De geelgerande watertor (Dytiscus marginalis), ook vaak genoemd geelgerande waterroofkever, is een kever uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae).
De geelgerande watertor kan een lichaamslengte bereiken van ongeveer 3,5 centimeter en is een van de grootste kevers in België en Nederland. De geelgerande watertor is hier ook vrij algemeen, in tegenstelling tot andere grote kevers zoals de grote spinnende watertor en het vliegend hert. De geelgerande watertor is te herkennen aan het van boven bezien langwerpig ovale, maar zijwaarts gezien platte, gestroomlijnde lichaam, de zwartgroene kleur en de gele rand aan de buitenrand van de dekschilden. Het halsschild is geheel geel omrand en hieraan is de soort te onderscheiden van de meeste gelijkende waterkevers.
De geelgerande watertor is een felle rover die voornamelijk op insecten jaagt, maar ook kleine vissen en amfibieën zoals salamanders buitmaakt. De kever kan in kleine tuinvijvers schadelijk zijn doordat kleine vissen en amfibieënlarven worden gegeten. Door kwekers van goudvissen en koikarpers wordt de kever beschouwd als een plaagsoort.
De geelgerande watertor leeft in uiteenlopende wateren met een dichte onderwatervegetatie zoals sloten en vennen. De kever kan vliegen; hij doet dit in de regel 's nachts. Op het land kan de kever zich niet goed voortbewegen vanwege de tot roeispanen omgevormde poten.
Naamgeving en taxonomie De naam Dytiscus marginalis werd voor het eerst in 1758 door Carl Linnaeus geldig gepubliceerd.Linnaeus, C. (1758). Systema naturae per regna tria naturae, ed. 10: 411 online op BHL, onder verwijzing naar een eerdere beschrijving in zijn eigen Fauna Svecica en publicaties van onder anderen John Ray en Aldrovandi
Naam Oorspronkelijk werd de naam Dyticus marginalis gebruikt (in plaats van Dytiscus). Later werd de kever beschreven onder de wetenschappelijke namen Dytiscus totomarginalis (DeGeer, 1774), Dytiscus submarginalis (Stephens, 1820) en Dytiscus circumductus (\Serville, 1830).
De wetenschappelijke naam, Dytiscus marginalis, verwijst naar zowel de levenswijze als het uiterlijk; de geslachtsnaam Dytiscus betekent 'duiker' en slaat op de gewoonte om na het ademhalen aan de oppervlakte recht naar beneden te duiken. De soortnaam marginalis betekent 'rand' en verwijst naar de gele randen van het halsschild en de dekschilden.
Namen in Nederland en andere talen De kever staat bekend onder vele Nederlandstalige namen, maar de soort wordt in de literatuur meestal aangeduid met geelgerande watertor of geelgerande waterroofkever. Andere Nederlandstaligee namen die wel gebruikt worden zijn geelrandwaterroofkever, geelgerande water(roof)kever, 'gewone geelgerande waterroofkever of gewone geelrand, geelgestreepte waterkever, gewone geelgerande, gewone geelgerande waterkever, gerande watertor, geelgerande waterkever, gewone geelgerande watertor, geelrandkever, gewone geelrand en geelgerande waterroofkever.
In de Duitse taal wordt verwezen naar de tekening (gelbrandkäfer) en ook het Frans wijst op de geelgekleurde rand van het dier (dytique bordé). In de Engelse taal verwijst de triviale naam naar de relatieve grootte van de kever (great diving beetle).
Ondersoorten Er worden twee ondersoorten erkend; Dytiscus marginalis marginalis en Dytiscus marginalis czerskii. Deze laatste ondersoort werd pas in 1953 door Zaitsev beschreven en komt voor in het oostelijke deel van het verspreidingsgebied; ten oosten van het Baikalmeer in Rusland.
Uiterlijke kenmerken Afbeeldingen: kenmerken thumb|Lichaamsdelen van de geelgerande watertor:
De geelgerande watertor is een vrij grote soort die een lengte van 27 tot 35 millimeter kan bereiken. De lichaamsvorm is langwerpig ovaal van boven en zeer gestroomlijnd van opzij bezien. Het lichaam bestaat net als alle kevers uit drie delen: de kop (A), het borststuk of thorax (B) en een achterlijf of abdomen (C). Deze delen corresponderen echter niet met de drie zichtbare delen aan de bovenzijde, de kop is wel goed te zien doordat deze is afgesnoerd en aan de bovenzijde is voorzien van een kopschild of vertex (1).
