Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Gelderse hoofdstad Arnhem, vanaf de prehistorie.

Prehistorie Archeologische vondsten wijzen erop dat zo'n 70.000 jaar geleden al enige menselijke bewoning was in het gebied waar nu Arnhem ligt. Er zijn twee vuurstenen schavers gevonden, afkomstig van Neanderthalers die in de steentijd in dit gebied verbleven. Als jagers en verzamelaars hadden de Neanderthalers over het algemeen geen vaste verblijfplaats.

De oudste overblijfselen in de regio van de moderne mens dateren van ca. 5000 v.Chr.. De oudste in het huidige Arnhem aangetroffen bewoningssporen zijn gevonden in het Betuwse deel. Hier zijn overblijfselen van een jagerskamp aangetroffen op twee meter diepte, in rivierduingebied uit het pleistoceen, op de plek waar nu de wijk Schuytgraaf is. Deze sporen worden wel toegeschreven aan de Vlaardingencultuur (3200 v.Chr. tot 3000 v.Chr.), hoewel die voornamelijk in het westen van Nederland is gevonden. Er moet onder meer sprake zijn geweest van vuursteenbewerking. In de buurt van Warnsborn en Schaarsbergen zijn de eerste sporen gevonden van boeren, dus bewoners dus met een vaste verblijfplaats. Deze grafheuvels van het standvoetbekervolk dateren van ca. 2500 v.Chr. tot 2000 v.Chr.

Uit de bronstijd (ca. 1500 v.Chr.) zijn sporen gevonden van een nederzetting op de Hoogkamp in de vorm van boerderijen. Waar nu het centrum van Arnhem is, zijn overblijfselen gevonden van bewoners uit de ijzertijd.

Romeinse tijd

Over de Romeinse voorgeschiedenis van het gebied in en nabij de huidige gemeente Arnhem was lange tijd heel weinig bekend (dit in scherpe tegenstelling tot het gebied in en rondom Nijmegen Daar moeten namelijk meerdere Romeinse legioenen gestationeerd zijn geweest, terwijl ook Oppidum Batavorum hier zou hebben gelegen en er bovendien vanaf het begin van de tweede eeuw een hele Romeinse stad lijkt te zijn geweest.). Vermoed wordt dat er in de Romeinse tijd ten noorden van de limes nauwelijks permanente bewoning was, misschien omdat dit hier door de Romeinen niet werd toegestaan. In 1979 zijn er ten zuiden van de Rijn nabij Arnhem alsnog de overblijfselen gevonden van een Romeinse legerplaats, die volgens de gemaakte schattingen dateert uit 40 n. Chr. Deze legerplaats staat tegenwoordig bekend onder de naam Castellum Meinerswijk. Een tijdlang is de legerplaats geheel vereenzelvigd met Castra Herculis, een van de legerkampen die staan aangegeven op de Tabula Peutingeriana (de "Peutinger kaart"), een overgeleverde 3e- of 4e-eeuwse Romeinse wegenkaart. Men was al langer op zoek naar deze plek, en dacht deze nu dus als Meinerswijk gevonden te hebben. Nieuwer onderzoek leek echter uit te wijzen dat Meinerswijk toch te klein was voor de castra, waardoor de hele gelijkstelling aan Castra Herculis weer op losse schroeven kwam te staan. De plek Meinerswijk staat mogelijk als zodanig helemaal niet aangegeven op de Peutinger kaart. Als alternatief is anderzijds ook nog geopperd dat Meinerswijk identiek zou zijn aan Levefanum, een andere plaats op de Peutinger kaart.

Bij De Laar zijn de overblijfselen gevonden van een nederzetting die uit de midden-Romeinse tijd lijkt te dateren. Ook na de oudheid lijkt hier min of meer permanente bewoning te zijn geweest. Op het gebied van de gemeente Arnhem zijn verder nog twee Romeinse grafvelden gevonden, waarvan er een al sinds de late ijzertijd in gebruik was. De doden hier zijn allemaal gecremeerd. In het huidige Arnhem zijn ook nog scherven teruggevonden die zijn gedateerd in de (laat)Romeinse tijd, onder meer in Klingelbeek waar ook vondsten uit de ijzertijd zijn gedaan.

Het gebied in en rond Arnhem werd na de definitieve aftocht van de Romeinen mogelijk ingenomen door de Chamaven, die hier omstreeks 358 de Salische Franken zouden hebben verdreven.

