thumb|250px|De Nederlandse en Engelse handelsposten te Ambon (boven) en Banda (onder). Gravure uit 1655. De Ambonse Moord (Amboyna Massacre) was de onthoofding in 1623 van tien EngelsenGabriel Towerson, agent van de EIC op Ambon; Samuel Colson, factor te Hitto; Emanuel Thompson, assistent op Ambon; Tymothy Johnson, assistent op Ambon; John Wetherall, factor te Cambello; John Clarke, assistent te Hitto; William Griggs, factor te Larica; John Fardo, hoofd huishouding Engelse factorij te Ambon; Abel Price, chirurgijn; en Robert Browne, kleermaker; State Papers, No. 499I in dienst van de East India Company (EIC), negen Japanse huurlingenHiheso, Tsiosa, Suisa, allen van Firando; Stanley Migiel, Pedro Congie, Thome Corea, allen uit Nangasacque; Quiondayo, geboren te Coraets;Isabinda van Tsoucketgo; Zanchoe van Fisien; alle namen en geboorteplaatsen als weergegeven in State Papers, No. 499I en een PortugeesAugustine Perez; State Papers, No. 499I in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Dit gebeurde na een proces dat met foltering gepaard ging voor een improvisorische rechtbank samengesteld door gouverneur Herman van Speult van de VOC op het eiland Ambon.

Deze executie werd door de Engelsen als een gerechtelijke moord gezien en belastte de diplomatieke relaties tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland in de volgende decennia in ernstige mate. Het feit dat het incident niet op een voor Engeland acceptabele wijze werd afgehandeld, vormde een van de voorwendselen voor de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog.

Achtergrond In 1605 veroverde Steven van der Hagen het Portugese fort Victoria op Ambon zonder slag of stoot.Knaap, G. (2004) Kruidnagelen en Christenen, de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de bevolking van Ambon 1656-1696, p. 21 Dit gebeurde in het kader van de wereldwijd gevoerde Tachtigjarige Oorlog tegen de Spaanse kroon (waar, sinds de personele unie met dat land in 1580, ook Portugal aan onderworpen was).Weliswaar ging in 1609 het Twaalfjarig Bestand in, dat ook op de Portugese bezittingen in Azië betrekking had, maar het bericht daarover zal Indië pas later bereikt hebben Het latere Nederlands-Indië was op dat moment nog geen Nederlandse kolonie, maar een verzameling eilanden zonder staatsverband, waar lokale vorsten de dienst uitmaakten. Ook de Portugezen hadden deze vorsten in het algemeen niet onderworpen, maar hadden op tal van plaatsen handelsforten gebouwd, van waaruit zij met de bevolking handel dreven. De Nederlanders, maar ook andere Europeanen, zoals de Engelsen, namen deze handelspolitiek over. Zij probeerden dan lokale monopsonies in de specerijenhandel te vestigen door concurrerende Europese handelaren desnoods gewapenderhand te weren (hoewel op andere plaatsen vertegenwoordigers van diverse compagnieën min of meer vreedzaam naast elkaar leefden). Uiteraard gaf dit aanleiding tot heftige conflicten tussen de concurrerende compagnieën, waarbij dan weer de nationale overheden betrokken raakten.Het bekendst is de gewapende botsing met de expeditie van Sir Thomas Dale in 1619, waarbij de Nederlanders, ook door Javaanse toepen in het nauw gebracht, tijdelijk genoodzaakt werden Java te ontruimen en bijna hun steunpunt Batavia verloren; Jourdain, pp. lxix-lxxi

Aangezien de conflicten tussen de Engelse en Nederlandse compagnieën de goede relaties tussen de Staten-Generaal en de Engelse koning Jacobus I dreigden te vergiftigen, sloten de twee compagnieën in 1619 te Londen het Traktaat van Defensie onder auspiciën van de twee overheden. Willem Boreel kreeg gedaan dat de twee compagnieën voortaan in Oost-Azië zouden samenwerken.Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW). Gearchiveerd op 25 mei 2011. Te Batavia werd een gezamenlijk bestuur gevestigd, Raad van Defensie genaamd, waaraan de kooplieden van beide maatschappijen onderworpen zouden zijn. Voortaan werden de compagnieën geacht hun handelsposten vreedzaam te delen, al werd wel aangegeven dat ieder zijn bestaande posten zou behouden en blijven besturen.Meinsma, pp.53-54

