Cornelis de Witt (Dordrecht, 15 juni 1623 – 's-Gravenhage, 20 augustus 1672) was in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een van de leidende personen van de staatsgezinden en behoorde tot de bekendste Hollanders van zijn tijd. Cornelis was de oudere broer van raadpensionaris Johan de Witt. Hij was lid van de vroedschap en regent in Dordrecht, ruwaard van de heerlijkheid Putten en baljuw van de Beijerlanden. Cornelis was in 1667 als gevolmachtigde van de Staten-Generaal aanwezig bij de Tocht naar Chatham. Zowel Cornelis als Johan werd op 20 augustus 1672 door orangisten vermoord, waarna hun lijken gruwelijk werden verminkt. De dubbele moord behoort tot de meest beschamende gebeurtenissen in de geschiedenis van Nederland.

Biografie Leven Cornelis was een zoon van Jacob de Witt, uit de regentenfamilie De Witt. Cornelis studeerde met zijn broer Johan rechten aan de Universiteit van Leiden. Het was indertijd de gewoonte dat rijke jongelingen na hun studie een grand tour door Europa maakten. Cornelis reisde met zijn jongere broer Johan vanaf 14 oktober 1645 naar Frankrijk, de Republiek Genève en ten slotte naar Engeland. Het was gebruikelijk om onderweg in Frankrijk te promoveren. Cornelis deed dat op 22 december 1645 in het Franse Angers tot doctor in de rechten. Op 27 juli 1647 keerden ze terug in Dordrecht.

Op 21 september 1650 trouwde Cornelis met Maria van Berckel (1632 - 1706). De huwelijksvoltrekking was korte tijd uitgesteld, omdat stadhouder Willem II van Oranje Statenlid Jacob de Witt in de staatsgevangenis slot Loevestein gevangen had gezet. Toen de vader van Cornelis na anderhalve maand werd vrijgelaten, kon pas getrouwd worden.

Functies Van 1652 tot 1654, tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog, was hij lid van de admiraliteit van Rotterdam. Zijn broer Johan, die als raadpensionaris de belangrijkste politicus van Holland en de Republiek was, bezorgde Cornelis diverse belangrijke functies . Zo werd hij in 1654 via zijn broer door de Staten van Holland en West-Friesland aangesteld tot ruwaard van de heerlijkheid Putten, wat hem verplichtte in Geervliet te gaan wonen op het Hof van Putten. Het jaar erna werd hij lid van het college der veertigen in Dordrecht, waar hij nog steeds lid van de Oud-Raad was. Twee jaar later werd hij tevens dijkgraaf van Mijnsheerenland. In 1660 werd hij ook baljuw van de Beijerlanden. In 1666 en 1667 was hij burgemeester van Dordrecht. Verder was hij vanaf 1665 gedeputeerde te velde van de Staten-Generaal. In die functie moest hij als gevolmachtigde aanwezig zijn bij de door de Republiek gevoerde oorlogen. Zo had hij in 1667 tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog het toezicht op de Tocht naar Chatham. Holland stelde spontaan voor Cornelis als dank voor zijn verdienste de heerlijkheid Spijkenisse te geven. Een jaar na de Tocht naar Chatham kantten Alkmaar en later Purmerend en Amsterdam zich tegen de benoeming. In plaats daarvan kreeg Cornelis, toen een aangeboden gouden beker hem niet goed genoeg scheen, door de invloed van zijn broer, alsnog een rentebrief van dertigduizend gulden. Cornelis werd in 1667 curator (bewindvoerder) van de Leidse universiteit. Twee jaar later werd hij lid van de gecommitteerde raden van het Zuiderkwartier en in het voorjaar van 1672 gezant van de Staten-Generaal bij de besprekingen in Brussel met de Spaanse landvoogd over mogelijke hulp als met Frankrijk oorlog zou uitbreken.

Rampjaar thumb|Standbeeld van Johan (links) en Cornelis de Witt, van de hand van Toon Dupuis uit 1918 op de Visbrug in Dordrecht.