Vroege middeleeuwen thumb|Het wapen van Arnhem Wanneer na de oudheid de huidige plaats Arnhem, dan wel de rechtstreekse voorloper daarvan precies is ontstaan, is niet bekend. Uit archeologische dateringen in combinatie met schriftelijke vermeldingen is geconcludeerd dat er in de Karolingische, en mogelijk ook al in de Merovingische tijd enige menselijke bewoning was op een oeverwal aan de zuidwestelijke rand van de Malburgse Wetering. Onder meer in het huidige Musiskwartier zijn scherven gevonden die in deze periodes zijn gedateerd.

De oudst bekende schriftelijke vermelding uit de vroege middeleeuwen van een nederzetting op de plek van Arnhem betreft een schenkingsoorkonde uit 855. Vermoedelijk ging het hier om twee woonkernen die vlak bij elkaar lagen, Elti (Elden) en Hrineshem. Deze laatste naam zou voor het laatst opduiken in een goederenlijst uit de 12e eeuw van de hof Ressen, een lijst die in bezit was van de Abdij van Sint-Vaast, waarna hij in de vergetelheid raakte. Het nederzettinkje was niet direct aan de Rijn ontstaan, maar op het hoger gelegen oeverland aan weerszijden van de Sint-Jansbeek, die voor zowel de bescherming als de watervoorziening destijds belangrijker was dan de Rijn. Deze locatie bood nog andere strategische voordelen doordat de weg zich hier vanuit de richting van Nijmegen op dit punt opsplitste in de landwegen naar de huidige provincie Utrecht en Zutphen. De belangrijkste inkomstenbronnen van de bewoners waren akkerbouw en veeteelt, aangevuld met ambachtslieden en kooplui. De nederzetting maakte deel uit van het hofstelsel.893 n. Chr.: Arneym, arneym.nl

De oudst bekende vermelding van de plaatsnaam Arneym dateert uit 893, en is overgeleverd in een afschrift uit 1222. Het betreft een register van de bezittingen van de abdij van Prüm in de Eiffel. De plaats wordt hier beschreven als een aan Sint Maarten gewijde kerk, met omliggende landerijen. Daarmee is dit tevens de oudst bekende vermelding van een kerk in het gebied van de huidige gemeente Arnhem. Tegelijk wordt hier een kerk genoemd in Voorst. Elst en Duiven hadden in deze tijd ook al kerken. Een parochie bestond in deze streek echter nog niet.

In een oorkonde van de sticht Elten, gedateerd op 996, wordt de naam Arnehem gebruikt. De naam Arneym komt anderzijds opnieuw terug in een oorkonde van de abdij van Prüm, waarin wordt gemeld dat Brabantse kooplieden te Arneym geen tol hoeven betalen. In 1195 wordt Arnhem als tolplaats genoemd.

Een van de alleroudste bekende gebouwen in het huidige Arnhem is de Commanderij van Sint-Jan. Deze dateerde al van vóór 1200, het exacte bouwjaar is echter onbekend.

13e eeuw Vanaf het begin van de dertiende eeuw was er duidelijk sprake van een stedelijke ontwikkeling van deze plaats. De kern van de stad in wording lag waarschijnlijk tussen de Jansplaats, het Jansplein, de Pauwstraat en de Korenmarkt. In 1227 duikt de spelling van de plaatsnaam Arnhem zoals die nu nog altijd wordt gebruikt voor het eerst op, in een oorkonde van graaf Gerard III van Gelre die nostrum oppidum ArnhemSloet, OGGZ, nr. 505 (Latijn voor "onze nederzetting Arnhem") noemt.

Omstreeks 1210 vond er in Arnhem voor zover bekend voor het eerst muntslag plaats, toen Gerard III er de eerste munten liet slaan. Na de verpanding van het Rijk van Nijmegen in 1247 werden ook Nijmegen en het Rijk van Nijmegen onderdeel van het graafschap Gelre. Nijmegen was in de eerste tijd daarna de plaats waar graaf Otto II de munten liet slaan. Na 1380 was Arnhem echter ongeveer 70 jaar lang de voornaamste muntplaats van Gelre.

