De olieprijs is over het algemeen de prijs op de spotmarkt in dollars fob per vat aardolie, maar ook daarbuiten vindt oliehandel plaats. Er zijn veel verschillende soorten en kwaliteiten aardolie met elk een eigen prijs, maar belangrijke benchmarks zijn West Texas Intermediate (WTI), Brent, Dubai en OPEC.
Belangrijke oliemarkten zijn de New York Mercantile Exchange (NYMEX) en IntercontinentalExchange (ICE) waar de prijs wordt bepaald door een samenspel van fundamentele marktgegevens zoals het aanbod van en de vraag naar aardolie, maar ook door emoties, speculatie en langetermijnverwachtingen. Van grote invloed op de olieprijs is het beperkte aantal aanbieders met Saoedi-Arabië in de rol van swing producer. Daardoor zijn de surpluswinsten aanzienlijk.
Voor de financialisering van de oliemarkten gedurende de jaren tachtig was er sprake van posted prices die bepaald werden door de grote oliemaatschappijen en later official selling prices die bepaald werden door de OPEC-landen.
Soorten De samenstelling van ruwe olie of crude verschilt per soort. Het bevat meerdere koolwaterstoffen, verdeeld in de categorieën alkanen (paraffinen), cycloalkanen (naftenen), aromaten en bitumen. Deze kunnen door raffinage gescheiden worden in fracties of producten als de lichtere benzine en smeerolie en de zwaardere diesel en stookolie. De vraag naar deze producten beïnvloed de vraag naar lichtere of juist zwaardere aardolie.
Daarnaast bevat het zouten, water, tot zes procent zwavel, tot twee procent stikstof, tot 1,5 procent zuurstof en metalen (minder dan 1000 ppm).
Al deze bestanddelen komen tot uiting in de kenmerken van een crude: de dichtheid, vaak uitgedrukt in graden API: light; medium; heavy; het zwavelgehalte, uitgedrukt in massapercentage (%m/m); sweet, laag zwavelgehalte; sour, hoog zwavelgehalte; paraffinegehalte; het vloeipunt, de temperatuur waarbij een vloeistof nog net vloeibaar is; de viscositeit; metaalgehalte; koolstofresidu na pyrolyse.
Deze kenmerken zijn van invloed op het raffinagerendement; welke producten verkregen kunnen worden uit een bepaalde crude in welke mate tegen welke investeringen. Een hoog zwavelgehalte is vaak ongewenst en om dit te verwijderen zijn aanvullende bewerkingen nodig in het raffinageproces. Sour crudes zijn dan ook vaak goedkoper dan sweet crudes. Zo is er ook meer vraag naar lichtere producten als benzine, zodat light crudes over het algemeen duurder zijn. Hoewel de vraag naar zware olie toeneemt door de grotere vraag naar dieselolie, geldt dat de prijs het hoogst is voor light sweet crudes als Brent en West Texas Intermediate (WTI).
Geschiedenis thumb|500px|Olieprijsontwikkeling in $ vanaf 1861; de bruine lijn is de reële prijs uitgedrukt in dollars uit het jaar 2008. De door de majors gedomineerde periode vanaf 1930, maar vooral 1950 tot begin jaren 1970 had een stabiel, langzaam dalend prijsverloop, ondanks de enorm toenemende vraag. Daarna domineerde de OPEC tot 1986 de markt en waren er sterke stijgingen te zien. Vanaf 1988 domineerde de markt, aanvankelijk op een laag prijsniveau, maar vanaf 2003-04 stijgend met een piek in de zomer van 2008. De olieprijs wordt tegenwoordig vooral bepaald door de markt, al worden er ook contracten afgesloten waarbij dit niet het geval is. Voor ongeveer 1985-88 gold echter niet de prijs op de spotmarkt. Voor de jaren 1950 was de prijs van olie uit het Midden-Oosten en Venezuela slechts bekend aan de verkoper en koper. Vanaf de jaren 1950 bepaalden de majors, de grote oliemaatschappijen, een posted price. Hoewel dit de officiële prijs was, was dit over het algemeen niet de werkelijke prijs, omdat er vrijwel altijd een substantiële korting werd gegeven. De posted price diende vooral voor belastingdoeleinden, aangezien een groot deel van de ruwe olie binnen de nog verticaal geïntegreerde oliemaatschappijen bleef.