Cornelis ging mee met de vloot en was de rechterhand van admiraal Michiel de Ruyter. Hij zou bij de Slag bij Solebay op 7 juni 1672 grote persoonlijke moed hebben betoond.Oddens, J. (2009) Een vorstelijk voorland. Gerard Hinlopen op reis naar Istanbul (1670-1671). Zutphen: Uitgeverij Walburg Pers, blz. 42 Op een stoel op het dek van de Zeven Provinciën gezeten, bleef Cornelis tijdens het gevecht orders uitdelen, hoewel zijn halve lijfwacht rondom hem buiten gevecht werd gesteld. De zeeslag heeft hij in zijn geheel meegemaakt. Een maand na de zeeslag werd hij aan land gezet omdat hij aan 'zinkingen' leed, waarbij hij messcherpe steken door zijn lijf voelde gaan. Omdat hij aan wal ging, werd hij door sommige mensen beschuldigd van lafheid. De Ruyter nam het voor hem op en bestreed de aantijgingen.Dreiskämper, P. (1998) Redeloos, radeloos, reddeloos: De geschiedenis van het rampjaar 1672. Hilversum: Uitgeverij Verloren zie blz. 53

De pro-Franse politiek van de raadpensionaris mislukte toen koning Lodewijk XIV de Republiek aanviel tijdens de Hollandse Oorlog. Door het oprukken van de Franse troepen richting Gorkum, zag de Oranjepartij eind juni kans de staatsgezinde regenten ten val te brengen. In de Staten en vroedschappen werd actie gevoerd om de 21-jarige prins aan de macht te brengen. Een zieke Cornelis werd 3 juli gedwongen om als raadslid van Dordrecht zijn handtekening te zetten onder de herroeping van het Eeuwig Edict. Hij lag nog steeds thuis ziek in bed en buiten had zich een woedende mensenmassa verzameld. Binnen stonden Orangisten die eisten dat hij tekende. Hij was de laatste van de Dordtse regenten die zijn naam nog niet op het papier had gezet. De Witt weigerde, waarop zijn echtgenote Maria smeekte het omwille van haar en de kinderen te doen, omdat ze doodsbang was dat anders het gezin uitgemoord werd. Zij liet haar echtgenoot weten dat als hij niet zou ondertekenen, zij en de kinderen hem zouden verlaten. De Witt ondertekende daarop, maar zette achter zijn naam de letters v.c.; die staan voor vi coactus, ofwel onder dwang. De toevoeging werd niet geaccepteerd en zijn vrouw streepte de afkorting door.Luc Panhuysen en Jori Zijlmans, Cornelis de Witt in de Gevangenpoort (2011)

Verdacht van hoogverraad Een dag voordat Willem III op 9 juli tot stadhouder werd benoemd, kreeg Cornelis de Witt bezoek van de louche barbier-chirurgijn Willem Tichelaar.Moord op de gebroeders De Witt, anemaa.home.xs4all.nl. Gearchiveerd op 2 juli 2022. Twee weken later werd Cornelis door Tichelaar beschuldigd van het beramen van een moordpoging op prins Willem III van Oranje-Nassau.

De Witt werd op een zondag gearresteerd door de advocaat-fiscaal Jacob Ruysch. Cornelis lag ziek op bed en de rest van zijn gezin was naar een kerkdienst. De arrestatie vond plaats zonder kennisgeving aan de stad Dordrecht en in stilte werd Cornelis naar 's-Gravenhage gebracht. De privileges van Dordrecht om hem zelf te verhoren, waren daarmee geschonden. Dat Cornelis verdacht werd van hoogverraad, deed daar niets aan af. Alleen omdat Cornelis meldde zich niet te willen onttrekken aan de rechtsuitoefening van het Hof van Holland, verviel de klacht van Dordrecht over de wederrechtelijke aanhouding. Abraham Wicquefort en zijn proces, blz. 209 (1857)

Cornelis werd gevangengezet in de kastelenij aan het Binnenhof. Ook Tichelaar werd er verhoord, maar die kon vrij in- en uitlopen. Tichelaar vertelde de rechtbank dat hij Cornelis thuis had opgezocht om te vragen of De Witt bereid was hem te helpen bij een probleem dat hij met de schout had. Volgens Tichelaar had Cornelis hem daarop aangeboden tegen extra beloningen de prins te doden. Het door Cornelis opgezette plan zou inhouden dat Tichelaar naar het legerkamp van de prins zou gaan en moest proberen om gif te stoppen in het wijn- of bierglas van de prins. Hij zou daar vanwege zijn kennis van medicijnen de geknipte persoon voor zijn. Zou dat niet lukken, dan moest hij met andere middelen - pistool, musket of degen - proberen de prins te doden om zich vervolgens onder de soldaten te begeven en net te doen of hij van niets wist.Historien onses tijds (1685)

