Neil Percival Young (Toronto, 12 november 1945) is een Canadese singer-songwriter. Hij begon zijn muzikale carrière in Winnipeg in de jaren 60, waarna hij naar Los Angeles verhuisde. Hier had hij succes met de band Buffalo Springfield waarna hij zich op solowerk richtte met Crazy Horse. Niet veel later sloot hij zich aan bij Crosby, Stills & Nash (and Young). Hij bracht tot nu toe 47De albums Rust never sleeps en Life, die grotendeels live zijn opgenomen en in de studio zijn bewerkt, zijn hierbij niet meegerekend. studioalbums uit. Het succesvolst was zijn album Harvest uit 1972.

Zijn muziek valt vaak te typeren als folk, rock en country of een combinatie daarvan. Naast zijn solowerk en werk met Crazy Horse bracht hij in 1995 een album uit met Pearl Jam en werd hij tussen medio jaren 2010 en medio jaren 2020 bijgestaan door de band Promise of the Real.

Young heeft ook films geregisseerd onder het pseudoniem "Bernard Shakey" en droeg bij aan soundtracks voor de films Philadelphia (1993) en Dead Man (1995).

Young is twee keer geïntroduceerd in de Rock and Roll Hall of Fame en heeft meerdere Grammy en Juno Awards ontvangen. In 2000 plaatste Rolling Stone Young op plaats 34 van hun lijst met 100 grootste muzikanten en in 2023 op plaats 30 van de lijst met 250 grootste gitaristen. In 2006 kreeg hij de Orde van Manitoba uitgereikt en hij werd officier in de Orde van Canada in 2009.

Biografie Jeugd Neil Young is een zoon van schrijver en journalist Scott Young en diens vrouw Edna "Rassy" Ragland. Hij werd geboren op 12 november 1945 om kwart voor zeven 's ochtends in het Toronto General Hospital. 2003, p. 37. Het gezin woonde toen in een huisje aan Brooke Avenue in het noorden van Toronto. 1984, p. 21. Young kreeg al op jonge leeftijd diabetes. In 1951 leed hij aan de virusziekte polio., Bob (2008). Guitar Gods: The 25 Players Who Made Rock History, p. 236. Uitg.: ABC-CLIO, . Hij groeide op in Omemee. 2008, p. 5. Op tienjarige leeftijd begon Young een bedrijfje, Neil Eggs. Hij hield kippen en werkte op een golfbaan om het voer te bekostigen. 2008, p. 12-13. Hij was toen van plan om zich later aan het Ontario Agricultural College te laten opleiden tot boer. 1984, p. 46 en 53. Hij had in zijn jeugd een krantenwijk en stond 's ochtends vroeg op om The Globe and Mail te bezorgen. Mede doordat hij 's avonds naar de radiozender 1050-CHUM luisterde, raakte hij geïnteresseerd in muziek maken. 1984, p. 48. In 1958 kreeg Young zijn eerste muziekinstrument: een plastic ukelele, een kerstgeschenk van zijn ouders. 1984, p. 49.

Toen hij twaalf jaar oud was, scheidden zijn ouders. Hij verhuisde met zijn moeder naar Winnipeg."Neil Young" in The Canadian Encyclopedia. Hij ging achtereenvolgens naar de Earl Grey Junior High School en de Kelvin High School. Daar vormde hij zijn eerste bandje, The Jades. 2010, p. 14. Andere bandjes waarin hij speelde waren The Esquires, The Stardusters en The Classics (later The Collectors). 2010, p. 15.

Begin van muzikale loopbaan The Squires Zijn eerste succes boekte Young met The Squires, een rock-'n-rollgroep die verder uit drummer Ken Smyth, bassist Ken Koblun en slaggitarist Allan Bates bestond. Deze band maakte instrumentale muziek en coverde popliedjes van onder andere The Shadows. 1992, p. 13. The Squires oefenden een paar keer per week in Smyths kelder. Young had zelf de versterkers in elkaar gezet. Hij speelde op een oranje Gretsch-gitaar. 1992, p. 12. De band toerde rond in de auto van Youngs moeder of in de Chrysler van Smyths vader. 2005, p. 96. Bij radio-dj Bob Bradburn namen ze op 23 juli 1963 onder meer de single The sultan op, die V Records in november 1963 uitbracht. Het was Youngs eerste opnamesessie en tijdens deze sessie werd ook voor het eerst zijn zang opgenomen, al bleven The Squires daarna louter instrumentale muziek spelen. 2012, p. 263.