Een uitzondering was de Verenigde Staten waar veel onafhankelijke producenten waren, zogenaamde independents. Dit kon doordat ondergrondse grondstoffen daar eigendom zijn van de grondeigenaar en dus niet van de overheid, zoals in de meeste landen. Door de vele partijen was hier wel sprake van concurrentie en werd de prijs bepaald door marktwerking. Na ernstige prijsdalingen die volgden op de ontdekking van het enorme Oost-Texasveld in 1930 werd de productie echter beperkt door staatscommissies met als belangrijkste de Railroad Commission of Texas, waardoor de prijzen stabiliseerden op een hoger niveau.
Door de Achnacarry-overeenkomst tussen de majors uit 1928 was de prijs van de olie uit de rest van de wereld aan die uit Texas gekoppeld. Hoewel de Verenigde Staten lang de grootste olie-exporteur waren geweest, werd na 1948 de binnenlandse consumptie zo hoog dat er geïmporteerd moest worden. Dat verstevigde de positie van de majors die in deze periode de nieuwe olievelden in het Midden-Oosten ontwikkelden. Hoewel de concurrentie beperkt was, was de prijs niet overdreven hoog.
Dit veranderde in de jaren 1970 toen de OPEC de rol van de majors overnam. Sterke prijsstijgingen traden op bij de oliecrisis van 1973, toen er een olieboycot werd ingevoerd tegen de landen die Israël direct hadden gesteund bij de Jom Kipoeroorlog, en de oliecrisis van 1979 na de Iraanse Revolutie. In de jaren 1980 daalde de vraag naar olie, terwijl het aanbod van buiten de OPEC steeg. Door het terugschroeven van de productie binnen de OPEC bleef de prijs echter op niveau. Saoedi-Arabië verloor in de rol van swing producer het meeste marktaandeel en eind 1985 besloot het dit ongedaan te maken. Het bood korte tijd ruwe olie aan volgens netback pricing waarbij de prijs werd gebaseerd op die van de geraffineerde olieproducten. Zelfs bij een dalende prijs bleef er daardoor voldoende marge voor de raffinaderijen, met een overaanbod als gevolg. Andere OPEC-landen volgden, waarop de prijzen meer dan halveerden. Veel dure olievelden zoals in de Verenigde Staten en de Noordzee waren niet langer rendabel en investeringen daar werden uitgesteld.
Het systeem van vooral door de OPEC opgelegde official selling prices viel daarna om. In 1986 was Pemex het eerste staatsoliebedrijf dat de prijzen baseerde op de markt. Deze markt buiten de langdurige contracten was er altijd al geweest, maar was lange tijd slechts marginaal geweest. Tegen 1988 was dit echter de voornaamste methode van prijsstelling geworden en dit is het nog steeds.
Afgezien van kleine pieken bleef het prijsniveau gehandhaafd tot tegen de eeuwwisseling. Daarna begon een stijging die piekte rond de $145 in juli 2008. Met de kredietcrisis zette zich daarna een sterke daling in om in december zelfs de $30 te bereiken.
Begin In de negentiende eeuw werd olie nog voornamelijk gebruikt voor verlichting. Aanvankelijk was dit walvistraan, maar door overbevissing was de prijs hiervan sterk gestegen. Met de ontwikkeling van olieraffinage kon kerosine worden onttrokken aan aardolie. Toen in 1859 Edwin Drake olie aanboorde in Titusville in Pennsylvania markeerde dit het begin van de olie-industrie in de Verenigde Staten. Vele wildcatters, avonturiers op zoek naar olie, kwamen richting Pennsylvania, wat in combinatie met de afwijkende eigendomswetten voor ondergrondse grondstoffen die eigendom zijn van de grondeigenaar en niet van de overheid, een sterke overproductie tot gevolg had. Prijzen fluctueerden dan ook sterk. Drake verkocht zijn eerste vaten nog voor $40, maar in 1860 was deze al ingestort naar de $0,10 om in 1861 weer te stijgen naar de $10 per vat. In 1862 fluctueerde de prijs tussen de $0,10 en de $2,25. De prijs van het houten vat zelf van tussen de $2,50 en $3,50 lag daarmee vaak hoger dan de inhoud. In dit ongereguleerde chaotische tijdperk konden enkelen rijk worden, maar gingen velen failliet en eindigden arm, zoals ook Drake. De onzichtbare hand van Adam Smith voldeed hier duidelijk niet, iets wat John D. Rockefeller al vroeg constateerde: Often-times the most difficult competition comes, not from the strong, the intelligent, the conservative competitor, but from the man who is holding on by the eyelids and is ignorant of his costs, and anyway he's got to keep running or bust.
