right|350px|thumb|Groningen in 1789De kaart is niet geheel correct, omdat Oude- en Nieuwe-Pekela ten oosten van de oude loop van de Pekel A niet onder het Oldambt, maar onder Westerwolde vielen. Ook de buurtschap De Heemen tussen Wagenborgen en Woldendorp viel niet onder het Klei-Oldambt, maar onder het kerspel Nieuwolda in het Wold-Oldambt. Wagenborgen vormde dus een enclave op zich. Rechtstoel was - met name in de provincie Groningen - tot in de Franse tijd de benaming voor de plaatselijke gerechten. Hieronder werden zowel de rechtsprekende colleges als hun ambtsgebied verstaan,

In specifiekere zin werd vroeger onder een rechtstoel de zetel verstaan waarop een rechter plaatsneemt als hij spreekt, waarbij de samenstellingen tevens het symbool was van zijn ambt.WNT, art. rechtstoel; Grimm, Wörterbuch,art. Rechtstuhl

Het woord 'stoel' wordt in de eerste betekenis vooral in Nederland en Noordwest-Duitsland gebruikt, bijvoorbeeld in de termen etstoel, schepenstoel, dingstoel en vrijstoel.MNW, art. schepenstoel, dincstoel en art. vristoel. Met de laatste term werden de geprivilegieerde veemgerichten in Westfalen aangeduid.

De term komt al voor in de Zeventien Keuren uit de twaalfde eeuw, waar in de zevende keur wordt gesteld dat Karel de Grote de Friezen in het bezit heeft gesteld van 'de rechtmatig vrije stoel' (thi riuchta fria stol), met daarbij de vrijheid om te spreken en vrijheid om te antwoorden. Dit was het recht om zich binnen het eigen district of de eigen rechtstoel voor de rechter in vrijheid te mogen verantwoorden.N. Algra, Zeventien Keuren en Vierentwintig Landrechten, 2e dr. Doorn 1992, p. 310-311; W.J. Buma en W. Ebel (eds.), Rüstringer Recht, p. 134.

Overzicht

In totaal waren er in de Ommelanden, de beide Oldambten en Westerwolde in de 18e eeuw zo'n 75 rechtstoelen, maar door splitsingen, afscheidingen en samenvoegingen schommelde dit aantal nog weleens. De meeste rechtstoelen omvatten twee dorpen, andere meer. Sommige rechtstoelen (zoals Platvoetshuis bij Dorkwerd en De Kampen bij Oldehove) telden slechts een of meer boerderijen. Grotere rechtstoelen waren verdeeld in eden, waartussen de rechtspraak rouleerde. Een eed viel doorgaans samen met een of meer dorpen of buurtschappen.

De redger of rechter, in het Westerkwartier (net als in Friesland) grietman genoemd, sprak er recht volgens het landrecht van de streek. De redger of grietman werd geassisteerd door een wedman, die als deurwaarder optrad.

In 1601 werden de verschillende landrechten in de Ommelanden vervangen door één Ommelander Landrecht oftewel Landrecht van Hunsingo, Fyvelingo ende het Westerkwartier. In het Oldambt en in de Veenkoloniën, die door de stad Groningen werden bestuurd, gold het Landrecht der beyden Old-Amten, dat in 1618 werd vernieuwd. Het Landrecht van Wedde en Westerwoldinge-Landt is in 1470 vastgelegd en in 1566-67 herzien. Het Landrecht van Selwerd, dat voor het Gorecht gold, is vastgelegd in 1529 en herzien in 1596 en 1673. In de stad Groningen golden de bepalingen verzameld in het Stadboek van 1425, aangevuld met het Oldermansboek en het Romeins recht. De afzonderlijke landrechten bleven gelden tot 1809.

Naast de gewone rechters waren er in Fivelingo (en in mindere mate in Hunsingo) ook over- of lankrechters, die over jurisdictiegeschillen oordeelden en een deel van de boetes ontvingen; in de middeleeuwen fungeerden ze ook als militaire leiders die naleving van een gerechtsoordeel konden afdwingen. In het Westerkwartier (behalve in Middag) en Westerwolde had men buurrechters of boerrigters, in het Oldambt aanvankelijk eveneens buurrechters, later dijkrechters, in Appingedam schuttenrechters met vergelijkbare taken. Deze functionarissen hadden echter alleen zeggenschap over wegen en waterstaatszaken. De dorps- of buurrechters op het Hoogeland verdwenen al op het einde van de middeleeuwen.

