thumb|Het chemiepark te Delfzijl. De chemische industrie of scheikundige nijverheid vervaardigt producten door middel van chemische veranderingen aan bestaande (grond)stoffen. Binnen deze branche vallen alle bedrijven die voor hun industriële productie gebruik maken van chemische processen. De grens tussen procesindustrie en chemische industrie is niet scherp, al kan de chemische industrie (vooral gericht op bulkproducten en continue processen) wel opgevat worden als een deelgebied van de procesindustrie, waarin echter ook aandacht is voor kleinere hoeveelheden en batchprocessen.

Voorbeelden van producten van de chemische industrie Voorbeelden van grondstoffen en producten die de chemische industrie maakt, zijn: coatings cosmetica gassen geneesmiddelen kleurstoffen kunstmeststoffen kunststoffen kunstvezels metaal ontsmettings- en bestrijdingsmiddelen pigmenten synthetische reuk- en smaakstoffen verf en drukinkt voedingsingrediënten (bijvoorbeeld de oleochemie) zeep en was- en reinigingsmiddelen

In België rekent men de groep van kunstvezels historisch gezien niet tot de chemische industrie, maar daarentegen wel de rubberverwerkende bedrijven.

Grootste chemische bedrijven Anno 2017 waren DowDuPont, BASF, Sinopec, INEOS, SABIC, Mitsubishi, LyondellBasell, Exxon Chemical, Air Liquide, LG Chem, Toray, Sumitomo, Linde, Johnson Matthey, Reliance, Merck KGaA, Evonik, Covestro, PPG en Ecolab de grootste chemische bedrijven wereldwijd.

Duurzaamheid Chemiebedrijven gebruiken onder andere fossiele brandstoffen voor zowel hun energie- als grondstofvoorziening. De chemische industrie is een grootverbruiker van energie en stoot hierdoor ook broeikasgassen uit. In 2017 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen door de Nederlandse Chemische industrie 19,7 MegaTon. Deze uitstoot vormde 41 procent van de broeikasgasemissies van de gehele Nederlandse industrie (47,7 megaton).Emissie-intensiteit broeikasgassen Nederlandse industrie CBS, 2018. Gearchiveerd op 13 november 2021. De producten van de chemische industrie zijn soms toxisch, na gebruik vaak niet afbreekbaar of herbruikbaar en daarmee schadelijk voor het milieu.

De druk vanuit overheden op de chemische industrie neemt toe om de uitstoot van broeikasgassen en de belasting van het milieu te verlagen. De CO2-uitstoot van de chemiesector in Nederland zal in 2050 met 90 procent moeten zijn gedaald.Uitstoot broeikasgassen chemie moet 80 tot 95 procent lager in 2050. Gearchiveerd op 26 november 2020. Chemische processen moeten schoner worden, minder energie en grondstof consumeren en minder gevaarlijke stoffen opleveren. Om dit te realiseren, moeten chemische bedrijven hun energievoorziening, processen en producten transformeren. Hierbij valt te denken aan schonere energiebronnen en andere grondstoffen. Biomassa kan dienen als input voor veel chemicaliën. Daarbij zal moeten worden overgeschakeld naar andere productieprocessen. Ten slotte zal moeten worden gewerkt aan producten die minder toxisch en herbruikbaar zijn.

Groene chemie kan hier een bijdrage aan leveren, maar de technische opgave is groot. Sommige van de benodigde technieken bestaan al, maar zijn nog niet rendabel. Andere technieken die nodig zijn voor vergroening bestaan nog niet. Een onderzoek dat in 2018 is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse chemische industrie heeft aangetoond dat de opgave gigantisch is. Dit onderzoek laat zien dat de vereiste versnelling alleen mogelijk is bij een drastische transformatie van de industrie. Technologieën die een hoge CO2-emissiereductie mogelijk maken en nu nog niet rendabel en betrouwbaar zijn, vragen om doorontwikkeling, zodat ze op weg naar 2050 zo snel mogelijk commercieel exploitabel kunnen worden ingezet.Chemische industrie presenteert Routekaart 2050 VNCI, 2018. Gearchiveerd op 7 maart 2022.