Kop Aan de voorzijde van de kop is een gele rand aanwezig, met in het midden twee tasters (5). Aan weerszijden zijn de antennes (6) en de ogen (7) te zien. Zowel de tasters zijn gesegmenteerd. De ogen zijn relatief groot en zijn aan de voorzijde van de kop gepositioneerd. De geelgerande watertor heeft geen ocelli.
Borststuk Het borststuk is aan de voorzijde onder het halsschild of pronotum (2) gelegen. Achter het halsschild is in het midden het scutellum of schildje zichtbaar (3). Het achterste deel van het borststuk en het achterlijf zijn onder de dekschilden of elytra (4) gelegen. De kleur van de dekschilden of elytra neigt naar zwart maar is zeer donkergroen met een metaalachtige glans. Wat direct opvalt is de gele rand van het halsschild en de dekschilden aan de buitenzijde van het lichaam waaraan de kever zijn naam te danken heeft.
De dekschilden zijn ontstaan uit verdikte en verharde voorvleugels die de dunne, vliezige achtervleugels beschermen. De doorzichtige achtervleugels worden gebruikt om mee te vliegen. Ze zijn bij zwemmende exemplaren niet te zien omdat ze volledig aan het oog worden onttrokken door de voorvleugels. Zie voor het vliegvermogen ook onder levenswijze.In tegenstelling tot de meeste kevers zijn de mannetjes eenvoudig van de vrouwtjes te onderscheiden door deze dekschilden. De dekschilden van de mannetjes zijn glad, maar die van de vrouwtjes zijn sterk in de lengte gegroefd. Het gegroefde oppervlak valt extra op doordat de groeven zelf geelbruin van kleur zijn, maar de verhoogde randen niet. Bij hoge uitzondering komen soms vrouwtjes voor met gladde dekschilden, zij zijn echter van mannetjes te onderscheiden door de vorm van de poten.
Poten De poten van de mannetjes verschillen duidelijk van die van de vrouwtjes, althans het voorste paar (8). Het middelste paar bestaat (9) uit 'normale' poten die vergelijkbaar zijn met die van andere insecten maar ook deze dragen kleine zuignapjes. Het achterste potenpaar (10) is sterk verbreed en draagt aan weerszijden een borstelige beharing. Dit potenpaar dient als roeispanen en zowel de verbrede vorm als de franje-achtige beharing zorgen voor een groter pootoppervlak wat het zwemvermogen bevordert. Het middelste potenpaar dient als anker als de kever zich onder water ergens aan vast wil houden; het uiteinde is voorzien van duidelijke klauwachtige structuren. De functie van het voorste potenpaar is verschillend per sekse, bij de vrouwtjes vervullen de poten ongeveer dezelfde functie als het middelste potenpaar. Bij de mannetjes echter zijn de voorvoeten, de laatste segmenten van de voorpoten, duidelijk schijfvormig afgeplat en aan de onderzijde zijn vele kleine zuignapjes aanwezig. Van deze zuignapjes is er één sterk vergroot en duidelijk zichtbaar, een andere is iets vergroot en ongeveer de helft kleiner en de overige zuignapjes zijn veel kleiner. Ze zijn met het blote oog niet als zodanig te herkennen. Het zijn er in totaal ongeveer 160. Ook aan het middelste potenpaar zijn zuignapjes aanwezig maar deze zijn allen klein en weinig opvallend. De zuignappen spelen een rol bij de paring. Het mannetje kan een vrouwtje zo beter vasthouden. Zie ook onder voortplanting.
Achterlijf thumb|De kever steekt niet zijn kop maar de achterlijfspunt boven water om adem te halen. Het achterlijf is relatief klein en bevat de organen. De geelgerande watertor is een kever die vrijwel permanent onder water leeft. Net als alle andere kevers heeft de soort een ademhalingsstelsel dat afhankelijk is van atmosferische lucht. De kever draagt om onder water te kunnen leven een permanente zuurstofvoorraad in de vorm van een luchtbel onder de vleugels en de buik. De luchtbel wordt deels aangevuld met zuurstof die door diffusie uit het water in de bel wordt opgelost. De kever laat de luchtbel hiertoe iets uitstulpen om het oppervlak te vergroten. De kever moet echter regelmatig ademhalen aan de oppervlakte om verse lucht te verkrijgen. Hierbij wordt de achterlijfspunt net boven het wateroppervlak uitgestoken. De dekschilden worden hierbij iets opgetild, waarbij een kier ontstaat tussen de achterlijfspunt en de dekschilden. Hierdoor wordt eerst de oude luchtvoorraad naar buiten geperst en vervolgens wordt verse lucht opgenomen en duikt de kever weer onder. Bij waterkevers zijn de ademopeningen of stigmata niet aan de zijkanten gepositioneerd, zoals bij de meeste insecten het geval is, maar zijn de stigmata naar het midden verplaatst om efficiënter te kunnen ademhalen.
