Assebroek is een plaats in de Belgische provincie West-Vlaanderen en sinds 1 januari 1971 een deelgemeente van de provinciehoofdstad Brugge. Assebroek ligt ten zuidoosten van de historische binnenstad. De deelgemeente heeft een oppervlakte van 10,49 km² en telde op 31 december 2014 19.737 inwoners, die AssebroekenarenVRTtaal.net - Assebroek. Gearchiveerd op 2 maart 2016. worden genoemd. Het aantal inwoners is sinds 1999 nauwelijks gewijzigd. Daarmee telt Assebroek ca. 16,75% van de Brugse bevolking.

Etymologie Sinds 1421 spreekt men van Assebroucq of Assebroek. Voordien was het Ursebroec (1201), Ersbroch (1231), Ars(e)brouc (1242).

Ars(e)brouc betekent wellicht vochtige paardenweide. Het Oud-Nederlandse Arse of Ors staat dan voor paarden en brouc voor nat stuk land of meers.

Opvallend is dat rond de Meersen in de middeleeuwen talrijke herbergen stonden, allen met paardennamen, waarvan alleen nog de bouwval Het Vliegend Paard te Oedelem overeind staat. Ook de buurt Peerdeke in Assebroek verwijst wellicht hiernaar.

Sommige bronnen gaan ervan uit dat Arse slaat op Essen, zodat Assebroek zou betekenen moeras omringd door Essen. De historicus Jos De Smet heeft deze verklaring afgewezen, omdat rond meersen geen esbomen groeiden.

Geschiedenis Oudste bewoning

Op Steenbrugge en Ryckevelde zijn vondsten gedaan die wijzen op bewoning sinds het Mesolithicum. De waterrijke Assebroekse Meersen vormden een belangrijke voedselbron. Ook uit het Neolithicum zijn vondsten gedaan. Volgens sommigen is de circulaire site in de Assebroekse Meersen een prehistorisch monument, hoewel men tijdens het archeologisch onderzoek in 2011 hiervoor geen aanwijzingen vond.

Wellicht bleef het gebied ook tijdens de brons-, ijzer- en Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bewoond. Van de 5de tot en met de 7e eeuw had de streek af te rekenen met grote overstromingen ten gevolge van zeetransgressies. Het meersengebied liep daardoor meerdere malen onder water. Tijdens de Merovingische periode vestigden de Franken zich onder meer in Vlaanderen. Assebroek maakte in die tijd deel uit van het koninklijk domein Sijsele dat, samen met Weinebrugge en Snellegem de Pagus Flandrensis vormt. Het toponiem "Odegem" wijst wellicht op een Frankische vestiging in de vroege middeleeuwen. Het toponiem Veltem, nu nog in gebruik in de deelgemeente Sint-Kruis, lag iets ten noorden van het Klooster Engelendale.

9e - 15e eeuw "Felthem", dat volgens een akte uit 976 door de toenmalige eigenaar Folgbertus en zijn vrouw Reginsuint werden geruild met de Sint-Baafsabdij, is daarmee het oudst geattesteerde deel van Assebroek. Odegem, waar de oudste parochie van Assebroek werd gesticht, werd voor het eerst vermeld in 1038. Bij het Sint-Trudokerkje van het hof van Odegem kwamen de vrouwelijke leden van de Brugse Eekhoutabdij zich vestigen. De vroegste akte van het Sint-Trudoklooster dateert van 1133. Waar het toenmalige klooster juist stond, is niet bekend. De band met de Eekhoutabdij werd verbroken en in 1248 stichtten de zusters een autonome abdij. In 1261 werd de abdij door een brand vernield. Een nieuw klooster werd gebouwd op hetzelfde domein, maar dichter bij de weg naar Kortrijk. Het dichtbijgelegen waterloopje kreeg de naam "Sint-Trudoledeken". In de 13e eeuw werd hier een parochie gesticht. De parochiegrenzen vielen samen met het huidig kanaal Gent-Brugge, het Sint-Trudoledeken en de grens met Oostkamp.

Het toenmalige Assebroek, het huidige Ver-Assebroek, behoorde al sinds de vroege middeleeuwen tot de heerlijkheid Sijsele. Assebroek (Ascebroc of Ars(e)brouc) werd voor het eerst vermeld in 1187. Reeds rond het einde van de 12e eeuw zou er een eerste kapel of kerkje hebben gestaan voor deze bescheiden parochie, opgericht door de heren van Assebroek en toegewijd aan Maria Magdalena. De heren van Assebroek, die aanzienlijke rijkdom hadden vergaard door hun visrechten op de Reie, de brieven van de Reie en veenwinning, bouwden in de twaalfde eeuw hun kasteel in de Assebroekse Meersen, omringd door drie concentrische walgrachten, die op heden het archeologisch landschappelijk monument uitmaken. Hun opperhof was vergezeld van een neerhof, wellicht op de plaats waar zich nu nog de gerestaureerde schuur gekend als het "Leenhof" bevindt.