Arnhem wordt een stad De zoon van de hiervoor genoemde Gerard van Gelre, graaf Otto II, verleende op 13 juli 1233 stadsrechten aan Arnhem. Vermoedelijk gebeurde dit in het Stift Elten. De overgeleverde tekst luidt:

Bij het toekennen van de stadsrechten bepaalde graaf Otto dat de stad moest worden bestuurd door twaalf schepenen, waarbij hij zelf zou worden vertegenwoordigd door een richter. Alhoewel de schepenen formeel door de bevolking werden gekozen, bleken een aantal specifieke families (Bierwisch, Gruuthuus, Arnhem, Tengnagel) in staat om telkens de belangrijkste posten te bemachtigen. Als schepen hadden ze als taak het bewaren van orde en rust en het bevorderen van de goede gang van zaken. Van de schepenen traden twee leden op als burgemeester, zij vormden in feite het dagelijks bestuur van de stad. Later werden acht raden toegevoegd, en verdween de functie van richter. Deze bestuurders waren voornamelijk afkomstig uit de twee rijke families Van Arnhem en Van de Gruythuis.

In deze tijd groeide de plaats sterk in omvang. Het grondgebied van Arnhem was aanvankelijk nog opgedeeld tussen enerzijds het graafschap Gelre – het deel dat in 1233 de stadsrechten van Otto II kreeg – en anderzijds de abdijen van Elten en Prüm. Tot ca. 1350 was de landbouw nog het voornaamste bestaansmiddel.

Toenemend belang van Arnhem De invloed van Arnhem in het graafschap Gelre werd in de loop der tijd groter, zo blijkt uit oude stadsrekeningen. In het stadsrechtenprivilege van 1233 wordt voor het eerst de weekmarkt genoemd, al moeten er toen al langer marktrechten zijn geweest. Het is onduidelijk welke koning (Frankisch of Duits) Arnhem precies zijn marktrechten heeft gegeven. In 1319 besloot graaf Reinoud II om geen besluiten meer te zullen nemen zonder instemming van de Gelderse steden. Arnhem groeide gaandeweg uit tot de belangrijkste stad van de Veluwe, een effect dat door de voortdurende machtsstrijd tussen de Gelderse troonpretendenten werd versterkt. De stad werd ook een populaire uitgaansplaats voor de hertogen en graven, wat blijkt uit de stadsrekeningen voor drinkgelagen en massale maaltijden. Een en ander werd betaald uit belastingen op bier, zout, vlees, brood, leer en andere verbruiksartikelen, zodat de bevolking voor de rekening opdraaide. Indien het stadsbestuur geld tekortkwam (begrotingen werden nog niet gemaakt) werden erf- en lijfrentebrieven uitgegeven.

Het oudste tot op heden bewaard gebleven stadszegel van Arnhem zit vast aan een oorkonde die is gedateerd op 20 april 1281. Hier krijgen de horigen in de hof te Arnhem verplichtingen opgelegd door ene Walterus, abt van de abdij van Prüm.

Van economisch belang waren ook de handel en bierbrouwerij. Er waren relaties met de Duitse Hanzen. Arnhem had als handelscentrum geografisch een gunstige ligging; het lag op een kruispunt van land- en waterwegen, en er liepen handelsroutes vanuit het Rijnland via Emmerik en vanuit Westfalen via Deventher en Zutphen. Onder meer bij Apeldoorn en Beekbergen waren landsheerlijke tollen. De graven van Gelre stimuleerden Arnhems positie als marktplaats verder. In Arnhem werden met regelmaat jaarmarkten georganiseerd, en tegen het eind van de 13e eeuw was Arnhem wat dit betreft de belangrijkste stad van Gelre. Uit een rekening van 1294-1295 blijkt dat de markttollen in Arnhem in dat jaar 117 pond opbrachten (versus 40 pond in Zutphen). De bierbrouwers genoten bijzondere bescherming; zo gold er een verbod om buiten de stad te brouwen, en werden er zelfs strafexpedities opgezet naar brouwerijen op het platteland.

In 1296 deed Gwijde van Dampierre, die vijf jaar daarvoor het graafschap Gelre van zijn schoonzoon Reinoud I in onderpand had gekregen, een mislukte poging om Arnhem in te nemen. De stad stond achter Reinoud I. Arnhem bleef ook nog trouw aan Reinoud I toen die later met zijn zoon Reinoud II om de macht streed.

In deze tijd had Arnhem in ieder geval al een omwalling.

14e eeuw