Chemische industrie in Nederland Geschiedenis 16e t/m 18e eeuw In de 16e en 17e eeuw was de Republiek een belangrijk handelscentrum en tal van grondstoffen werden aangevoerd van over de hele wereld. Dit leidde tot de ontwikkeling van raffinagetechnieken voor grondstoffen als potas, borax, rietsuiker, kamfer en ruw zout. Ook lood en kwik werden verwerkt tot producten als loodwit en kwikpreparaten. Van belang hierbij was het gebruik van industriemolens, zoals verfmolens. Deze werden onder meer ingezet bij het malen van pigmenten als smalt voor de blauwselfabricage en vermiljoen. Het algemene beeld was dat relatief goedkope grondstoffen werden ingevoerd en dat deze -na bewerking- als veel duurdere producten weer werden uitgevoerd. Een belangrijk chemicus die jarenlang in Amsterdam heeft gewoond en gewerkt was Johann Rudolph Glauber (1604-1670). De -vaak nog ambachtelijke- chemische industrie werd gekenmerkt door batchgewijze productie.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel IV, p.151 e.v.

In de 18e eeuw, en vooral tegen het einde daarvan, volgde een relatieve teruggang doordat ook in het buitenland (Duitse staten, Oostenrijk) chemische bedrijven werden opgericht. Rond dezelfde tijd werd de roep om scholing van onder meer apothekers in wat toen de Schey- en Artzeneimengkunde werd genoemd. Vooral in de tijd van de Bataafse Republiek werd hieraan gehoor gegeven. Ná de Franse tijd gingen het apothekersonderwijs en het op de industrie gerichte technisch-chemische onderwijs elk een eigen richting uit. Daarnaast ontwikkelde zich de wetenschappelijke chemie, die echter betrekkelijk los van de nijverheid stond. Geheimhouding vanuit de kant van de nijverheid speelde daarbij een rol.

Een van de personen die een rol speelde bij de industriële toepassing van de chemie was Petrus Driessen (1753-1828). Deze bestudeerde de nuttige toepassing van de bijproducten der zoutziederij. Hij toonde aan dat het moederloog, dat overbleef als het keukenzout was uitgekristalliseerd, na indamping tal van producten kon voortbrengen zoals zoutzuur, natriumsulfaat (glauberzout), ammoniumchloride (salmiak), magnesiumcarbonaat (magnesia alba) en magnesiumsulfaat (Epsomzout). Ook natriumcarbonaat (soda) kon op deze wijze worden vervaardigd. Het was Watse Gerritsma die deze vernieuwingen toepaste in zijn zoutziederij te Makkum (einde 18e eeuw). De fabriek gebruikte ruw zeezout uit Spanje en Portugal als grondstof.

Een andere vroege chemische fabriek was die van George Dommer & Co te Nieuwer-Amstel. Deze vervaardigde allerlei chemicaliën en pigmenten. Deze heeft bestaan van 1782-1826 en telde op zijn hoogtepunt een 30-tal arbeiders.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel IV, p.167 e.v.

Nog lang bleef de chemische industrie op vrijwel ambachtelijke basis bestaan. Veel fabriekjes produceerden pigmenten en andere verfstoffen, waaronder lak, vernis en dergelijke. Verder was er bedrijvigheid in de productie van zeep, lijm en smeerkaarsen. Hierbij speelde de bewerking van plantaardige en dierlijke oliën en vetten een rol. Er was sprake van veredeling van ingevoerde grondstoffen, dan wel bewerking van inheemse grondstoffen. Vernieuwingen waren de productie van patentolie en alizarine, welke laatste een toepassing vond in textielververijen.

19e eeuw Begin 19e eeuw was de chemische industrie ondanks alles nog voornamelijk een ambachtelijk bedrijf met een zwaartepunt bij de pigmenten en verfstoffen waaronder lakken, vernis en terpentijn. Nieuwe ontwikkelingen vonden plaats bij de bewerking van meekrap, waarbij alizarine na 1804 stabieler kon worden gemaakt en ook geschikt werd als verfstof voor textiel. Uiteraard werd ook buskruit vervaardigd. Nieuwe ontwikkelingen waren de uitvinding van patentolie in 1802. Tot de chemische producten behoorden verder bewerkingen van plantaardige en dierlijke oliën en vetten zoals smeerkaarsen, zeep en lijm zoals vislijm, beenderlijm en stijfsel. Het aanvankelijk gebruik daarvan was in de boekbinderij en de meubelmakerij. De traditionele industrieën waren deels op binnenlandse en deels op buitenlandse grondstoffen gebaseerd, de zogeheten trafieknijverheid. Deels ook kwamen er fabrieken die gebaseerd waren op nieuwe vindingen. Het aantal werknemers per fabriek bedroeg hooguit enkele tientallen.