Gezien het feit dat door de grote afstanden de compagnieën niet op de overheid konden terugvallen voor defensie en justitie, hadden zij beide soevereine bevoegdheden ontvangen in hun octrooien. Dat impliceerde onder meer dat de werknemers van de compagnieën (Europees, zowel als inlands) aan rechtbanken onderworpen waren, die volgens het eigen nationale recht rechtspraken.Meinsma, p. 41, v.w.b. de VOC Onduidelijk was echter of de Europese werknemers van de andere maatschappij ook onderworpen zouden zijn aan het recht en de rechtbank van de maatschappij, die in een bepaalde post het bewind voerde. De Nederlanders meenden van wel; de Engelsen daarentegen, meenden dat in zo'n geval alleen de Raad van Defensie te Batavia bevoegd zou zijn. Dit verschil van opvatting ging in het geschil over het incident, waar het hier om gaat, een belangrijke rol spelen.

Het incident Hoewel de twee compagnieën dus geacht werden voortaan collegiaal samen te werken, bleven de conflicten onverminderd voortduren, waarbij beide partijen zich aan inbreuken op de afspraken schuldig maakten.State Papers, passim Daarbij kwam het ook tot enkele gewapende conflicten, die het onderlinge vertrouwen niet bevorderden. Gouverneur Van Speult, die in 1623 het bewind voerde over het fort Victoria, bezag de Engelsen onder Gabriel Towerson in zijn handelspost dan ook met groot wantrouwen, temeer daar hij ernstige problemen met onder meer de Sultan van Ternate kreeg, waarvan hij vermoedde dat ze door de Engelsen waren aangestookt.State Papers, No. 537I De bemanning van het fort bestond voor een deel uit Japanse huurlingen in dienst van de VOC die kort tevoren relaties met Japan had aangeknoopt.zie Jacques Mahu, De Liefde (galjoen) Een dezer huurlingen gedroeg zich op een dag in februari 1623Bij de vermelde data speelt het verschil in gehanteerde kalenders een mogelijk verwarrende rol. In Engeland werd in de betrokken periode nog de juliaanse kalender gebruikt, terwijl elders ook door Engelsen als ze zich in het buitenland bevonden de gregoriaanse kalender werd gehanteerd. Het verschil bedraagt in de 17e eeuw tien dagen. Bovendien begon in het Engelse systeem het nieuwe jaar pas op Maria Boodschap. Daardoor kan bijvoorbeeld 19 februari 1623 in het Engelse systeem ook worden weergegeven als 9 februari 1622. Hier worden data volgens de gregoriaanse kalender gebruikt op verdachte wijze. Hij werd daarom gearresteerd en aan een verhoor onderworpen.

Over wat er vervolgens gebeurde, lopen de versies wijd uiteen.State Papers, Nos. 499I, 537I De hoofdlijnen zijn echter dat tijdens het verhoor de Japanse soldaat bekende dat er een samenzwering bestond om het fort gewapenderhand over te nemen, de gouverneur te doden en de Nederlandse bezetting gevangen te nemen. Bij deze samenzwering zouden ook Engelsen betrokken zijn naast nog enige andere Japanse soldaten. De gouverneur liet vervolgens alle Engelse kooplieden, ook van nabijgelegen eilanden, arresteren en verhoren. Dit gebeurde door de fiscaal van het fort, die als een soort officier van justitie beschouwd kan worden. Bij deze verhoren werd in enige gevallen (niet alle) foltering toegepast. Een van de methoden die daarbij in ieder geval werden gebruikt was een vorm van waterboarding. Onder invloed van deze folteringen bekende een aantal Engelsen en Japanners aan de samenzwering te hebben deelgenomen. Anderen zouden volgens de VOC-versie zonder foltering bekend hebben. Weer andere Engelsen (afkomstig van de nabijgelegen eilanden) konden een alibi aantonen en werden verder ongemoeid gelaten.Het ging om de Britten Powle, Ladbrooke, Ramsey en Sadler; State Papers, nr. 499I thumb|Engelse gevangenen die worden gewatermarteld en opgesloten zitten in kerkers. Zoals gebruikelijk in VOC-vestigingen fungeerde de Raad (bestaande uit de leidinggevende functionarissen van de VOC ter plaatse), behalve als adviesorgaan van de gouverneur, in voorkomende gevallen ook als rechtbank. De verdachten, die, al dan niet onder foltering, bekend hadden, werden vervolgens door deze Raad ter dood veroordeeld. (Een viertal Engelsen, alsmede een tweetal Japanners, werd echter begenadigdCollins en Beaumont, later ook Webber en Sherrocke; Soysimo en Sacoute, beide van Firando; Papers, Nr. 499I). De Engelsen die niet bekend hadden werden vrijgesproken. Het vonnis werd op 9 maart 1623 in het openbaar door onthoofding voltrokken. De begenadigde en vrijgesproken Engelsen vertrokken vervolgens naar Batavia, waar zij bij hun superieuren en de Raad van Defensie hun beklag deden.

