thumb|300px|Overzichtskaart van het oude Nabije Oosten ten tijde van de late bronstijd Het oude Nabije Oosten is het gebied met Mesopotamië, de Levant, Anatolië en Elam waar de eerste van de meerdere beschavingen zijn ontstaan. Soms worden ook het oude Egypte en Arabië hiertoe gerekend. Niet alleen geografisch zijn de grenzen vaag, ook chronologisch is dit het geval. De periode voorafgaand aan het oude Nabije Oosten was het neolithisch Nabije Oosten. Het ontstaan van het schrift markeert hier de overgang van prehistorie naar oudheid, al is dat een arbitraire grens en wordt deze periode soms ook wel betrokken bij het oude Nabije Oosten. Voor het einde van deze periode geldt ook een arbitraire grens. Soms wordt hiervoor 539 v.Chr. gekozen, het einde van de Nieuw-Babylonische dynastie, de laatste Babylonische dynastie van lokale afkomst. Ook de verovering van het Perzische rijk in 331 v.Chr. door Alexander de Grote wordt wel als eindpunt gekozen, zoals ook in dit artikel. Deze periode werd gevolgd door de hellenistische periode.
Binnen deze geschiedenis kan een onderscheid gemaakt worden tussen periodes van eerst stadstaten, vanaf de late bronstijd territoriale staten en vanaf het begin van het eerste millennium v.Chr. rijken. Bij de eerste beschavingen kon een enkele stadstaat domineren, maar de onderworpen steden hielden veelal hun eigen gebruiken en instellingen. Dat veranderde met de komst van de territoriale staten waarbij centralisatie sterk toenam en overal de gebruiken en instellingen van de overheerser werden ingevoerd. Met de komst van rijken werden meerdere staten binnen een systeem gebracht en werd een groot deel van het Nabije Oosten bestuurd door een enkele dynastie. Dit was echter geen unilineaire evolutie en periodes van grotere fragmentatie volgden dan ook regelmatig op periodes van centralisatie. Daarnaast sluit het bestaan van een groot rijk het bestaan van stadstaten en territoriale staten niet uit.
Inleiding Geografie thumb|Reliëfkaart van het Nabije Oosten thumb|Klimaten van het Nabije Oosten Bij het Nabije Oosten komen drie werelddelen bij elkaar, Europa, Azië en Afrika. Dit heeft het een unieke positie gegeven met betrekking tot menselijke migraties, wat ertoe bijdroeg dat het de bakermat werd van veel nieuwe ontwikkelingen als landbouw tijdens de neolithische revolutie, dorpen en steden tijdens de stedelijke revolutie, gevolgd door rijken.
Het Nabije Oosten ligt voor een groot deel op de Arabische Plaat die omringd wordt door een aantal andere tektonische platen die een grote invloed hebben op het landschap. Aanvankelijk was de plaat één geheel met de Afrikaanse Plaat, maar daarna begonnen de twee platen langzaam uit elkaar te bewegen, waarbij in het westen de Rode Zee ontstaan is. In het noorden komt de plaat in botsing met de Iraanse Plaat of de Euraziatische Plaat en de Anatolische Plaat, waardoor het Zagrosgebergte is ontstaan. De depressie voor dit gebergte vormt het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris.
De gebergtes zorgen voor een grote tegenstelling van neerslag. Orografische effecten brengen stuwingsneerslag aan de loefzijde van de bergen en regenschaduw aan de lijzijde. De isohyeten, lijnen van gelijke neerslag, volgen de gebergtes dan ook in grote mate en daarmee ook de randzones die veelal gekenmerkt worden door een grote biodiversiteit. Met de rivieren maakt deze neerslag de Vruchtbare Sikkel mogelijk. Ten zuiden van dit gebied bevinden zich juist de Syrische en Arabische Woestijn.
Dit alles heeft een groot effect gehad op de bevolkingsgeschiedenis en ook de politieke geschiedenis. Het Zagrosgebergte maakte het zelfs voor grote rijken lastig om een militaire expansie te bereiken richting Anatolië en Iran. Richting Egypte was de doorgang ook beperkt. De Syrische Woestijn noodzaakte grotere groepen via de Levant te reizen, waar de doorgang beperkt werd tot de kustlijn en de Bekavallei tussen het Libanon- en het Anti-Libanongebergte.
