Jan Marius Romein (Rotterdam, 30 oktober 1893 – Amsterdam, 16 juli 1962) was een Nederlands historicus en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor deed hij verschillende publicaties over de Nederlandse geschiedenis verschijnen. Hij was ook actief op het terrein van de cultuurgeschiedenis en was redacteur van De Tribune.

Romein werd vooral bekend door zijn 'wet van de remmende voorsprong' en door zijn introductie van de Theoretische Geschiedenis in Nederland in 1946.Jan Romein, Theoretische geschiedenis, rede uitgesproken voor het 19e Nederlandse Filologencongres op 26 april 1946 in de Koepelkerk aan het Leidse Bosje te Amsterdam. Groningen: Wolters, 1946; 24 blz. Herdrukt in: Jan Romein, Tussen vrees en vrijheid, vijftien historische verhandelingen (Amsterdam: Em. Querido, 1950), p. 17–43, en in: Jan Romein, Historische lijnen en patronen. Een keuze uit de essays (Amsterdam: Em. Querido, 1971; met een Woord vooraf van Maarten C. Brands; 2de druk 1976), p. 245–270. Jan Romein, In de hof der historie. Kleine encyclopaedie der theoretische geschiedenis (1e druk, Amsterdam: Em. Querido, 1951; 130 blz., 2e druk 1963; 160 blz.). Zie verder uitgebreid: André C. Otto, Het ruisen van de tijd. Over de Theoretische Geschiedenis van Jan Romein. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 1998. Boekuitgave verschenen bij Stichting beheer IISG, Amsterdam, 1998.

Levensloop Romein kwam uit een doopsgezind milieu en liet zich in 1913, op zijn 20e, in de doopsgezinde kerk aan de Laurensstraat in Rotterdam dopen op zijn persoonlijke, op 14 pagina's in een schoolcahier geschreven belijdenis.Zie p. 167–174 uit: Anton van der Lem: 'De doopsgezinde Jan Romein (1893–1914); Bronnen betreffende zijn religieuze achtergrond en belijdenis', in: S. Voolstra (red.): Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks nummer 19, Amsterdam: Doopsgezinde Historische Kring, 1993, p. 149–174. Vanaf 1914 studeerde hij aanvankelijk theologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij lid werd van het theologisch collegium Quisque Suis Viribus, maar stapte, na getroffen te zijn door het marxisme, in het tweede studiejaar over naar Nederlandse letteren en geschiedenis. Later nam het vak Russische letteren ook een belangrijke plaats in. Van zijn hoogleraren was de historicus Johan Huizinga voor hem de meest inspirerende. Mede onder indruk van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie sloot hij zich aan bij een studentenvereniging voor studie van het socialisme en werkte mee aan het marxistische blad De Tribune. Tijdens zijn studentenjaren leerde hij zijn latere vrouw Annie Verschoor (1895–1978) kennen. Nadat hij cum laude was afgestudeerd traden ze in 1920 in het huwelijk. Ze kregen drie kinderen: twee zonen en een dochter. Na een verblijf van zeven maanden in Denemarken, waar Romeins vriend en studiegenoot Hans Kramers de assistent van de natuurkundige Niels Bohr was geworden, vestigden Jan en Annie Romein zich in 1921 in Amsterdam, waar Jan redacteur werd van het dagblad De Tribune van de kort daarvoor opgerichte Communistische Partij Holland (CPH). Een erfenis stelde hem in staat uit de rente een bescheiden maandinkomen te genereren. Door deze zelfstandigheid kon hij kiezen voor een bestaan als freelance historicus, publicist en vertaler. Al in 1916-1918 verscheen van zijn hand een Nederlandse vertaling van Romain Rollands Jean Christophe (10 delen, met een inleidend essay). Ook vertaalde hij Franz Mehrings biografie van Karl Marx in het Nederlands (1921).Albert F. Mellink, 'Jan Romein (1893–1962)', in: Arend H. Huussen jr., Ernst H. Kossmann, Hans Renner (red.), Historici van de twintigste eeuw (Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, Amsterdam: Uitgeverij Intermediair, 1981), p. 199–215, met name 200–203. André Otto, Het ruisen van de tijd. Over de theoretische geschiedenis van Jan Romein (Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1998), hoofdstuk 1: Biografische schets 1893–1917 (p. 15–49) en hoofdstuk 2: Huizinga: facile princeps (p. 51–101), met name 51–60.

