thumb|Åsgårdsreien van Peter Nicolai Arbo (1872). Dit olieverfschilderij beeldt de Scandinavische versie van de Wilde Jacht uit. Alle paarden zijn zwart, behalve één wit paard vooraan. Aan het hoofd van de jacht staat een man met een helm, mogelijk Sigurd en twee Walkuren met ontblote borsten. De rest van de jagers lijken mannen te zijn, aangevuld met drie gevangen naakte vrouwen. Twee mannen vooraan dragen huiden over hun hoofd, wat erop wijst dat ze berserkers zijn. Achter de directe voorhoede wordt de jacht geleid door de god Thor, die boven de rest uittorent in zijn strijdwagen getrokken door twee geiten (Tandgniostr en Tandgrisnir) terwijl hij zijn oorlogshamer omhoog houdt en een kroon draagt. De Wilde Jacht (ook wel Wilde Heir of Heer genoemd) is een folkloristisch motief dat voorkomt in diverse Noord-, West- en Oost-Europese samenlevingen en stamt uit de religies van de Germanen, Kelten en Slaven. De oorsprong van dit fenomeen zou liggen in de christelijke degradatie van de oude heidense goden.
Het is een bovennatuurlijk verschijnsel, waarbij een spookachtige jachtgroep (vaak te paard) door de nachtelijke lucht raasde, vergezeld door jachthonden. In sommige versies neemt een vrouw deel aan de jacht, terwijl ze in andere de prooi is. Soms gaat de stoet juist over de grond of is er niets te zien en gaat het alleen om een onverklaarbaar en/of onheilspellend geluidThe Encyclopedia Americana, 1920M. Hermans, Leuven, 1966 en/of muziek.Wilj Jaach De wilde jacht veroorzaakte een sterke wind.
De Wilde Jacht werd gezien als voorbode van naderend onheil, zoals onweer, oorlog, ziekte of de dood voor degene die het aanschouwde. Als het fenomeen in de buurt was geweest, kon men gevechten, moord en zelfmoord verwachten
Andere benamingen thumb|Het humoristische schilderij "Julereia" (1922) van Nils Bergslien toont een chaotische, feestelijke optocht van onderwereldfiguren, spoken, trollen, dronkaards, moordenaars en andere booswichten door een Noorse boerderij op kerstavond. De optocht is een variant op de oskoreia en waarschijnlijk verbonden met de traditie van het vrolijk rondtrekken van de Joelbok van boerderij tot boerderij. thumb|Chasse-galerie, Henri Julien (1852–1908), deze Frans-Canadese betoverde kano doet denken aan de vliegende arrenslee van de Kerstman thumb|Arlequin of harlekijn is de aanvoerder van de Wilde Jacht in Frankrijk De term "Wilde Jacht" werd bedacht op basis van Jacob Grimms Duitse Mythologie (1835). De legende is in veel landen aanwezig, met name in Centraal- en Noord-Europa en in de meeste regio's van Frankrijk, waaronder het westen, zuidwesten, midden en oosten. De legendes, die hun oorsprong vinden in een gemeenschappelijke bron, dragen een grote verscheidenheid aan namen. Deze syncretische verhalen zijn onderhevig geweest aan opeenvolgende reorganisaties en integraties door de dominante religieuze dogma's.
