Flavius Theodosius (Grieks: ), beter bekend als Theodosius (I) de Grote (Grieks: ) (Cauca, Spanje, 11 januari 346 – Milaan, 17 januari 395), was keizer van het oostelijk deel van het Romeinse Rijk van 379 tot 394, en daarna nog drie maanden (tot zijn plotse dood in 395) van het gehele rijk.

De regering van Theodosius wordt geassocieerd met ingrijpende veranderingen voor het Romeinse Rijk. Zo stond hij in 382, daartoe gedwongen door de nasleep van de door zijn voorganger, Valens verloren Slag bij Adrianopel, voor het eerst toe dat een grote groep van Barbaren (de Visigoten) zich als autonoom verband onder hun eigen leiders als foederati binnen het Romeinse Rijk konden vestigen. Verder was het Theodosius die het christendom de facto tot staatsreligie maakte. Hij vaardigde wetten tegen zowel het heidendom als ook tegen christelijke ketterijen uit. Na een burgeroorlog waarin zijn leger de westelijke usurpator Eugenius wist te verslaan was Theodosius gedurende de laatste maanden van zijn leven de laatste keizer die heerste over het gehele Romeinse Rijk. Na zijn dood werd het rijk, naar later bleek definitief, opgedeeld in een Oost-Romeins Rijk (onder zijn oudste zoon Arcadius) en een West-Romeins Rijk (onder zijn jongste zoon Honorius). Deze splitsing werd door zijn tijdgenoten overigens niet als zodanig ervaren en staatsrechtelijk bleef het Imperium Romanum dan ook als eenheid voortbestaan.

Vroege jaren Flavius Theodosius werd op 11 januari 347 in Cauca, het huidige Coca geboren, een kleine stad in het noordwesten van de Spaanse provincie Gallaecia. Zijn vader, die eveneens Flavius Theodosius heette, was tot aan zijn val onder keizer Valentinianus I een succesvol militair met grote bezittingen in deze streek. Zijn grootouders van vaderszijde waren Honorius en Thermantia. Net als zijn vader en hij zelf waren zij waarschijnlijk al Niceense (dat wil zeggen katholieke) christenen.Sozomenus, Historia Ecclesiastica VII 4. Theodosius had een broer Honorius, wiens dochter Serena hij later adopteerde en die door haar huwelijk met de magister militum Stilicho nog grote invloed zou uitoefenen.

De jonge Theodosius bracht zijn kinderjaren in zijn geboorteland Hispania door. Over zijn opleiding is weinig bekend, behalve dat hij interesse in historische studies toonde en ook anderszins open stond voor nieuwe ideeën. Waarschijnlijk heeft hij een opleiding gekregen die paste bij zijn hoge afkomst. Vanaf 368 is hij in het kielzog van zijn vader te vinden. In 368/369 nam hij deel aan de campagne in Britannia, in 370 aan de campagne tegen de Alamanni aan de Rijn (zijn vader bekleedde op dit moment de rang van magister equitum praesentalis, hij was dus de commandant van de cavalerie van het keizerlijk leger) en in 374/375 aan de campagne tegen de Quaden en de Sarmaten in het Donaugebied.

Zeer waarschijnlijk onder invloed van zijn vader werd Theodosius tot dux Moesiae superioris (later: Moesiae primae) bevorderd. Hierdoor kreeg hij het directe bevel over een eigen militaire provincie in de Balkan. Een dergelijke manier om een functie te verkrijgen was destijds volstrekt gewoon en de jongere Theodosius leek bovendien zeker tegen zijn taken opgewassen. In het jaar 373 werd zijn vader naar Africa overgeplaatst om daar de opstand van de usurpator Firmus neer te slaan. Intussen versloeg zijn zoon in 375 de Quaden en Sarmaten, die de Donau waren overgestoken, in Pannonia (ongeveer het huidige Hongarije). Theodosius bewees zich zo als militair bevelhebber. Hij werd als dusdanig hoog ingeschat.