Hoger beroep was tot 1749 slechts in een aantal gevallen mogelijk; in de Ommelanden alleen bij civiele zaken, in het Oldambt, Westerwolde en de Veenkoloniën uitsluitend bij minder zware strafrechtelijke kwesties. Beroepszaken in de Ommelanden werden sinds de 14e eeuw behandeld door de Ooster- of Westerwarf, later in toenemende mate door de Hoofdmannenkamer. Pas door het Reglement Reformatoir van 1749 werd de rechtspraak in Groningen aan strengere regels onderworpen en werd het in alle gevallen mogelijk in beroep te gaan bij de Hoofdmannenkamer, die werd omgedoopt tot Hoge Justitiekamer van Stad en Lande. Uitgezonderd hiervan bleven het adellijke jachtrecht en het beheer over een aantal doorgaande wegen, die in 1749 werden ondergebracht bij het Provinciaal Jachtgericht. Deze gehate instantie werd na de omwenteling van 1795, toen het jachtrecht werd vrijgegeven, als eerste afgeschaft. De Hoge Justitiekamer werd in 1804 vervangen door een Departementaal Gerechtshof. In 1652 stelden de Ommelanden een eigen Justitiekamer te Middelstum in, die echter niet lang bestaan heeft. Onafhankelijke keizerlijke notarissen waren in Groningen nauwelijks actief; het stadsbestuur verbood hun activiteiten in 1715.

Onder de Bataafse Republiek kwam er een einde aan het oude rechtstelsel. In 1803 werden de afzonderlijke rechtstoelen en het gebied van de stad Groningen samengevoegd tot zeven jurisdicties, die in 1811 onder het Franse bewind werden verenigd tot drie rechtbanken in eerste aanleg (arrondissementsrechtbanken) met veertien vredegerechten. Tevens werden in de belangrijkste dorpen notarissen benoemd, die het opstellen en verzegelen van particuliere aktes van de rechtstoelen overnamen.

Achtergrond De Friese kuststreken kenden in de middeleeuwen een eigen ontwikkeling. De Frankische koningen slaagde er wel in de bewoners te onderwerpen, maar het Karolingische bestuurssysteem met graven die in naam van de koning een gouw bestuurden, hield niet lang stand. In oudste bronnen is nog wel sprake van graven in de Ommelanden, onder andere de uit de familie van de Brunonen. Na de elfde eeuw stelt het grafelijke gezag weinig meer voor. De Friese vrijheid kenmerkt zich door het ontbreken van een centraal overheidsgezag. Rechtspraak en bestuur waren grotendeels op lokaal niveau, binnen de rechtstoelen, georganiseerd.

In de veertiende eeuw ging het rechterschap vaak rond in de kring van grondbezitters die aan bepaalde criteria voldeden. De rechten waren omgaand; een toerbeurt werd een 'ommegang' genoemd. De wijze waarop het recht omging, werd vastgelegd in zogenaamde klauwboeken. De boerderijen die in het Klauwboek waren opgenomen, noemen we wel de zogenaamde edele heerden.

In de loop der tijden kwamen steeds meer rechtstoelen in het bezit van een beperkt aantal eigenaren die betiteld werden als hoofdeling, later ook wel als jonker, en die zichzelf beschouwden als eigenaar van de betreffende rechtstoel. Waar de rechtsomgang niet meer rouleerde, wordt de rechtstoel als staand aangeduid. In het gerecht Selwerd (Gorecht) werden de rechters vanouds door het stadsbestuur van Groningen aangesteld. In de Oldambten gebeurde dat vermoedelijk sinds 1536, in Westerwolde sinds 1618.

In de 17e en 18e eeuw raakten ook de meeste onderkwartieren vast in handen van een of een kleine kring van edelen. Aanhoudende conflicten leidden in 1659 tot ingrijpen van de Staten Generaal. De onderdistricten werden grondig herverkaveld en er kwam een strak schema van roulerende functies, die het alleenrecht van de adel verder in de hand werkte. Door onderlinge afspraken (contracten van correspondentie) en het inzetten van hun clientèle als 'stemvee' wisten de meest succesvolle families de concurrentie grotendeels uit te schakelen. In 1749 was meer dan de helft van de rechtstoelen staande. Dat was een van de belangrijkste factoren die leidden tot het Pachtersoproer van 1748 en daarna tot de opkomst van de patriottenbeweging in 1787.