In 1924 promoveerde hij cum laude aan de Rijksuniversiteit te Leiden op de dissertatie Dostojewskij in de westersche kritiek, een hoofdstuk uit de geschiedenis van den literairen roem. Hij onderzocht hierin de Dostojevski-'cultus': de overmatige aandacht die het werk van deze Russische schrijver in het begin van de twintigste eeuw kreeg. Zijn onderzoek, waarvoor hij onder andere met een beurs van de Leidse universiteit een maand in Londen verbleef voor speurwerk in de bibliotheek van het British Museum, richtte zich niet zozeer op de inhoud van Fjodor Dostojevski's werk, maar op de waardering ervan. Hij onderscheidde drie stromingen die de klemtoon op de literaire, stichtelijke of juist de diabolistische kwaliteiten van het werk legden. Er was sprake van een per groep of klasse wisselend beeld van Dostojevski. Volgens Romein kwam het er niet in de eerste plaats op aan wie Dostojevski was, 'maar wat men in hem zag en zien kon'.J. M. Romein, Dostojewskij in de Westersche kritiek. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van den literairen roem (Haarlem: H.D. Tjeenk Willink, 1924), p. 4. Voor aandacht in de jaren 1990 voor deze studie zie: W.C. Weststeijn, 'De Dostojevski-dissertatie van Jan Romein', in: Theoretische Geschiedenis, jrg. 21 (1994), p. 298–309 en André C. Otto, Het ruisen van de tijd. Over de Theoretische Geschiedenis van Jan Romein (Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1998), p. 60–62.

Kort na zijn promotie richtte hij aan huis het Instituut voor Historische Leergangen op, waar cursisten uit het hele land konden worden voorbereid op het examen leraar geschiedenis middelbaar onderwijs (MO-akte). Dit werk deed hij samen met collega-historicus Jef Suys en rond 1930 voegde historicus Jacques Presser zich hierbij. In 1927 verliet Romein de communistische partij, maar hij bleef geïnteresseerd in het marxisme en in de politieke ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en in Azië. Hij vertaalde en redigeerde de Harmsworth's Universal History of the World (1927–1929) in het Nederlands, in samenwerking met andere historici. Dit werk verscheen onder de titel Nieuwe Geïllustreerde Wereldgeschiedenis (1929–1932, 8 delen en een registerdeel). Het bevatte ook drie nieuwe, door hem zelf geschreven, grote hoofdstukken: 'De Opstand van de Nederlanden tegen Spanje in de 16e-17e eeuw', 'Van Tsarenrijk tot Sowjet-Unie', en 'Het Ontwaken van Azië'.Nieuwe Geïllustreerde Wereldgeschiedenis. Nederlandsche bewerking onder leiding van Dr. Jan Romein, door Dr. Jan Romein, Drs. J. Suys, S. van Praag en H.J. Smeding; bandverzorging door J.J. Voskuil (Amsterdam: N.V. Seyffardt's Boek- en Muziekhandel, 1929–1932, 8 delen en een registerdeel). Albert F. Mellink, 'Jan Romein (1893–1962)', in: Arend H. Huussen jr., Ernst H. Kossmann, Hans Renner (red.), Historici van de twintigste eeuw (Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, Amsterdam: Uitgeverij Intermediair, 1981), p. 199–215, met name 203, 212. Bertus W. Schaper, 'Jan Marius Romein (Rotterdam, 30 oktober 1893 – 16 juli 1962)', in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1964 (Leiden: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1964), p. 77–89. André C. Otto, Het ruisen van de tijd. Over de Theoretische Geschiedenis van Jan Romein (Amsterdam: Stichting beheer IISG, 1998), p. 64. In 1936 was hij een van de oprichters van het Comité van Waakzaamheid, dat waarschuwde voor het nationaalsocialisme.