Vóór 1270 strekte de bevoegdheid van de Brugse Onze-Lieve-Vrouweparochie zich uit over het grootste deel van het huidige Assebroek. Haar dochterparochie Sint-Katarina werd in 1270 opgericht. Een kerk werd gebouwd op een stuk grond, geschonken door gravin Margareta van Constantinopel, ongeveer op de hoek van de huidige Vestingstraat en Edward de Denestraat en nabij de weg naar Kortrijk. Een deel van de huidige Katelijnestraat lag toen op Assebroeks grondgebied. De parochie grensde aan Sint-Kruis, Sint-Michiels, Oostkamp en de parochie Assebroek.

Tijdens de 12e en 13e eeuw kende Brugge een sterke groei en bevolkingstoename. In 1275 kreeg de stad toestemming van Margareta van Constantinopel om het grondgebied rond de stad uit te breiden. Delen van het Sijseelse werden ingelijfd en afgebakend met palen. In 1297 werd uiteindelijk de tweede omwalling rond Brugge aangelegd. Deze sneed de Sint-Katarinaparochie in twee: een gebied intra muros en een gebied extra muros dat als "Paallanden" werd aangeduid. Een deel van de parochie lag nu in het zuidoostelijke deel van de stad Brugge, afgesloten van de parochiekerk. De kerk werd tijdens het conflict met de Gentenaren gesloopt in 1382, en herbouwd rond 1400 op ongeveer dezelfde plaats en met hetzelfde plan.

De heren van Gruuthuse bezaten grond aan beide zijden van de omwalling, in de buurt van de Katelijnepoort. Zij stichtten er in 1469 het klooster van de arme klaren.

Assebroek bestond vroeger uit vier leenhoven die afhingen van het Prinselijk leenhof van de Burg van Brugge. Aan het huidige Pastoor Verhaegheplein op Ver-Assebroek bevond zich het belangrijkste leen, dat voor het eerst werd vermeld in 1201 en een eigen, lage rechtsmacht had. De heren van Assebroek gaven er hun naam aan. De heer van Assebroek fungeerde als briever of ontvanger van de pachtgronden van de graaf van Vlaanderen. Volgens sommige archeologen is er een verband tussen de circulaire structuur ten zuiden van de Kerkdreef en het leenhof. De site is bruikbaar als woonoppervlakte, en die was dan mogelijk omringd door een aarden ringwal en een cirkelvormige buitengracht. Dat de cirkelstructuur het opperhof zou zijn geweest en het leenhof het neerhof, blijft tot op heden een hypothese.

Domein De Zeven Torentjes|200px|thumb "De Zeven Torentjes", ook nog als "'s Heer Boudewijnsburg" of "Rabaudenburg" aangeduid, was een tweede belangrijk leenhof, en had eveneens een lagere rechtspraak. Op het huidige domein "De Zeven Torentjes" bevindt zich nog een duiventoren, wellicht uit de 16e eeuw, die wijst op de hoge status van dit voormalige goed.

Een derde leen was "Zevekote", met vroegste vermelding in 1258. De naam zou verwijzen naar een overdekte sluis (zeve) die de waterhuishouding van de omwalling, gevoed door de nabijgelegen Gemene-Weidebeek, regelde. Veel over de geschiedenis van het leen is niet geweten. De eerst bekende eigenaar duikt pas op in de 14e eeuw. Hij zou een belangrijke status hebben gehad: hij was aanborger van de Gemene Weiden en bezat een kasteel met omwalling.

Het vierde leen, bekend onder de namen "Ter Lake", "Boechout" of "Buggenhout", lag net buiten de Brugse stadsomwalling, ter hoogte van de huidige Vrijheidsstraat. Van dit domein, dat ontstaan was op gronden van de heren van Gruuthuse, blijft heden niets over. Naast deze vier leenhoven waren er nog enkele gewone lenen zonder rechtsmacht.

Tussen 1270 en 1280 werden in een eerste fase de bovenlopen van de Durme en de Reie gekanaliseerd en ontstond de Brugse Leie, de voorloper van het kanaal Gent-Brugge. Voorts werd in 1284 het klooster van de "Jacopinessen ter Ingelendale bi Brucghe", langs de huidige Astridlaan, gesticht.