In Nederland komt het verschijnsel onder verschillende benamingen voor. In Drente en Groningen was de ‘vurigen’ of ‘gloeienden’ wagen, met vier of zes honden bespannen. Tussen Nijkerk en Lettelbert reed een ‘ijzeren’ wagen onder vreselijk geraas, gemend door een voerman van ontzettende gedaante. In de Overbetuwe kende men den Helwagen en te Zwartewaal in Zuid-Holland den Oogstwagen. In Brabant kent men de Helsche Jacht of Rebelsche JachtNoord-Brabantsch Sagenboek, 1933Volksverhalen uit Noord Brabant, 1980 Ook komen Helse Jacht, Rebelse Jacht, Jacht van de eeuwige Jödde (een combinatie van twee thema's: de Wilde Jacht en de Wandelende Jood), Knuppeljacht, Jacht van Scholten Joost, de Höllekerjacht, Stuethünekesjacht, Juulkesjacht, Telmsjacht, Jifferkesjacht, Seduumkesjacht en Kiefkesjacht voor. In Belgisch Limburg is het de Tilkesjacht, Tillekesjacht[https://www.verhalenbank.nl/items/show/200659 of Tieltjesjacht, Helsche Jacht, Wilj Jaach, Helsche Wagel, Turkusjacht, Malbroek of Kluppeljacht. In Duitsland werd het fenomeen Wuotanes Her, Die Wilde Jagd, Wilde Fahrt of Das Wilde Heer genoemd. De connectie met Wodan/Odin is ook duidelijk in de Zwabische en Alemannische dialecten: Wüetisheer (met talrijke variaties). Nabij Nordhorn wordt Kifkesjach genoemdhttps://www.verhalenbank.nl/items/show/13634] In Scandinavië spreekt men van Vilda Jakten ('Wilde Jacht'), Odens jakt ("Odins Jacht"), Oensjægeren ('Odins Jagers'), Odens hundar ('Odins Honden'). Het wordt ook wel Julereia, Jolareidi, Jolereia, Joleskreia (van het Joelfeest, in het Samisch joulogadze), Imberkulludn, Oskorei, Oskoreien, Aaskereia, Åsgardsreia, Åsgårdsreia, Aasgaardsreiden, Asgaardsreien , Aaskureien of kortweg Reia genoemd. Er bestaat onenigheid over de etymologie van het woord oskorei. Het eerste element heeft verschillende voorgestelde bronnen: Åsgård en de Asen (de volgelingen van Odin), oska ('donder') of Oudnoors ǫskurligr ('vreselijk'). Alleen het tweede element, rei ('rit') van het Oudnoorse reið is onomstreden, "rej" is ook een oud woord voor tumult, lawaai, ruzie, opschudding, leven en beweging. In het Engelse taalgebied staat het bekend als Wild Hunt, Herlaþing (Oudengels: Herla's vergadering'), Woden's Hunt, Herod's Hunt of Cain's Hunt. In bepaalde delen van Groot-Brittannië wordt de jacht beschreven als die van hellehonden die zondaars of ongedoopten achtervolgen. In Devon staan ze bekend als Yeth (Heath) of Wisht Hounds, in Cornwall als Dando and his Dogs, Devil's Dandy Dogs of de Devil and his Dandy Dogs, in Wales als de Cwn Annwn, de Hounds of Hell, en in Somerset als Gabriel Ratchets of Retchets (honden). In in Noord-Engeland staan ze bekend als Gabriel's Hounds. In Frankrijk kent men Menée Hellequin, Mesnie Hellequin, Chasse Fantastique, Chasse Aérienne of Chasse Sauvage. In Normandië wordt het Chéserquine genoemd. In het Oudfrans was het Maisnie Hellequin (het "huishouden of gevolg van Hellequin"). In Oostenrijk gaat het om Wilde Gjoad. In Zwitserland spreekt men over Wuotis Heer. In de Alpen wordt het ook wel Gratzug genoemd. In het Italiaans wordt het fenomeen Caccia Selvaggia ("Wilde Jacht") of Caccia Morta ("Dode Jacht") of Caccia Infernale ("helse jacht") genoemd. In Spanje wordt deze mythe ten minste sinds de 13e eeuw gedocumenteerd onder de naam hueste antigua ("Oud leger"). In het Galicisch staat het bekend als Estantiga (van Hoste Antiga; "het oude leger"), Compaña en Santa Compaña ("troep, compagnie"). Het is ook bekend als Güestia in Asturië, Hueste de Ánimas ("troep geesten") in León en Hueste de Guerra ("oorlogsbedrijf") of Cortejo de Gente de Muerte ("dodelijk gevolg") in Extremadura. Onder West-Slaven staat het bekend als divoký hon of divonký štvaní (Tsjechisch: "wilde jacht", "aasjacht") of nebeská honba (hemelse jacht), dzëwô/dzëkô jachta (Kasjoebisch: "wilde jacht"), Dziki Gon of Dziki Łów (Pools). Het is ook bekend onder de Sorben en onder de Zuid-Slavische Slovenen als Divja Jaga (Sloveens: "het wilde jachtgezelschap" of "wilde jacht"). Geleerden van Slavische folklore hebben echter opgemerkt dat het een motief van buitenlandse, met name Duitse, oorsprong is. In het Wit-Russisch wordt het Дзiкае Паляванне ("wilde jacht") genoemd. Aangezien Wit-Rusland vroeger deel uitmaakte van Polen, is de aanwezigheid van het motief waarschijnlijk via Polen daar terechtgekomen.
In Canada versmolt de Franse legende met motieven van de inheemse Amerikanen. Daar reizen de jagers in een kano door de lucht: de Chasse-galerie. In Noord-Amerika staat het bekend als Ghost Riders.