In 1939 werd Romein benoemd tot hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Vanwege zijn communistische verleden was hier het nodige getouwtrek in de gemeentelijke politiek aan voorafgegaan.Bart Hageraats, De stoelendans rond Jan Romein. De perikelen rondom de benoeming van dr. J.M. Romein tot hoogleraar geschiedenis aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam: 1938-1939 (Weesp: Heureka, 1988); Nico A. Donkersloot, 'Met en voor Jan Romein', in: Jan Romein, herdenkingsnummer van De Nieuwe Stem, november-december 1962 (jrg. 17), p. 659–668. Tijdens de Duitse bezettingsjaren deden Jan Romein en zijn vrouw allerlei verzetswerk. Ze waren onder andere betrokken bij de clandestiene pers. Jan Romein was verdacht bij de Duitsers vanwege zijn marxistische overtuigingen en moest ontslag als hoogleraar aanvaarden in 1942. Van 30 januari tot 20 april 1942 werd hij met 84 andere Amsterdamse gijzelaars gevangen gehouden in het beruchte Kamp Amersfoort ("Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort").Kort verslag van het verblijf van 85 Amsterdamsche gijzelaars in het 'Polizeiliches Durchgangslager' Amersfoort 30 Januari – 20 April 1942 (door H. R. Hoetink, J. M. Romein, A. N. J. den Hollander en J.G.G. Borst). Amsterdam: Vereeniging 'De Amsterdamsche Gijzelaars P. D. A. 1942', 1945; 19 blz. Toen hij later merkte dat de Duitsers hem opnieuw zochten, dook hij min of meer onder op landgoed Oud Bussem te Bussum. Tijdens de oorlog hadden Jan en Annie Romein ten minste twee Joodse onderduikers in huis, namelijk Ab Herzberg, de zoon van Abel HerzbergArie Kuiper. Een wijze ging voorbij. Het leven van Abel J. Herzberg. Amsterdam: Querido, 1999, p. 220–223. Annie Romein-Verschoor had over de onderduik van Ab Herzberg bij haar al geschreven in haar herinneringen, die werden uitgegeven onder de titel Omzien in verwondering (2 delen, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1970-1971), deel 2, p. 49–51, 78. en Betty de Leeuw-Polak (later Bausch-Polak). Daarvoor ontving het echtpaar postuum de onderscheiding 'Rechtvaardige onder de Volkeren' van Jad Wasjem.Righteous recognized by June 2011, yadvashem.orgThe Righteous Among The Nations, yadvashem.org. Zie ook: Lies Auerbach-Polak, Betty Bausch-Polak, Nanda van der Zee, Bewogen stilte. Oorlogsherinneringen van twee zussen (Baarn/Kampen: Ten Have, 2004), p. 50–51, 60.

Hoewel Jan Romein al vanaf 1927 geen lid meer was van de communistische partij stond hij na het begin van de Koude Oorlog relatief geïsoleerd in de universitaire wereld in Nederland vanwege zijn marxistische opvattingen, hoewel deze niet dogmatisch waren. In 1949 werd hem de toegang tot de Verenigde Staten geweigerd, waar hij op uitnodiging een lezing zou houden tijdens een, mede op zijn initiatief georganiseerde, internationale wetenschappelijke conferentie in Princeton. Daarentegen kreeg hij een warm welkom als gasthoogleraar in het pas onafhankelijk geworden Indonesië tijdens het academisch jaar 1951-1952. Hij doceerde onder andere aan de Gadjah-Mada universiteit in Jogjakarta. Veel van zijn toehoorders kenden hem van zijn publicaties over het ontwaken van het Aziatisch nationalisme uit de jaren dertig.G. J. Resink, 'In de ban van Romein', in: Jan Romein, herdenkingsnummer van De Nieuwe Stem, november-december 1962 (jrg. 17), p. 679–683. Dat Romein na het begin van de Koude Oorlog, als gevolg van zijn wetenschappelijke opvattingen en politiek-maatschappelijke visies, in de universitaire wereld in Nederland tamelijk geïsoleerd kwam te staan, moet niet overdreven worden. Zo verscheen ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een vriendenbundel, getiteld Weerklank op het werk van Jan Romein. Liber Amicorum, onder redactie van: Prof. Dr H.J. Pos (voorzitter), Dr O. Noordenbos (secretaris), Prof. Dr B. Becker, Prof. Dr J. Presser, Prof. Dr H. Schulte Nordholt. Amsterdam/Antwerpen: Wereldbibliotheek, oktober 1953; 227 blz.) met bijdragen van 23 vakgenoten van verschillende universiteiten, ook uit het buitenland, zelfs uit Zuid-Afrika. Zie ook het herdenkingsnummer Jan Romein van de periodiek De Nieuwe Stem, jaargang 17 (november-december 1962), pp. 613–765, verschenen vier maanden na Romeins overlijden en geheel gewijd aan zijn leven en werk, met bijdragen van 17 wetenschappers, afkomstig uit Nederland, België en de Verenigde Staten.