Culturen Zeker bij het ontbreken van een schrift is het niet, of zeer moeizaam vast te stellen welke etniciteit bewoners hadden en of er in een gebied meerdere volken aanwezig waren. Aan de hand van archeologische vondsten kan in bepaalde gevallen wel een archeologische cultuur worden vastgesteld, die dan nog gedeeld kan worden door meerdere volken. In het Nabije Oosten is keramiek en dan vooral aardewerk zeer waardevol bij archeologisch onderzoek. Het is veelal in grote hoeveelheden aanwezig en verweert nauwelijks. Daarnaast veranderden zowel de stijl als de technologie relatief snel, wat datering vereenvoudigt. Om deze reden zijn de nodige culturen genoemd naar het type aardewerk waarmee ze verbonden zijn, waarbij het aardewerk veelal weer is vernoemd naar de typesite.
Chronologie
Zoals vaker het geval is in de oudheid, is het niet altijd goed mogelijk om een exact jaartal te geven voor gebeurtenissen, heersers en dynastieën. Dit is deels omdat bronnen en archeologisch materiaal niet altijd beschikbaar zijn en deels omdat ook deze niet altijd een eenduidig antwoord geven. Wat betreft de chronologie van het Nabije Oosten geldt dat aan de hand van koningslijsten een relatieve chronologie is vastgesteld die vrij algemeen geaccepteerd wordt. De absolute chronologie is echter problematisch doordat er geen duidelijk jaartal is waaraan de relatieve chronologie geijkt kan worden. Dit speelt nog niet zozeer in het grootste deel van het eerste millennium v.Chr., maar in het vroege deel van dat millennium en in toenemende mate in het tweede en derde millennium v.Chr. wordt dit steeds moeizamer. Zo zijn vier alternatieven ontstaan voor de absolute chronologie:
lange chronologie middenchronologie korte chronologie ultrakorte chronologie
Welke chronologie de juiste is, blijft onderdeel van discussie. Het ontbreken van zekerheid maakt dat de middenchronologie veelgebruikt blijft, wat hier dan ook zoveel mogelijk gevolgd zal worden.
Maximalisme en minimalisme Bij het beschrijven van geschiedenis zijn historici en archeologen aangewezen op twee soorten bronnen, geschreven teksten en archeologische vondsten. Deze komen niet altijd naast elkaar voor en als zij dat wel doen, dan komen ze niet altijd overeen, iets wat veelvuldig het geval is. Dat brengt de vraag met zich mee hoe daarmee om te gaan. De twee uitersten hierbij zijn minimalistische en maximalistische geschiedschrijving. In het eerste geval worden alle overgeleverde teksten als slechts literatuur beschouwd, tenzij er archeologische bevestiging is. In het tweede geval worden teksten als betrouwbare basis voor geschiedschrijving beschouwd, tenzij archeologisch het tegendeel is bewezen.
Tussen deze twee uiterste methodieken is veel ruimte voor interpretatie en dit resulteert dan ook in veel academische debatten. Vooral als naast de academische overwegingen ook religieuze of politieke achtergronden een rol spelen, kan dit felle discussies tot gevolg hebben. Zo kent Bijbelse archeologie de nodige polemieken.
Voorgeschiedenis thumb|Aardewerk van de Halafcultuur
In het Nabije Oosten, een met een gunstig klimaat gezegend gebied tussen de Middellandse Zee, de Perzische Golf en de Arabische woestijn, had de neolithische revolutie plaatsgevonden, waarna men zich in toenemende mate in permanente nederzettingen begon te vestigen. Gedurende deze periode ontwikkelde men ook aardewerk, dat door zijn duurzaamheid, veelvuldig voorkomen en stijlveranderingen zeer bruikbaar is om archeologische culturen te bepalen, zoals de Hassuna-, Samarra- en Halafcultuur. Ten tijde van de Obeidcultuur werd ook de ontginning van het zuiden van Mesopotamië ingezet.
Deze nederzettingen waren de eerste aanzet tot de stedelijke revolutie die uitmondde in de Urukperiode. Hier ontwikkelde zich de eerste beschaving, met schrift en steeds sterker wordende sociale stratificatie. Daarmee brak het oude Nabije Oosten aan, al was dit geen unilineaire vorm van culturele evolutie. Zo verdween na de Urukperiode in het noorden de invloed uit Babylonië en daarmee zaken als het schrift. In het zuiden had de Urukperiode een blijvende invloed, wat terug is te zien in de Vroeg-dynastieke Periode van Soemer en Elam.