De ewiger Jäger ("eeuwige jager") is een lokale variant van de spookachtige wilde jager die kan worden gevonden in de Duitse, Belgische en Amerikaanse folklore. Andere namen voor de eeuwige jager zijn Weltsjäger, Ruprecht, Hans en Riesenjäger (reuzenjager). De eeuwige jager is een Freischütz: een scherpschutter die, door een pact met de duivel, een bepaald aantal kogels heeft verkregen die gegarandeerd elk gewenst object zullen raken. Zoals de legende gewoonlijk wordt verteld, zijn zes van de magische kogels (Duits:Freikugeln) ondergeschikt aan de wil van de schutter, maar de zevende staat volledig ter beschikking van de duivel zelf. De eeuwige jager zou, om de onfeilbare magische kogels te verkrijgen, op kerstavond en Goede Vrijdag in de naam van de duivel in de zon geschoten hebben. Als straf voor zijn heiligschennis is hij gedoemd om eeuwig 's nachts te jagen. Hij is te horen terwijl hij achter zijn honden aan jaagt.
Verklaringen thumb|Wuetend heer, 1569 thumb|De wonderen van de kerstnacht, 1844, Museum van Bretagne, Rennes De oudere natuurmythische interpretatie zag de Wilde Jacht als een product van angsten, omdat mensen bang waren voor de nachtelijke winterstormen en de nauwere verbondenheid met de doden tijdens de donkere midwinterperiode. Odins jacht in de Zweedse provincie Skåne werd toegeschreven aan de geluiden die zeevogels maakten in de donkere winternachten. In een Berner dichtbundel werd de Dürstig Gjäg verklaard door “ooruilen” die 's nachts in grote aantallen uitvliegen om te jagen en te roepen. In Vlaanderen verklaart men het geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die zich naar hun vergaderplaats begeven.Nederlandsche volkskunde, 1977
De germanist Otto Höfler, die onderscheid maakte tussen de Wilde Jacht en het Wilde Leger, week af van deze interpretaties en plaatste de Wilde Jacht in nauwere verbanden met de dodencultus, maar herleidde deze tot oude culten en suggereerde “dat de gemaskerde processies van oude jeugdgroepen de Wilde Jacht vertegenwoordigden”. Hij verklaarde dat de Wilde Jacht voor een groot deel is terug te voeren op de verering van gestorven voorouders door krijgsmannen die zich in krijgersbonden aan Wodan verbonden hadden.Reallexikon der Germanischen Altertumskunde Ook de folkloriste Christine Eike heeft betoogd dat het motief zijn oorsprong zou kunnen hebben in Europese tradities waar jonge, ongehuwde mannen maskers dragen en in processies rondtrekken tijdens de kersttijd.
De Nederlandse germanist en volkskundige Jan de Vries meent dat de Wilde Jacht elementen uit de Noordse mythologie bevat, zoals de Einherjar: gesneuvelde krijgers die door de Walkuren uitverkoren waren om in het Walhalla te verblijven.Jan de Vries - Altgermanische Religionsgeschichte I-II (Berlijn 1956, 1957) De Vries verwijst ook naar de Romeinse schrijver Tacitus, die in zijn De origine et situ Germanorum de Germaanse stam der Harii beschrijft: Tacitus noemt de zwartgeverfde Germaanse krijgers feralis exercitus: het dodenleger.Publius Cornelius Tacitus - Germania I: 43 (Latijnse tekst en Engelse vertaling) Volgens John Lindow, Andy Orchard en Rudolf Simek worden vaak verbanden gelegd tussen de Harii en de Einherjar uit de Noordse mythologie. De feralis exercitus in de Oudgriekse context werd gebruikt om spookachtige processies te beschrijven, vooral van met wit krijt beschilderde Phocische krijgers waarvan men geloofde dat het verschijningen van de doden waren.
De Ynglingasaga zegt dat de krijgers van Odin "zonder maliënkolders liepen en zij gingen tekeer als razende honden en wolven". De angstaanjagende 'berserkers' stortten zich in naakt bovenlijf en met luid kabaal in de strijd, het lichaam geheel zwart geverfd. De berserkers hebben ook nog andere Odinische eigenschappen, zoals het van vorm veranderen in een vogel, een vis of een wild dier (een wolf of een beer). Hilda Ellis-Davidson vermeld een huurlingendienst die door deze Noordse krijgers voor keizer Constantijn werd uitgevoerd. Haar boek vermeldt dat ze een traditie onderhielden waarbij ze gehuld in dierenvellen en maskers de "Gotische Dans" uitvoerden.