De Witt daarentegen zei dat Tichelaar hem bezocht had om zijn ongerustheid kenbaar te maken over een vermeend aanstaand huwelijk tussen de prins en een Engelse prinses en dat hij vreesde dat de onafhankelijkheid van de Republiek daardoor in gevaar zou komen. Daarop zou Tichelaar hebben aangeboden de prins "iets aan te doen." Het sprak niet in het voordeel van Cornelis dat hij Tichelaar niet had laten arresteren. Wel had hij de informatie aan de stadssecretaris doorgespeeld. Tichelaar werd ook niet meteen geloofd. Hij had namelijk geen onbesmet verleden. Verder had hij eerst twee weken lang zijn mond gehouden over wat Cornelis hem gezegd zou hebben en was voordat hij naar de rechtbank stapte naar het legerkamp van Willem III gegaan om met vertrouwelingen van de prins overleg te voeren.

Op 6 augustus werd Cornelis overgebracht naar de Gevangenpoort. Daarmee was hij een officiële verdachte geworden. Tichelaar was die dag onder druk van de stad Dordrecht ook daarnaartoe gebracht. Twee dagen later deed het gerucht de ronde dat De Witt had willen ontsnappen of was vrijgelaten. Een woedende menigte verzamelde zich bij de Gevangenpoort. De rechters, bang dat hen iets werd aangedaan, besloten Cornelis bij het raam van zijn cel te plaatsen om het volk te tonen dat hij er nog steeds was. Voor de zekerheid werd een permanente wacht opgesteld.

Op 13 augustus was voor de rechtbank duidelijk dat de verklaringen van beide mannen tegenstrijdigheden bevatten. De kwestie werd nog ingewikkelder toen de lezing van een huisknecht die het gesprek op last van Cornelis' vrouw Maria van Berckel had afgeluisterd, behoorlijk afweek van wat Cornelis en Tichelaar verklaard hadden.

thumb|350px|Vier stadia van de moordpartij afgebeeld in één schilderij, van de hand van Pieter Frits.

Marteling De rechters vonden dat er genoeg bewijs was om Cornelis te martelen om 'de waarheid te achterhalen'. Het 'scherp examen' vond plaats op 19 augustus. De avond van tevoren had Cornelis geen avondmaal gekregen. Hij had zich moeten uitkleden tot op zijn onderbroek. Allereerst kreeg hij de 'scheenschroeven' om. Zijn armen werden door de beul Jan Corstyaense op zijn rug gebonden en aan elke dikke teen werd een gewicht van 50 pond gehangen. Vervolgens werd hij aan zijn armen met behulp van katrollen omhoog getakeld. Toen hij hing, kwamen voor het eerst de rechters binnen om hem te ondervragen. Vervolgens werd hij heen en weer gezwaaid. Daarna werd hij op de 'pijnbank' gelegd, vastgebonden met een dun touw vol knopen en werd zijn hoofd tussen vier pennen gelegd. De martelingen namen 3,5 uur in beslag. Cornelis hield zijn onschuld vol. Tichelaar bleef een gang naar de beul bespaard.Gedenkwaardige stukken, wegens Den moordt der Heeren Cornelis en Johan de Witt Dienende tot opheldering van 't Treurspel, genoemt de Haagche Broeder-moordt, of dolle blydschap (jaartal onbekend) Schrijver is anoniem, doch vermeld wordt dat de afgedrukte stukken verzameld zijn door Gerard Brandt.

Vonnis Op 20 augustus werd hij zonder specificering van het tenlastegelegde voor de rest van zijn leven verbannen uit Holland en West-Friesland, op straffe van een boete als hij zou terugkeren. Tevens werd hij veroordeeld tot verlies van al zijn ambten en betaling van alle kosten. Wel werd aangegeven dat zijn straf te maken had met de aanklacht tegen hem en wat hij tijdens de verhoren daarover verteld had. Het vonnis was bijzonder. Het kwam hoogst zelden voor dat een verdachte veroordeeld werd zonder dat de reden werd meegedeeld. Jori Zijlmans, conservator van de Gevangenpoort, en historicus Luc Panhuysen zijn van mening dat de rechters uit vrees voor de volksmassa het niet aangedurfd hebben te openbaren dat De Witt vrijgesproken was van het beramen van een moordpoging op de prins. Een levenslange verbanning achtten zij een redelijke straf voor meineed. Het ontnemen van de ambten was een direct gevolg van de verbanning. Cornelis wilde hoger beroep aantekenen, maar zover zou het niet komen.

Gelyncht

thumb|De verminkte lijken van de gebroeders De Witt, opgehangen op het Groene Zoodje aan de Vijverberg te Den Haag. (1672)