Soemer
Waar eerder slechts culturen zijn te herkennen, bracht de ontwikkeling van het schrift de mogelijkheid voor een volk om zijn etniciteit uit te drukken. De eerste groep die hiertoe in staat was, waren de Soemeriërs. Het is onbekend wat hun oorsprong was, het Soemerische probleem. Mogelijk zijn het nomadische groepen geweest die al aanwezig waren en zich begonnen te vestigen, of migreerden zij van elders. Voor dat laatste zijn geen aanwijzingen te halen uit hun taal, aangezien het Soemerisch een geïsoleerde taal lijkt te zijn geweest.
Door een gebrek aan neerslag was permanente of droge landbouw niet mogelijk en waren zij aangewezen op irrigatielandbouw, wat tijdens de Obeidcultuur tot ontwikkeling kwam. De Soemeriërs cultiveerden hun land door een wijdvertakt kanalensysteem.
Urukperiode (4000 - 3100 v.Chr.)
Aan het begin van het vierde millennium v.Chr. nam het aantal nederzettingen en hun grootte in het gehele Nabije Oosten aanmerkelijk toe. De grootste concentratie werd echter gevonden in Uruk, dat veelal wordt beschouwd als de oudste echte stad. Tijdens de vroege Urukperiode besloeg het gebied zo'n 70 hectare, om halverwege het vierde millennium uit te groeien tot zo'n 250 hectare. Hiermee werd het het eerste voorbeeld van de stedelijke revolutie.
Voor irrigatielandbouw was een grote mate van collectieve sociale organisatie vereist, wat een gecentraliseerd gezag met hiërarchische maatschappelijke verhoudingen in de hand werkte. In Uruk was dit gezag gebaseerd op religie, waarbij de Eannatempel, het heiligdom van de godin Inanna, als middelpunt diende in de redistributie-economie.
De stad dreef handel met verre streken, waarbij het verschillende koloniën stichtte. Daardoor werd bureaucratie erg belangrijk en daarmee ook het schrift. In Uruk IVa is het eerste protoschrift gevonden. Waarschijnlijk is het protospijkerschrift ontstaan rond 3300 v.Chr. en diende het aanvankelijk vooral een economische rol. De combinatie van een stedelijke ontwikkeling met schrift maakte het de eerste beschaving. Het grote netwerk bracht de culturele invloed in heel Mesopotamië, zodat dit de Urukperiode wordt genoemd. Gaandeweg ontwikkelde zich uit het protospijkerschrift het spijkerschrift en diende het niet slechts een economische rol. Steeds meer kwamen er lexicale lijsten bestaande uit benamingen voor beroepen, dieren, planten en objecten hielpen om schrijvers bekend te maken met de tekens.
thumb|Links zijn de opmerkelijk eenvoudige kommen te zien uit de Urukperiode, de beveled-rim bowls Opmerkelijk is het verschil in aardewerk met de voorgaande culturen. Waar het aardewerk van eerdere culturen mooi vormgegeven en beschilderd waren, zijn van deze periode veel onbewerkte eenvoudige schalen en potten teruggevonden. Dit lijkt een antwoord op de toegenomen bevolking, waarop massaproductie het antwoord was. Dit werd mogelijk met de uitvinding van het pottenbakkerswiel. De zogenaamde beveled-rim bowls worden overal in de invloedssfeer van Uruk aangetroffen. Er is nog onenigheid over waar dit typische en erg eenvoudige aardewerk voor gebruikt werd. Er werd echter ook aardewerk van betere kwaliteit vervaardigd; er waren ware kunstwerken bij, zoals de Vaas van Uruk, een vaas van albast die nu in het museum voor oudheden van Bagdad staat.
Aan het einde van de Urukperiode verdwenen de contacten tussen Uruk en de gebieden buiten Babylonië. Lokale culturen namen het daarbij over, waarbij het schrift verdween. Een uitzondering hierop was Susiana waar geen fragmentatie optrad, maar een proto-Elamitische staat ontstond met een proto-Elamitisch schrift, gebaseerd op dat van Uruk.