In 376 beëindigde Theodosius plotseling zijn militaire carrière. Hij trok zich in Hispania op zijn landgoederen terug. De reden voor dit terugtrekken uit het publieke leven was de dood van zijn vader, die in samenhang met de opstand van Firmus en het daaropvolgende onderzoek naar de hooggeachte Africaanse gouverneur Romanus (waarschijnlijk ten onrechte) van hoogverraad werd beschuldigd en vervolgens ter dood werd veroordeeld. De jongere Theodosius trad later dat jaar in het huwelijk met Aelia Flaccilla, een vrouw uit de Spaanse provinciale adel. In 377 kwam zijn oudste zoon, Arcadius, ter wereld. Verder wijdde hij zich aan het beheer van zijn landgoederen. Zoals de zaken er voor stonden, hoefde Theodosius er eigenlijk niet meer op te rekenen om ooit nog actief te kunnen worden in het Romeinse leger. De situatie veranderde echter op dramatische wijze toen op 9 augustus 378 de slag bij Adrianopel op een catastrofale Romeinse nederlaag uitliep.

Familie Met zijn eerste vrouw, de waarschijnlijk Hispaans-Romeinse Augusta Aelia Flaccilla kreeg hij twee zonen, Arcadius en Honorius en een dochter, Aelia Pulcheria; Arcadius was zijn erfgenaam in het Oosten en Honorius in het Westen. Zowel Aelia Flacilla als Pulcheria stierven in 385.

Zijn tweede vrouw was Galla, dochter van keizer Valentinianus I en diens tweede vrouw Justina. In tegenstelling tot zijn eerste vrouw werd Galla niet verheven tot Augusta. Theodosius en Galla kregen in 388 een zoon die Gratianus werd genoemd. Deze stierf echter op jonge leeftijd. Hun dochter Aelia Galla Placidia (392-450) bereikte wel de volwassenheid. Zij leidde een avontuurlijk leven en werd later nog keizerin.

Oost-Romeinse keizerschap Slag bij Adrianopolis In de slag bij Adrianopolis, in de buurt van het huidige Edirne, kwam de Augustus van het Oosten, Valens, in de strijd tegen de Goten om het leven. De Goten waren, om de Hunnen te ontlopen, onder leiding van Fritigern in 376 over de Donau gevlucht. Zij hadden om toestemming gevraagd om zich in het oostelijk deel van het rijk te vestigen, waar zij echter al snel tegen de Romeinen in opstand kwamen vanwege de slechte verzorging door de Romeinen. Samen met de Goten vochten in Adrianopel nog twee andere volkeren in een zogenaamde drievolkerenconfederatie. Het waren de Alanen, die door de Hunnen uit hun oude woongebied ten noorden van de Kaukasus waren verdreven, en de gotische Greutungen, die zich, omdat ook zij niet tegen de Hunnen waren opgewassen, uit hun woongebieden ten oosten van de Dnjepr hadden moeten terugtrekken.

Twee derde van het keizerlijke mobiele leger, de sterkste legereenheden uit het Oost-Romeinse Rijk, was in één middag, samen met Valens ten onder gegaan. De Goten konden, als zij zouden willen, de gehele Balkan vrijwel ongehinderd plunderen, ook toen het Valens' weduwe Albia Domnica blijkbaar gelukte, met de hulp van een allerijl in Adrianopolis gelichte burgermilitie een oprukken van de vijand naar Constantinopel te voorkomen.

Theodosius uitgeroepen tot keizer van het Oost-Romeinse Rijk Na deze catastrofe riep de westerse keizer Gratianus, die zichzelf niet in staat achtte om zich in allerijl naar het Oosten te begeven, Theodosius terug uit Spanje. De redenen voor deze beslissing zijn in het wetenschappelijk onderzoek controversieel. Het waarschijnlijkst lijkt echter dat Gratianus dringend behoefte had aan een bekwaam generaal van Romeinse afstamming; zijn medekeizer Valentinianus II was nog maar een kind. In Sirmium benoemde Gratianus Theodosius in eerste instantie als magister militum van de Prefectuur Illyricum. Theodosius boekte al snel een aantal successen, zoals in Pannonia, waar hij einde 378 de Sarmaten, die opnieuw de Donau waren overgestoken, wist te verslaan.

Volgens sommige geleerden liet Theodosius zich nu zelf tot keizer uitroepen en was hij nu formeel een usurpator. Het exacte verloop in die weken is echter nauwelijks te reconstrueren.Vergelijk in verband met dit probleem , Was Theodosius I a usurper?, in Klio 78 (1996), blz. 198 e.v. Zeker is dat Gratianus op 19 januari 379 Theodosius tot Augustus verhief. Zelf bleef hij als senior Augustus formeel hoger in rang. Ook aan Valentinianus II bleef de nieuwe keizer de jure ondergeschikt, omdat Valentinianus II, hoewel nog slechts een kind, de oudste rechten had.