Het meedragen van een permanente zuurstofbron in de vorm van een luchtbel op het lichaam komt ook voor bij andere, niet verwante waterkevers. Van een aantal kleinere soorten waterroofkevers is bekend dat ze weken tot maanden onder water kunnen verblijven zonder aan het oppervlak adem te halen. Deze kevers vullen hun zuurstofbehoefte aan door de zuurstofrijke luchtbelletjes die door planten worden uitgescheiden, op te nemen in het achterlijf. Een ander ongewerveld dier dat gebruikmaakt van een luchtbel om onder water te blijven is de waterspin.
De door de kevers meegevoerde luchtbel dient niet alleen voor de ademhaling, maar vergroot ook het drijfvermogen. Grotere verwanten van de geelgerande watertor, zoals de brede geelgerande watertor, kunnen zonder luchtbel zelfs het wateroppervlak niet meer bereiken.
Ook de larven van de watertor moeten aan de oppervlakte ademen, omdat ze geen kieuwen hebben zoals andere waterinsecten als libellenlarven. Omdat het slechte zwemmers zijn houden ze zich vaak op in de vegetatie vlak onder het wateroppervlak. De larve heeft geen adembuis zoals veel waterinsecten en moet de achterlijfspunt direct boven het oppervlak steken om te ademen. De twee achterlijfsaanhangsels (cerci) spelen een belangrijke rol bij het in de juiste positie houden van het lichaam tijdens het ademhalen. De larve heeft vaak een witte achterlijfspunt wat veroorzaakt wordt door de zichtbare luchtbel.
Larve thumb|De larve van een geelgerande watertor, hangend aan het wateroppervlak. Larven die uit het ei komen zijn enkele millimeters lang, maar exemplaren die bijna volgroeid zijn kunnen een lengte van zeven centimeter bereiken. De larve is bruin van kleur en wormachtig in het eerste stadium, maar al snel krijgt het lichaam een garnaalachtige, gekromde vorm. De larve is in één oogopslag te herkennen aan de karakteristieke s-vormige lichaamshouding. Hierbij wordt de kop naar beneden gehouden, het achterlijf sterk gekromd en de achterlijfspunt omhoog gestoken. De larve heeft een duidelijk gesegmenteerd achterlijf, waarbij het midden het breedst is en het uiteinde kegelvormig. Aan de achterlijfspunt zijn twee tasterdraden of cerci aanwezig. Met name de achterzijde van het lichaam en de cerci zijn fijn behaard. Ook de poten zijn voorzien van een dergelijke beharing. Deze kleine haartjes worden ook wel setae genoemd. De larve is te herkennen aan de sterk afgeplatte en verbrede kop, met twee duidelijk zichtbare kaken. De kaken of mandibels zijn sikkelachtig van vorm en duidelijk naar elkaar toe gekromd. De kaken zijn tangachtig en aan iedere zijde voorzien van twee draadachtige monddelen.De poten zijn sprieterig en voorzien van een stekelachtige beharing.
De larven zijn gemakkelijk te verwarren met die van andere Dytiscus-soorten. Larven van soorten uit het verwante en veel voorkomende geslacht Cybister zijn echter makkelijk te herkennen. Cybister-larven hebben een dubbel ingesneden voorzijde van de kop (frontoclypeus), waardoor ze drie 'stekels' aan de voorzijde van de kop hebben. Bij de larven van Dytiscus-soorten zoals de geelgerande watertor is de voorzijde van de kop afgerond.
Zie voor het voedsel van de larven onder voedsel en voor de ontwikkeling onder voortplanting.
Onderscheid met andere soorten thumb|300px|Vijf verschillende waterroofkevers: Dytiscus dimidiatus (1 =♂, 2 =♀ Brede geelgerande watertor (3 =♂, 4 =♀ Geelgerande watertor (5 =♂, 6 =♀