In de 14e eeuw werd door de heerlijkheid Sijsele het grondgebied in secties of branken verdeeld; hiervoor werden de parochiegrenzen van Assebroek en Sint-Katarina gebruikt. Elke brank had een hoofdman die als tussenpersoon fungeerde tussen het bestuur van de heerlijkheid, gevestigd op de Burg, en de inwoners.

De oudste vermelding van de Gemene Weiden dateert, voor zover bekend, van 1327, maar deze feodale bestuursinstelling was wellicht al veel ouder. Gemene Weiden zijn gronden die gemeenschappelijk gebruikt en beheerd worden. Samen met de Loweiden op het grondgebied Oedelem zijn het de laatste overgebleven gemene gronden in Vlaanderen. De aanborgers hebben nog steeds, zoals vanouds, het gebruiksrecht. Elk van hen beschikt over een afgebakend stuk grond, dat van vader op zoon werd doorgegeven, en vanaf 2024 ook op dochter.https://m.nieuwsblad.be/cnt/dmf20240228_96224169

In de loop van de 15e eeuw kende het Sint-Trudoklooster een grote bloei: de kloostergemeenschap groeide aan en het gebouwenbestand werd gevoelig uitgebreid.

16e - 17e eeuw Abdijhoeve Sint Trudo|thumb|200px Tijdens het laatste kwart van de 16e eeuw werd Assebroek geteisterd door godsdienstoorlogen. In 1566 hielden de calvinisten op verschillende plaatsen, maar vooral op Zevekote, hagenpreken. Ook in 1566 moesten de kloosterlingen van het Sint-Trudoklooster te Odegem tijdelijk vluchten naar hun refuge aan de Garenmarkt in Brugge, om het klooster uiteindelijk definitief te verlaten in 1578. In 1580 werd het kloostergebouw volledig vernield. De site bleef eigendom van het klooster, maar fungeerde nu enkel nog als buitengoed met hoeve. Vanaf 1584 maakte Odegem deel uit van de parochie Sint-Katarina.

In 1569 werd het domein van 's Heer Boudewijnsburg geplunderd door de beeldenstormers. Ook de Maria Magdalenakerk op (Ver-)Assebroek werd in 1572 grotendeels door de geuzen vernield.

In 1577-1578 liet de stadsmagistraat om strategische redenen alle grote gebouwen in het Brugse ommeland, waaronder de Sint-Katarinakerk, afbreken. In 1578 werd ook het Engelendaleklooster op de kapel na volledig vernield door de geuzen. De kloosterlingen moesten hun intrek nemen in de Clophamerstraat, de huidige Jakobinessenstraat, in Brugge. Ook hier bleven de gronden eigendom van het klooster en werden als buitengoed met hoeve gebruikt.

De Spaanse verdedigingslinie tijdens de Tachtigjarige Oorlog lag onder meer langs het kanaal Gent-Brugge. Aan het Lappersfort en in Steenbrugge werden enkele versterkingen opgeworpen. Door de vele troepenbewegingen en gewapende conflicten kreeg de bevolking het ook in de 17e en het begin van de 18e eeuw zwaar te verduren.

In 1613 werd het kanaal Gent-Brugge uitgegraven en uitgediept. Deze waterweg bleef tot de aanleg van de snelwegen in de tweede helft van de 20e eeuw een belangrijke verkeersader tussen Gent en Brugge.

Rond 1628 werd de kerk van (Ver-)Assebroek heropgebouwd en opgedragen aan Maria Magdalena en Onze-Lieve-Vrouw.

18e eeuw thumb|De Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk In 1746 werd de kerk van (Ver-)Assebroek uitgebreid en opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van de Onbevlekte Ontvangenis. Reden hiervoor was de grote toeloop van bedevaarders, die een mirakelbeeld van Maria, in 1720 aan de kerk geschonken door pastoor Verhaeghe, kwamen bezoeken.

In 1734-1735 werd, ter vervanging van de kronkelende weg naar Kortrijk, van de Katelijnepoort tot aan Steenbrugge een rechte kasseiweg aangelegd door de Stad Brugge, vandaag bekend als de Baron Ruzettelaan. De verbindingsweg naar Gent (vandaag in Assebroek bekend als Generaal Leman- en Astridlaan) verloor aan belang door de heraanleg van de Maalse Steenweg op Sint-Kruis. Deze nieuwe weg maakte vanaf 1778 deel uit van de rijksweg over Sijsele, Maldegem en Eeklo naar Gent.