Wat later kreeg Theodosius van Gratianus de pretoriaanse prefectuur van het Oosten erbij, met inbegrip van de diocesen Dacia en Macedonië. Daarmee kreeg Theodosius de beschikking over ongeveer hetzelfde gebied waarover Valens had geregeerd en dat na de opdeling van het Rijk in 395 bij het Oost-Romeinse Rijk zou worden gevoegd.Over de ontwikkelingen na Adrianopel en de verheffing to keizer van Theodosius vgl. , Theodosius de Große, Darmstadt, 2003, blz. 35 e.v.

Onderwerping van de Goten Hij bracht de Goten pas in 382 tot onderwerping. Het verdrag dat daarop gesloten werd, wees hun vaste woonplaatsen toe ten zuiden van de Donau en een gedeelte van hen werd bij zijn leger ingelijfd.

Met veel energie ging Theodosius in de eerste periode van zijn keizerschap aan de slag om zijn keizerrijk veilig te stellen. De Gotische bedreiging van Adrianopel en Constantinopel moest gestopt worden. Hij vestigde zich om strategische redenen in Thessaloniki om de Gotische oorlog verder te voeren. Van hieruit hervormde hij (de resten van) zijn leger en eiste boeren op. Als gevolg van deze reorganisatie nam het percentage barbaren in het leger toe, zoals de Gotische generaals Alarik en Modares. Niettemin bleef het grootste deel van de staf van Theodosius' leger Romeins. Theodosius voerde in 380 op de Balkan een campagne tegen de Goten onder Fritigern; de overwinning was beperkt maar psychologisch belangrijk na het zware debacle van Adrianopel. In de loop van hetzelfde jaar leden de Romeinen evenwel de nederlaag.

Dit dwong Theodosius om hulp aan Gratianus te vragen. Deze gaf hem de beschikking over twee van zijn meest ervaren generaals, Bauto en Arbogast. In ruil kreeg Gratianus in 380 de diocesis van Dacië en Macedonië terug. Later dat jaar werd Theodosius zo zwaar ziek, dat hij de tijd rijp vond zich te laten dopen. Het was in die tijd nog geen gewoonte dat men reeds als baby werd gedoopt. Nadeel was wel dat men na de doop verantwoordelijk werd gehouden voor de na de doop begane zonden. Ook stond Theodosius nu bloot aan de kerkelijke discipline. Hier zou hij ook daadwerkelijk mee te maken krijgen, zoals in het conflict met de invloedrijke bisschop van Milaan Ambrosius (zie de religieuze politiek van Theodosius).

Op 3 oktober 382 sloot de legeraanvoerder Flavius Saturninus klaarblijkelijk in opdracht van de keizer een verdrag met de Goten, waarin werd overeengekomen dat de Goten zogenaamde foederati van de Romeinen zouden worden. Zij mochten zich nu ten zuiden van de benedenloop van de Donau vestigen, maar moesten als tegenprestatie militaire steun aan het Romeinse Rijk bieden. Dit Gotenvertrag markeert volgens de meeste historici een keerpunt in de Romeinse geschiedenis. Enkele andere wetenschappers wijzen echter op het grote gebrek aan eigentijdse bronnen. Nadere details worden pas door Jordanes, bijna 200 jaar na de gebeurtenissen, vermeld. Zij stellen de vermeende eigenaardigheid van de betrokken overeenkomsten in twijfel en vragen zich zelfs af op er überhaupt een overeenkomst is getekend (bijvoorbeeld Guy Halsall).Zie daarvoor als laatste: , Barbarian Migrations and the Roman West, Cambridge, 2007, blz. 180 e.v.

Volgens de traditionele opvatting was het bijzondere belang van het Gotenvertrag het volgende: tot dan toe waren verslagen Germanen weliswaar als dediticii (lijfeigenen) opgenomen in het Romeinse Rijk, maar zij hadden echter geen collectieve rechten (met uitzondering van hun persoonlijke vrijheid). Het foedus van 382 zorgde er echter voor dat de Goten collectief autonoom bleven. Zij werden weliswaar rijksonderdanen en mochten ook geen huwelijken met Romeinse burgers sluiten. Het door hen bewoonde land bleef ook gewoon Romeinse grondgebied. In ruil daarvoor moesten de Goten in tijden van oorlog in het Romeinse leger dienen, maar wel onder hun eigen leiders. Ook kregen zij soldij betaald; het hoogste commando werd echter weer door Romeinse officieren uitgeoefend.