thumb|150px|Afbeelding van Tonpa Shenrab, de veronderstelde stichter van de bön-religie De bön is een vorm van boeddhisme die is ontstaan naast en onderscheiden moet worden van het Tibetaans boeddhisme. De bön ontwikkelde zich in Tibet tot een vorm van georganiseerd boeddhisme vanaf het eind van de tiende eeuw. Het is ook in die periode dat de literaire traditie van de bön aanvangt.
Zelfbeeld van de bön in de geschiedschrijving thumb|Verbeelding van het begrip Yungdrung De volgelingen van de bön geloven dat hun religie in vroeger tijden in veel delen van de wereld werd uitgedragen en beoefend. Dit geloof heet dan ook yungdrung bön, de eeuwige bön. Het historische zelfbeeld is dat de bön vele eeuwen voordat het boeddhisme in Tibet werd geïntroduceerd daar de bescherming genoot van de koningen, tot de bön verdrongen werd door de valse religie, waarmee het Tibetaans boeddhisme wordt aangeduid.
Voordat de bön Tibet bereikte zou het met name gebloeid hebben in Zhangzhung, een gebied dat in het westen van het Tibetaans Plateau lag en de heilige berg Kailash als centrum had. Zhangzhung werd omstreeks 645 geannexeerd door het Tibetaanse rijk. De beschaving van Zhangzhung versmolt in de achtste en negende eeuw met die van het Tibetaanse rijk. Binnen de bön wordt sterk de nadruk gelegd op een ononderbroken traditie vanaf Zhangzhung via het Tibetaanse rijk naar de latere perioden in de Tibetaanse geschiedenis.
De stichter: Tönpa Shenrab Miwoche De oorsprong van de bön ligt echter volgens de volgelingen nog verder naar het westen, in een land dat zij Tazik noemen en waarvan Olmolungring de kern was, een gebied dat dan door sommige wetenschappers geassocieerd wordt met het grensgebied tussen het huidige Iran en Afghanistan. Tazik of Olmolungring is voor de Bönpo's het heilige land, zoals India dat voor de Tibetaanse boeddhisten is.
Over Tazik heerste Tonpa Shenrab Miwoche, de stichter van het bön. De bön kent een uitgebreide hagiografische literatuur over hem, die op nogal wat punten afwijkt van de biografische tradities over Sakyamuni Boeddha. In de traditie was Tönpa Shenrab een leek die vrijwel bij voortduring reisde om bön te verspreiden. Hij werd, anders dan bij Sakyamuni Boeddha, daarbij ondersteund door zijn vele vrouwen, dochters en zonen. In het böngeloof had Tönpa Shenrab – ook anders dan bij de Sakyamuni Boeddha – al vanaf zijn geboorte de volledige verlichting bereikt. In enkele latere bönteksten wordt Sakyamuni in een kennelijke poging tot enige verzoening met het boeddhisme benoemd als een emanatie van Shenrab.
Tibetologisch onderzoek thumb|Boeddhistische kritiek uit de tiende eeuw op Bönpo begrafenis riten.De vertaling van Sam van Schaik van dit manuscript uit Dunhuang ( tiende eeuw ) is “…When eradicating (rjes bcad) and diagnosing (dpyad), interment (mdad) and entombment (shid) are performed according to the Bon religion. When we examine the texts, [it is clear that] previously in Tibet interment was performed according to the Bon religion. After some time had elapsed, the [corpse] was entombed. The instructions for the medical treatment (sman) and beautification (legs par ‘gyur) of the corpse can be examined in the ten rituals (de nyid bcu) for eradication. Even the ritual narratives of the Tibetan Bonpos are not in agreement. In the rituals of the sacred string and the spindle, the father and … grow old and pass away to the heavens….” Over de ontwikkeling van de bön vanaf eind tiende eeuw is er in het wetenschappelijk discours in grote lijnen wel overeenstemming.