Nasleep Aangezien het Engelse protest (mede gezien de inmiddels door Van Speult naar Batavia opgezonden processtukken) door gouverneur-generaal Pieter de CarpentierDe Engelsen probeerden zijn voorganger Jan Pieterszoon Coen voor het incident verantwoordelijk te stellen. Die had echter juist in februari 1623 zijn functie aan De Carpentier overgedragen van de VOC van de hand werd gewezen, vertrokken de hierna als Engelse getuigen aan te duiden overlevenden naar Engeland, vergezeld van de Engelse factor te Batavia. Hun relaas wekte in Engeland grote verontwaardiging. De directie van de EIC verzocht onmiddellijk de Engelse regering bij de Staten-Generaal diplomatieke stappen te ondernemen om tot bestraffing van de rechters en schadevergoeding aan de nabestaanden te komen. Aanvankelijk (aldus ambassadeur Sir Dudley Carleton) was ook de regering van de Republiek (w.o. prins Maurits) geschokt door het relaas.Opvallend is, dat de Staten-Generaal allerminst geneigd waren de VOC vurig te verdedigen; de Bewindhebbers beklaagden zich dan ook over deze slappe houding; zie ook Van Reigersberg, p. 52. Ook in het vervolg valt de meegaande houding van de Staten-Generaal aangaande de Engelse demarches op; Resolutiën, passim Al spoedig kwamen echter de Bewindhebbers van de VOC met hun kant van het verhaal.State Papers, No. 661I Aangezien dat op een aantal belangrijke punten de Engelse versie weersprak, meenden de Staten-Generaal dat een nader onderzoek wenselijk was. In eerste instantie stelden zij de Engelse regering voor daartoe een gezamenlijke onderzoekscommissie naar Indië te sturen, om daar de rechters te ondervragen.State Papers, Nos. 535, 567II

De Engelsen meenden dat dit te lang zou duren en eisten onmiddellijk maatregelen. Daarop besloten de Staten-Generaal de rechters naar Nederland terug te roepen (waar ze onder huisarrest werden geplaatst) en een bijzondere commissie van raadsheren uit de Hoge Raad van Holland en Zeeland en het Hof van HollandDe Generaliteit kende geen eigen rechterlijke macht, anders dan de provincies. De Staten-Generaal stelden daarom in voorkomende gevallen telkens commissies van gedelegeerde rechters samen om zaken die op het hoogste niveau moesten worden onderzocht, te behandelen. Het bekendste voorbeeld daarvan is het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt in 1618 met een gerechtelijk onderzoek te belasten.State Papers, No. 695 Deze commissie wilde echter de Engelse getuigen persoonlijk met de aangeklaagde rechters confronteren, terwijl de Engelse regering van mening was dat volstaan kon worden met de deposities van deze getuigen voor het Engelse Admiralty court. Daardoor bleef de zaak enige jaren liggen (terwijl de aangeklaagden in voorarrest bleven, zij het voorzien van een stipendium van de Staten-Generaal).Zie bijvoorbeeld Resolutiën, 16/05/1628, 18; 28/04/1629, 13 Pas in 1630 bracht Sir Henry Vane de Oude, die als gezant naar de Republiek kwam in verband met verwikkelingen rond de Dertigjarige Oorlog, de getuigen mee in zijn gevolg. Het eindvonnis van de gedelegeerde rechters kwam daarop in 1632 in concept gereed, maar het werd nooit formeel gewezen, omdat de Engelsen het onbevredigend vonden (de rechters werden nl. vrijgesproken) en er geen prijs meer op stelden.Meinsma, p. 59

Pamflettenoorlog