en moeder Winckel wonen in Blaricum. Het gemeentebestuur van Blaricum vernietigt Winckels kaart in het bevolkingsregister en zijn persoonsbewijs wordt ter hand van het ondergrondse verzet gesteld.

Als de Marko klaar is, wordt hij aan boord genomen van De Stad Leiden, een stoomboot van de beurtvaartdienst van Firma Wed. P.J. Planjer, gelegen aan de Nieuwe Rijn 77 in Leiden, en vanaf de werf van de Gebr. Tijssen naar de Hooikade in de Nieuwe Haven van Dordrecht gebracht. De schipper is Koos Planjer. Vervolgens wordt de vlet achter De Pelikaan, een voetveer van schipper Willem Boot KVV naar het haventje van Puttershoek gesleept. John Osten en Henk Baxmeier gaan mee als passagiers. Willem Boot zit zelf zwaar in het verzet en geeft de varensgezellen extra warme kleren. Het is december 1943. In deze maand worden rond Puttershoek vanaf de haven van de suikerfabriek een aantal proefvaarten ondernomen en dan blijkt onder meer dat de schroef te zwaar loopt. Bij lage tij en in het slijk proberen zij de schroef met een zaagje met 2,5 cm per schroefblad in te korten en te Puttershoek wordt hij in een werkplaats bijgeslepen. In Puttershoek wordt steun geboden door Stoffel Zilverschoon, wethouder en vrachtbeheerder van de suikerfabriek.

Op 29 december is het moment van vertrek aangebroken en achter een bietenaak wordt de Marko vanaf Puttershoek naar het Spui op sleep genomen met de bedoeling het Haringvliet te bereiken en daar de vlet op eigen gang te krijgen. Het is bewust avondtijd maar veel te slecht weer en als blijkt dat de olieleiding van de motor nog steeds niet deugt wordt de vlet naar Piershil gebracht. Veel hulp krijgen zij aldaar van boer Klaas van Bergeijk, een contact van Willem Boot uit het verzet in de Hoeksche Waard. Van Bergeijk is een vooraanstaand lid van de LO en de KP en regelt tevens de rest van de benodigde brandstof voor deze vlucht. Bij Van Bergeijk wordt de motor rond 13 januari uit de boot gehaald en naar Puttershoek gebracht als blijkt dat de motor geheel gereviseerd moet worden. Bij een lokale smid wordt de klus geklaard.

Op 17 januari 1944 ontsnapt Harry Isbrücker, LTZ1 in Duitse krijgsgevangenschap uit Stanislau Stalag 371, liggende onder een treinbank voor meer dan een etmaal. Isbrücker komt via Miep Vrins-Otten in contact met John Osten. Isbrűcker had haar man, tweede luitenant Hans Vrins, in krijgsgevangenschap ontmoet. Naar Isbrűcker wordt gezocht en hij wacht in spanning af op de mogelijkheid met Ostens groep te vluchten. Mocht dit niet lukken, dan heeft Vrins-Ottens huisgenoot, Van Braam Houckgeest, contacten voor de escapeline Brussel-Parijs. Rond 8 februari is de reparatieklus bij Bosman geklaard en is de Marko tevens voorzien van een lichtere 4 kg wegende bronzen schroef afkomstig uit Puttershoek.

Op 17 februari wil men wederom vertrekken. Zeven personen komen in Piershil apart opdagen en de boot wordt te vol. Winckel trekt zich als veilig persoon vrijwillig terug en staat zijn plaats af aan Isbrücker die als laatste komt opdagen en reist teleurgesteld af naar Blaricum. Op deze vlucht gaat ook de Delftse professor Wander de Haas mee waardoor men met zes man moet vertrekken. De Haas, een befaamde fysicus en hoofd van het Kamerlingh Onnes Laboratorium in Leiden, staat onder hoge druk om voor de Duitsers te werken met een zoon in gevangenschap. De Haas levert weken tevoren geheel volgens het ontwerp van Moddemeijer een Koller-as, een benzineleiding en tevens smeerolie voor de motor. Hij is een aangetrouwd familielid van een broer van Osten en wordt naar zijn zeggen door de regering naar Londen ontboden.

Het zestal gaat via het Spui naar het Haringvliet. Het tij valt, en ze lopen aan grond bij de Hoornsche Hoofden bij Hellevoetsluis. Als ze weer loskomen na een aantal angstige uren, wordt de boot verstopt in het riet in een kreek op Putten. Fuchter blijft aanvankelijk bij de boot. Osten en Moddemeijer gaan naar huis met het plan het over een week nogmaals te proberen. Professor De Haas is ernstig ziek (diabetes) en gaat terug naar Leiden. Isbrücker vindt het onverantwoordelijk en verdwijnt. Hij probeert via Frankrijk naar Spanje te ontvluchten maar wordt in Brussel verraden door Christiaan Lindemans, beter bekend als King Kong, en voor de tweede maal naar Kamp Stanislau afgevoerd. De Haas ontsnapt later dat jaar via Zwitserland naar Londen samen met zijn vrouw. Op 19 februari wordt de boot, alsof er niets aan de hand is, door Fuchter en Baxmeier teruggevaren naar het haventje van Zuidland en iedereen gaat huiswaarts. De bedoeling is het over een week weer te proberen waardoor Winckel een tweede kans krijgt.