Er is echter onder tibetologen al enkele decennia een debat over de bön in de periode van en voor het Tibetaanse rijk. (Globaal 600-860 ) In de Tibetaanse manuscripten van Dunhuang komt het woord bön dan wel bönpo meerdere malen voor. Het wordt dan gebruikt in de betekenis van een ritueel dan wel een uitvoerder van rituelen. Ook in het Testament van Wa wordt het in die context gebruikt. In een tekst over de begrafenisplechtigheden van de koning Trisong Detsen is, ondanks de vervolging van bönpos in zijn periode, sprake van de aankomst van honderdzevenentwintig bönpos, zoals A Shen ( volgt een rij andere namen ) om de begrafenis van Trsisong Detsen uit te voeren. Enkele tibetologen, zoals Samten Karmay ( 1936 ) zetten het begrip bönpo ook in de context van een min of meer georganiseerde religieuze gemeenschap.
De discussie hangt nauw samen met opvattingen over preboeddhistische religieuze noties in het Tibet van die tijd. De Tibetaanse wereld van die tijd werd bevolkt door een grote hoeveelheid geesten en demonen. De verbinding tussen de mensen en die krachten werd ingevuld door uitvoerders van rituelen.
Het geloof in het sacrale karakter van de koninklijke dynastie was een essentieel onderdeel. De monarch was van hemelse oorsprong en nauw verbonden met beschermende godheden die belichaamd werden door met name de bergen van Tibet. Het heilige karakter van die bergen werd weer geassocieerd met belangrijke functies als bron van water, voeden van water naar rivieren, die het mogelijk maakten in valleien landbouw te bedrijven.
De kennis over het geloof in een hiernamaals in het toenmalige Tibet is beperkt. Het is echter duidelijk dat begrafenisrituelen een centrale rol speelden in religieuze opvattingen. Er waren riten om de ziel van een overledene te leiden naar een rijk van geluk om te voorkomen dat deze de orde in de wereld van de levenden zou verstoren. Gezien het sacrale karakter van de dynastie waren dit soort riten bij de begrafenis van een monarch gebeurtenissen van enorm belang. Onder de manuscripten van Dunhuang is een draaiboek gevonden voor het uitvoeren van dit soort riten bij de begrafenis van een monarch. Daaruit wordt duidelijk, dat een gespecialiseerde priesterklasse noodzakelijk was voor het uitvoeren van die riten. In die context wordt dan opnieuw het woord bönpo gebruikt.
Er is echter groeiende overeenstemming onder hedendaagse experts dat er gedurende de periode van het Tibetaanse rijk geen georganiseerde (of zelfs maar een niet-georganiseerde) religie bestond als bön. Het probleem in het debat is voor een groot deel van linguïstische aard. Het is van groot belang te onderscheiden welke woorden er in een specifieke periode binnen een specifieke context werden gebruikt.
In een artikel van december 2013 concludeert Sam van Schaik dat het concept van een georganiseerde, niet-boeddhistische religie afkomstig moet zijn van de eerste boeddhistische missionarissen in Tibet in hun kritiek op toen bestaande Tibetaanse rituelen en religieuze overtuigingen. Zij brachten dit geheel van rituelen en overtuigingen onder in een entiteit, die benoemd kon worden. Een aantal van de uitvoerders van die niet boeddhistische rituelen stond bekend onder de naam “Bonpo”. Latere boeddhistische missionarissen gingen in toenemende mate die term hanteren voor een aantal niet boeddhistische rituelen meer in het algemeen en voor begrafenisrituelen in het bijzonder. Vanaf begin elfde eeuw werden die oude rituelen voorzien van een boeddhistische context, die leidde tot de “ de school van de Bonpo's “, dan wel bön.
De keus voor het boeddhisme thumb|Het Tibetaanse rijk aan het eind van de periode van Trisong Detsen Een introductie van het boeddhisme in Tibet vond eind zevende / begin achtste eeuw plaats. Uit tal van documenten uit Dunhuang wordt duidelijk, dat die introductie ook op grote weerstand stuitte. Het werd gezien als een verstoring van de natuurlijke orde. In de periode van de koning Trisong Detsen (742-ca.800) werd door de dynastie gekozen voor een uit India afkomstig boeddhisme als de leidende religieuze en intellectuele beweging van het land. De keus voor het boeddhisme van Trisong Detsen had vooral strategische motieven. Naarmate het rijk verder expandeerde werd de behoefte aan een meer professioneel bestuur groter. Dat vereiste in ieder geval een zekere vorm van geletterdheid, die feitelijk alleen aanwezig was bij de vertegenwoordigers van het boeddhisme. De uitbreiding van het rijk, waardoor Tibetaanse koningen ook het gezag kregen over totaal andere etnische groepen dan Tibetanen maakte een vorm van een universele wetgeving noodzakelijk.