Een deel van deze rechten was afkomstig van de voormalige kloosters in Groningen, die in 1659 door de provincie aan de meestbiedende werden verkocht. Ook de stad Groningen wist dankzij haar kloosterbezit en dankzij strategische aankopen haar invloed in de Ommelanden uit te breiden. Dat lukte met name in Winsum, Obergum, Appingedam, Aduard en Scharmer. De Ommelanden kochten in 1630 de heerlijkheid Delfzijl aan, maar moesten die later wegens geldgebrek weer verkopen; daarnaast bezaten de Ommelanden de kleine rechtstoel Platvoetshuis en aandelen in de rechtstoelen van Warffum en Ten Boer. Stad en Lande namen in 1637 de heerlijkheid Visvliet over van de provincie Friesland.

Rechthuizen De rechtszittingen vonden oorspronkelijk 's zomers in de open lucht en 's winters in de dorpskerk plaats. In Bedum daagden de redgers mei 1548 op het kerkhof, in het Oldambt deden ze dat mei 1565 in de dorpskerk van Midwolda, waar vanouds de rechtdagen werden gehouden. De belangrijkste rechtstoelen hadden vermoedelijk al in de zestiende eeuw een eigen rechthuis.Zie voor de rechthuizen: G. van Essen, Bouwheer en bouwmeester. Bouwkunst in Groningen, stad en lande (1594-1795), Groningen 2010, p. 262-264. De protestanten die sinds de Reductie van Groningen in 1594 de dienst uitmaakten, vonden het echter niet gewenst dat het kerkgebouw nog langer voor wereldlijke zaken werd gebruikt, zodat iedere rechtstoel een rechthuis kreeg. Dit waren meestal particuliere herbergen. Soms kregen meerdere dorpen binnen de rechtstoel een eigen rechthuis, andere rechtstoelen waren te klein daarvoor. Jaarlijks waren er bijzondere zittingen in de hoofdplaatsen van de onderdistricten, waar men zijn voornemen om de rechtspraak uit te oefenen, kon aanmelden. Maakte niemand bezwaar, dan diende de nieuwe rechter de eed af te leggen, hetgeen vanouds op het kerkhof plaatsvond. In het Fivelingoër Westerdeel gebeurde de toewijzing van redgerrechten in de herberg 'De Roos' in Loppersum. Daarentegen vond de 'aanspraak' van de meeste rechtstoelen in Oostelijk-Fivelgo en het afleggen van de eed vanouds plaats te Leermens.Claveboeck van Johan Tiassens, p. 115; G.A. Brongers en W. Koops, Bijdragen tot de kennis van de gemeente Loppersum, Groningen 1981, p. 61; Tegenwoordige Staat, p. 285, 353; H. Kremer, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der provincie Groningen, 2e dr. Groningen 1839, p. 334, 343. De eedsaflegging gebeurde vermoedelijk op het kerkhof bij een grote steen, nadat de aanstaande rechter rond het dorpsgebied was gelopen en water uit de dorpsbron had gedronken. Andere hoofdplaatsen waren Sebaldeburen, Leens en Kantens. In de 17e en 18e eeuw raakten deze rituelen uit de mode, hoewel men de stenen die een rol speelden bij de rechtspraak vaak nog wel wist aan te wijzen.E.J. Huizenga-Onnekes, ‘Keien in Groningerland. Bijzonderheden over verschillende “vlinten”’, Nieuwsblad van het Noorden, 24 juni 1938.

Bij de opheffing van de oude rechtstoelen in 1803 waren er zo'n 75 rechthuizen, waarvan er in uiteindelijk tot 1838 tien overbleven. De rechthuizen van Aduard (rond 1600), Bellingwolde (1643), Slochteren (17e eeuw), Westeremden (1607), Winneweer en Wirdum (?) zijn nog voorhanden, evenals het 19e-eeuwse rechthuis van Onderdendam (1838).

Galgen