In de zomer van 1964 gingen The Squires uit elkaar. Young deed het slecht op school en stopte ermee toen hij achttien jaar was. 1984, p. 61. In de herfst van 1964 richtte hij de groep opnieuw op met Koblun, schoolvriend Bill Edmundson en pianospeler Jeff Wuckert. Ze traden sindsdien op als Neil Young & The Squires. Young kocht een gammele lijkwagen, een Buick Roadmaster uit 1948, waarmee de band rondreisde. Ze speelden in het voorjaar van 1965 in het voorprogramma van Stephen Stills' band The Company. 2000, p. 34. 2005, p. 100. In de zomer werd de band opgeheven en ging Young solo verder. 1984, p. 65. Hij verruilde zijn Gretsch-gitaar voor een twaalfsnarige akoestische gitaar. 1992, p. 16.

The Mynah Birds In januari 1966 sloot hij zich op verzoek van bassist Bruce Palmer aan bij The Mynah Birds uit Toronto., Richie. "The Mynah Birds". AllMusic. Geraadpleegd op 3 september 2012. James Johnson Jr., die in de jaren tachtig een grote hit zou scoren met het funknummer Super freak, was leadzanger van deze band. Hij was uit de Amerikaanse marine gedeserteerd en werkte in Canada onder het pseudoniem Rick James, om zich voor de autoriteiten te verbergen. James' oom, Melvin Franklin van The Temptations, bracht de band in contact met Motown."James, Rick (originally, Johnson, James Jr.)" in Baker’s Biographical Dictionary of Musicians (1 januari 2001). Geraadpleegd op 3 september 2012.

The Mynah Birds namen voor Motown zestien liedjes op. Ze combineerden rock-'n-roll met soul., Stephen Thomas. "The Complete Motown Singles, Vol. 6: 1966 - Various Artists". AllMusic. Geraadpleegd op 3 september 2012. Young beschreef zelf de muziek van The Mynah Birds als "a Rolling Stones kind of R&B thing": "rhythm-and-blues zoals The Rolling Stones die speelden". Hij gebruikte eerst nog zijn twaalfsnarige gitaar, maar zakenman John David Eaton schonk hem een elektrische gitaar van het merk Rickenbacker en een aantal versterkers. De opnamen waren nog in volle gang toen James wegens zijn desertie werd gearresteerd, waardoor de band in maart 1966 uit elkaar ging. Hun platencontract werd ontbonden en Motown gaf hun muziek dus niet uit., Thor (15 juli 2004). "Rock's unsung milestones". The Charleston Gazette. Een musicoloog wist de tapes in het begin van de jaren negentig in het Motown-archief terug te vinden. Eén single, getiteld It's my time, met op de B-kant Go on and cry, werd pas in 2006 voor het eerst uitgegeven.Wireless News (9 april 2012). "UMe to Roll Out New Set of Limited Edition Vinyl for National 'Record Store Day'". Geraadpleegd op 3 september 2012 via HighBeam.

Buffalo Springfield

Palmer en Young verkochten de gitaar en de versterkers die Eaton hen had geschonken. Met dit geld kocht Young weer een zwarte lijkwagen uit 1953 van het merk Pontiac. 1992, p. 17. Hiermee reisde het tweetal naar Californië om daar hun geluk te beproeven. Op 6 april 1966 kwamen Palmer en Young op de Sunset Boulevard in Los Angeles Stills tegen. 1997, p. 11., Stephen Thomas. "Neil Young". AllMusic. Geraadpleegd op 1 september 2012. Young, Palmer, Stills en Richie Furay richtten de rockband The Herd op. Algauw vernoemden ze zich naar een stoomwals: Buffalo Springfield. Op 15 april dat jaar trad de band voor het eerst samen op, in het voorprogramma van The Byrds. 1997, p. 12. Daarna speelden ze als vaste groep in de uitgaansgelegenheid Whiskey A Go-Go."Buffalo Springfield" in Rolling Stone's Encyclopedia of Rock & Roll (2001), p. 127-128. Uitg.: Rolling Stone Press, . Hun debuutalbum, Buffalo Springfield, werd in 1967 door Atlantic Records uitgegeven. De single For What It's Worth werd een grote hit.