Het boeddhisme met opgeleide geleerden, zijn methodes van vertalingen, de aanwezigheid van bibliotheken in kloosters had daarbij de beste mogelijkheden. Latere bronnen, zowel van de bön als van boeddhistische geschiedschrijvers zijn het er over eens, dat tijdens de periode van Trisong Detsen de bönpos actief vervolgd werd en naar de grenzen van het rijk in ballingschap werden verdreven.
Het hieronder volgende citaat is afkomstig uit een document van eind 10e eeuw.
In de geschiedschrijving van de latere bön wordt de keus voor het boeddhisme vele malen als een ramp en catastrofe beschreven. Deze vervloeking van de bönpo-kluizenaar Li-shu-stag-ring geeft een beeld van de opvattingen van de bön over het bewind van Trisong Detsen:
Ontwikkeling naar de nieuwe bön Even na het midden van de negende eeuw valt het Tibetaanse rijk. De koninklijke dynastie verdwijnt. Het boeddhisme in zijn georganiseerde en monastieke vorm verdwijnt uit Centraal-Tibet. Het boeddhisme verdwijnt echter niet geheel, maar wordt vooral in een tantrische vorm levend gehouden door Ngagpa's, een soort lekenpriesters. Zij bekommerden zich op het niveau van dorpsgemeenschappen voor dagelijkse noden door divinatie, medische praktijken en de verstandhouding met de godenwereld. Ook bönpo's vervulden die rol.
Aan het eind van de tiende eeuw/begin elfde eeuw begon een tweede verspreiding van het boeddhisme in Centraal-Tibet. Tegelijkertijd begint een herleving van het kloosterleven en de monastieke traditie. Dat was een periode dat veel Indiase meesters, zoals Atisha naar Tibet reisden om daar het geloof uit te dragen. In dezelfde periode reisden veel Tibetaanse lama's naar India voor onderwijs, maar vooral om daar opnieuw voor Tibet nog onbekende, boeddhistische teksten te ontdekken en vanuit het Sanskriet te vertalen. Hun activiteiten leggen de grondslag voor de latere nieuwe georganiseerde tradities binnen het Tibetaans boeddhisme, zoals de kadampa, sakya en veel varianten binnen de kagyüschool.
De vertegenwoordigers van de stroming die het boeddhisme in de periode na het midden van de negende eeuw in Centraal-Tibet levend hadden gehouden maken een andere keus. Zij kiezen voor een literaire en culturele erfenis gebaseerd op de instructies die naar hun opvatting al tijdens de periode van het Tibetaanse rijk van de achtste en begin negende eeuw in Tibet geïntroduceerd werden. Dat zal de latere nyingmatraditie worden.
In die historische context moet ook het verschijnen van een nieuwe bön gezien worden met nu eveneens duidelijk boeddhistische noties, zoals karma en wedergeboorte en een pad van bodhisattvas tot aan het boeddhaschap. Ook binnen de bön zal later een ontwikkeling plaatsvinden van het ontstaan van meerdere tradities. Die tradities hebben net als in het Tibetaans boeddhisme hun oorsprong in een lange complexe geschiedenis van op clan-tradities gebaseerde lijnen van belangrijke monniken en aristocratische families.
Literaire traditie en canon De bön beschikt over een zeer uitgebreide literaire traditie, die pas sinds de laatste decennia van de 20e eeuw onderwerp van studie is van niet-Tibetaanse wetenschappers. Daarvoor werd aangenomen dat het meeste van die literatuur vooral bestond uit plagiaat van boeddhistische teksten, zoals Tibetaanse boeddhisten in de onderlinge rivaliteit ook heel lang hebben betoogd.
Het was de tibetoloog David Snellgrove die als eerste in 1967 kon aantonen, dat de bönliteratuur voor het grootste deel onafhankelijk en op basis van eigen verworven inzichten tot stand was gekomen en geen plagiaat is.