Tegen het einde van de negentiende eeuw was het Russische Rijk, in het bijzonder Azerbeidzjan, echter de grootste olieproducent ter wereld met een aandeel van 52%, terwijl de Verenigde Staten goed waren voor een productie van 42%. In Rusland was Branobel de belangrijkste producent, terwijl John D. Rockefeller erin geslaagd was de Amerikaanse olie-industrie te domineren met zijn Standard Oil. Ondanks de dominantie overleefden deze twee niet. Standard Oil werd vanwege monopolistisch gedrag in 1911 op basis van de Sherman Antitrust Act gedwongen zich op te splitsen in 34 aparte bedrijven, terwijl het einde voor Branobel kwam in 1920 toen de Bolsjewieken de macht grepen in Azerbeidzjan en de olie-industrie nationaliseerden.
De grote spelers van de toekomst begonnen zich echter al te vormen. Onder druk van Standard Oil en de Paniek van 1907 ging Koninklijke Olie samen met Shell tot Royal Dutch Shell, terwijl in 1908 Anglo-Persian Oil Company, het latere BP, werd opgericht na een grote olievondst in Perzië. Daarnaast waren ook de opgesplitste delen van Standard Oil nog steeds grote bedrijven, vooral Standard Oil of New Jersey (Exxon), Standard Oil of New York (Mobil) en Standard Oil of California (Chevron Corporation). De laatste twee van de zeven latere majors waren Texaco en Gulf Oil.
Red Line Agreement De vroege periode kende nog een sterke concurrentiestrijd, maar na een prijzenoorlog in 1927 tussen Shell en Standard Oil of New York gingen de belangrijkste spelers samenwerkingsverbanden aan. Zo spraken de belangrijkste majors als deelnemers van de Turkish Petroleum Company in het Red Line Agreement in 1928 af om elkaar niet te beconcurreren binnen het voormalige Ottomaanse Rijk.
Achnacarry In datzelfde jaar werd ook de Achnacarry-overeenkomst gesloten tussen Shell, Standard Oil of New Jersey, Anglo-Persian, Gulf Oil en Standard Oil of Indiana. In de zogenaamde As-Is-overeenkomst zou elke maatschappij haar marktaandeel behouden om verwoestende concurrentie te voorkomen. Daarnaast werd afgesproken om de olieprijs in de Golf van Mexico als basis te gebruiken, het zogeheten Gulf-plus.
Hoewel de majors buiten de Verenigde Staten afspraken maakten, lieten ze dit daarbinnen achterwege vanwege het strenge mededingingsrecht. Daarbij kwam dat het Midden-Oosten nog maar een kleine speler was terwijl de Verenigde Staten verreweg de grootste olie-exporteur waren.
Gulf-plus Gulf-plus was de olieprijs in de Golf van Mexico zoals deze gepubliceerd werd door Platts, plus transportkosten. Dit basing-point system zou uiteindelijk dagelijks gepubliceerd worden. Voor exporteurs buiten de Verenigde Staten had dit grote voordelen, omdat over het algemeen de productiekosten van de olie lager waren. Als ze daarnaast ook nog eens dichter bij de afnemer gelegen waren, konden ze ook het verschil opstrijken in transportkosten (phantom freight of onverschuldigde vracht). De afnemers konden echter geen voordeel behalen met de goedkopere olie. Voor andere olieproducerende landen betekende het dat zij geen voordeel konden behalen met lagere productiekosten. Mede daardoor kwam de ontwikkeling van het Midden-Oosten pas na de Tweede Wereldoorlog op gang.
Texas Railroad Commission