Het Keizerlijk Decreet van 15 oktober 1810 van Napoleon Bonaparte, vanaf 19 april 1811 ook geldend in het huidige Nederland, was ontworpen om de schadelijke, ongezonde of hinderlijke uitstoot van geuren verspreid door met name chemische bedrijven aan banden te leggen om de volksgezondheid te beschermen. Hiermee maakte voor het eerst een centrale overheid een uniform beleid dat van toepassing was op alle bedrijfstakken in het land, en rekende daarmee af van de oude lappendeken aan lokale en bedrijfstak-specifieke regels.

De Belgische Opstand (1830) leidde ertoe dat katoenblekerijen in de noordelijke Nederlanden moesten werden opgericht om in de handel naar de Nederlandse koloniën te voorzien. Deze blekerijen gebruikten ook zwavelzuur, waarvan de fabricage eveneens in de zuidelijke Nederlanden was geconcentreerd.

De fabricage van zwavelzuurTechniek in Nederland in de 19e eeuw, deel IV, p.181 e.v. kwam mede voort uit de behoefte aan dit product voor de katoenblekerijen welke werden opgericht na de Belgische afscheiding in 1930. Een eerste zwavelzuurfabriek volgens het lodenkamerproces werd opgericht door Willem Spindel in 1832. Deze staakte het bedrijf al in 1834. De zwavelzuurfabriek van Ketjen, Jarman en Cie. werd in 1835 opgericht en groeide uit tot een belangrijk industrieel bedrijf. In hetzelfde jaar werd te Utrecht de firma A.W. de Visser & Comp. opgericht, welke zwavelzuur, salpeterzuur en zoutzuur vervaardigde. In 1827 was door hen al een beenzwartfabriek opgericht die aan suikerraffinaderijen leverde. Het salpeterzuur werd vervaardigd op basis van Chilisalpeter, het zoutzuur was een product dat vrijkwam bij het Leblancproces om soda te vervaardigen, een product dat in de glasindustrie en de zeepindustrie van belang was.

De vraag naar zwavelzuur steeg aanzienlijk door de komst van garancine fabrieken. Dit product was in 1828 al ontdekt en in 1846 werden in Nederland de eerste garancinefabrieken opgericht, waar bij het proces veel zwavelzuur vereist was. Een andere vraag naar zwavelzuur vloeide voort uit de ontwikkeling van het proces voor de stearinebereiding, waarbij dierlijke vetten (smeer) en eventueel ook palmolie, in een eerste processtap door zwavelzure verzeping werden omgezet. In 1853 werd de stearinekaarsenfabriek te Gouda opgericht.

Toen, na 1850, de concurrentie toenam terwijl de vraag naar zwavelzuur na 1860 afnam door de katoencrisis, werd het zwavelzuur ingezet bij de sodaproductie en verrezen sodafabrieken, waarbij Ketjen een belangrijke rol speelde, zoals bij de oprichting van de NV Amsterdamsche Sodafabriek te Nieuwer-Amstel. Dergelijke fabrieken beschikten over tientallen werknemers. Begin jaren '70 van de 19e eeuw was er opnieuw overproductie en felle buitenlandse concurrentie door veel grootschaliger bedrijven. De sodaproductie in Nederland stortte toen in. In 1868 ontdekte men hoe kleurstoffen voor de textielindustrie uit antraceen, een destillatieproduct van steenkoolteer konden worden vervaardigd. Dit luidde het einde van de garancineproductie en de daaraan verbonden vraag naar zwavelzuur in. Pas einde 19e eeuw kwam de zwavelzuurproductie weer tot bloei doordat vanaf 1875 de productie van superfosfaat, op basis van guano, op gang kwam. In dat jaar ontstond de voorloper van Albatros Superfosfaatfabrieken.

Hoewel de eerste gasfabriek in Nederland al in 1826 werd gestart, werden deze fabrieken vooral in de 2e helft van de 19e eeuw door het hele land gebouwd. Tot de afvalproducten behoorden cokes, steelkoolteer en ammoniakwater. Het ammoniakwater kon omgezet worden in zwavelzure ammoniak, een kunstmeststof. Uit het steenkoolteer werden, door destillatie, grondstoffen voor de kleurstoffenindustrie gewonnen. Zo werd in 1860 de Nederlandsche Koolteerstokerij opgericht, die de destillatieproducten aan het buitenland verkocht.