Young had voortdurend ruzie met Stills. In mei 1967 verliet hij de band, maar al na vier maanden keerde hij terug. Tijdens zijn afwezigheid speelde Buffalo Springfield onder meer op het Monterey Pop Festival, waarbij Young vervangen werd door David Crosby van The Byrds. De muziek die de band na hun debuutalbum met én zonder Young opnam, zou aanvankelijk door Atco Records worden uitgegeven als album met de titel Stampede, maar het album werd niet afgemaakt en is nooit uitgegeven. 1997, p. 175-176. In plaats daarvan werd Buffalo Springfield again als opvolger van het debuut uitgegeven.

De hereniging van Young met Buffalo Springfield was van korte duur. In mei 1968 verliet hij opnieuw de band en een paar weken later hield Buffalo Springfield op te bestaan. Young was teleurgesteld. In een interview in februari 1969 verklaarde hij dat de band meer had kunnen bereiken, maar dat het gebrekkige succes het onmogelijk maakte nog langer samen te werken: "It's hard enough to live with yourself, when you've considered what you've done a failure rather than a succes (...), living with four other guys is even harder."This is Robert Fulford (11 februari 1969). Interview van Young met Robert Fulford. Canadian Broadcasting Corporation. (gearchiveerd) Op 5 februari 1968 nam Young zijn laatste liedje, I am a child, voor het derde album op in de Sunset Sound Studios., Jason (2009). Whispering Pines: The Northern Roots of American Music . . . from Hank Snow to The Band. Uitg.: ECW Press, . De band trad op 5 mei dat jaar in de Long Beach Arena in Long Beach (Californië) voor het laatst op. Het derde album, Last time around, werd op 30 juli 1968 uitgegeven.

Solocarrière thumb|Crazy Horse in 1972 met van links naar rechts: Danny Whitten, Jack Nitzsche, Billy Talbot en Ralph Molina. Na Buffalo Springfield werkte Young aan zijn eerste soloalbum, Neil Young. Zijn manager Elliot Roberts en pianist en producer Jack Nitzsche hielpen hem aan een platencontract bij Reprise Records, dat het album in november 1968 uitgaf. Een maand later volgde de single The loner met op de B-kant een liveopname van het liedje Sugar mountain. Voor zijn tweede soloalbum, Everybody knows this is nowhere uit 1969, werkte Young voor het eerst samen met de Amerikaanse band Crazy Horse. Deze band was oorspronkelijk een zanggroep en bestond destijds uit bassist Billy Talbot, drummer Ralph Molina, gitarist Danny Whitten, gitarist George Whitsell en violist Bobby Notkoff. Young speelde met The Rockets, zoals de band zich toen nog noemde, in de Whisky-a-Go-Go., Greg. "Crazy Horse". AllMusic. Geraadpleegd op 9 september 2012.

Crosby, Stills, Nash & Young

Na Everybody knows this is nowhere sloot Young zich aan bij de supergroep Crosby, Stills & Nash. Zij hadden al succes gehad met hun eerste album, Crosby, Stills & Nash. Stills vroeg eerst John Sebastian van The Lovin' Spoonful, maar deze weigerde."Crosby, Stills, Nash and Young" in Rolling Stone's Encyclopedia of Rock & Roll (2001), p. 224-225. Uitg.: Rolling Stone Press, . Crosby, Stills, Nash & Young, afgekort tot CSNY, traden op 16 augustus 1969 voor het eerst op. Twee dagen later speelden ze ook op het muziekfestival Woodstock. 2000, p. 207. In twee maanden namen ze het album Déjà vu op. Het album was een groot succes. Er werden meer dan zeven miljoen exemplaren van verkocht. De liedjes Woodstock, geschreven door Joni Mitchell, Teach your children en Our house werden als singles uitgebracht.

In de winter van 1969 toerden ze door Noord-Amerika en in 1970 door Europa. Op 6 januari dat jaar speelden ze in de Royal Albert Hall te Londen, met onder anderen Paul McCartney en Donovan als publiek. Dit was Youngs eerste optreden in Europa: "That was the first time we'd ever really been affected by nerves. (...) But when Neil gets nervous he plays very hard and puts his guitar out of tune and then has to tune back again", aldus Stills. 2000, p. 223. Door onenigheid tussen de bandleden eindigde de tournee vrij plotseling. e.a. (1998). The Vietnam Experience: A Concise Encyclopedia of American Literature, Songs, and Films, p. 214. Uitg.: Greenwood Press. Naar aanleiding van het Kent State-bloedbad schreef Young het protestlied Ohio, waardoor het viertal toch weer even bij elkaar kwam om het nieuwe liedje op te nemen. Een live opgenomen versie werd in 1970 als single uitgebracht. In april 1971 bracht Atlantic Records het livealbum 4 way street uit.

After the gold rush