Kennistheorie of epistemologie (Oudgrieks: ἐπιστήμη, epistēmē: kennis en λόγος, logos: leer), ook wel kentheorie, kennisleer, kenleer of criteriologie, Sommaire du cours de critériologie ou d'épistémologie professé, Revue néo-scolastique, 1896, Volume 3, nr. 10, p. 210-214. Gearchiveerd op 22 mei 2023. genaamd, is de tak van de filosofie die de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis en het weten onderzoekt. Het vakgebied is vooral vooraanstaand binnen de analytische filosofie, die verbanden legt met inzichten vanuit de logica. Ook bij verscheidene continentale filosofen komt het probleem van de menselijke kennis aan de orde, voornamelijk in de fenomenologie. De wetenschapsfilosofie onderzoekt de houdbaarheid en de ontwikkeling van wetenschappelijke theorieën, en vormt een deelgebied van de epistemologie. De centrale vragen binnen de epistemologie zijn: "Wat is kennis?" "Wat kan ik weten?" "Hoe wordt kennis vergaard?" Daarnaast onderzoekt de kennisleer aan kennis verwante concepten als overtuiging, rechtvaardiging, waarheid en waarneming. Vaak wordt er gezocht naar een criterium, hetzij in de mens zelf, hetzij ergens in de buitenwereld, om als fundament van zekere, betrouwbare kennis te kunnen dienen. De epistemologie houdt zich ook bezig met het Gettier-probleem ofwel het probleem van 'schijnbare kennis', en met het filosofisch scepticisme, de filosofische stroming die meent dat de wereld onkenbaar is.
Geschiedenis Oude Grieken De epistemologie is bijna zo oud als de filosofie zelf. De Griekse filosofie begint met de natuurfilosofen Thales van Milete en Anaximander. Anders dan de mythe benaderden zij de natuur op een radicaal naturalistische en materialistische wijze: alles valt te herleiden tot één oerstof, bijvoorbeeld water, lucht of 'het onbepaalde' (apeiron). Reflectie op de fundamenten van "kennis" van de kosmos valt bij hen echter nog niet te bespeuren.
De eerste aanzetten daartoe vindt men bij Xenophanes, die sterke kritiek uitte op de traditionele godsdienst, maar ook op de Ionische natuurfilosofen. Hij bekritiseert het antropomorfe (menselijk-feilbare) karakter van de Griekse goden en stelt dat men niets met zekerheid over de goden kan weten. Hierom staat Xenophanes te boek als de eerste agnost en scepticus., "Xenophanes' Scepticism", Phronesis, Vol. 23, No. 1 ,1978, p. 1-21. Echter, pas bij Heraclitus is er voor het eerst sprake van een volwaardige kenleer. Ook Heraclitus duidt één oerelement aan, namelijk het vuur, als basis van de kosmos. Het vuur moet volgens Heraclitus echter niet zozeer als de basisbouwsteen, maar als ordenend principe van de kosmos worden opgevat: de eeuwige strijd, en tegelijkertijd eenheid, van tegengestelden ordent de kosmos. Xenophanes past het idee van vuur als ordenend principe ook toe op de mens: de mens is in staat om kennis te vergaren omdat ook de menselijke ziel een vurige substantie is, en het gelijke (de mens) kan het gelijke (de kosmos) nu eenmaal begrijpen. Verwante ideeën zijn terug te vinden bij Anaxagoras en Empedocles.
De sofisten waren de eerste Griekse filosofen die de aard van menselijke kennis als probleem stelden. Sofisten waren rondtrekkende leraren, zoals Protagoras en Gorgias, die, door hun contact met verschillende culturen, kennis als iets relatiefs zagen. Zekere kennis was eigenlijk niet mogelijk: alles is subjectief, alles is relatief. Het hangt van mens tot mens af of iets warm of koud is, enzovoort. Antieke filosofen zoals Socrates, Plato en Aristoteles reageerden hierop: voor hen was er wel degelijk een vast fundament, dat moest echter nog gevonden worden door de filosofen., Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, Universitaire Pers Leuven, 1989, p. 35.
Plato thumb|Volgens Plato situeert kennis zich op het snijvlak van waarheid en geloof. Net als de sofisten en relativisten vraagt Plato zich af of kennis überhaupt mogelijk is. De epistemologie die door Plato wordt ontwikkeld is onlosmakelijk verbonden met zijn ethiek; in navolging van zijn leermeester Socrates, stelt Plato dat om bijvoorbeeld rechtvaardig te zijn, het noodzakelijk is om eerst te weten en te definiëren wat "rechtvaardigheid" überhaupt is. Om kennis van dergelijke begrippen te kunnen funderen, introduceert Plato zijn ideeënleer, waarin hij stelt dat onze ziel voor de geboorte in de Ideeënwereld was en daar volmaakte kennis van de Ideeën heeft opgedaan. Bij onze geboorte zijn we deze kennis echter weer vergeten. Het komt er nu op aan om via de dialectische en socratische methode deze kennis, die ergens diep in de mens zit, terug naar boven te halen. Het vermogen tot kennis van de noodzakelijke en universele principes is volgens Plato in ieder mens aanwezig, men moet het zich echter weer herinneren (anamnese). Volgens Plato is kennis niet achteraf gebaseerd op aardse ervaring (a posteriori), maar gaat alle kennis aan de aardse ervaring vooraf (a priori)., "Plato", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2015, (red.), bezocht op 11-01-2017. Gearchiveerd op 7 april 2023.
In de dialoog Theaetetus introduceert Plato een andere definitie van kennis, namelijk kennis als een "gerechtvaardigde ware opvatting" (justified true belief). Deze definitie van kennis is tot op heden een veel besproken notie van kennis in de epistemologie en de analytische filosofie.
thumb|Aristoteles Aristoteles Aristoteles hanteert een geheel andere visie op kennis dan Plato, maar ook Aristoteles stelt dat kennis wel degelijk mogelijk is. Het begrip "rechtvaardigheid" en de kennis van wat het inhoudt, haalt de mens volgens Aristoteles via een abstractieproces uit concreet beleefde situaties. Kennis moet dus niet gezocht worden in een andere wereld (transcendentie), maar zit in deze wereld zelf (immanentie)., Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 37-38. Kennis komt bij hem voort uit de waarneming, en Aristoteles kan dan ook beschouwd worden als de eerste empirist. Hij schreef systematische verhandelingen, gebaseerd op de waarneming (empirie), over de biologie en de fysica.
In het eerste hoofdstuk van zijn Metaphysica (A1-2) betoogt Aristoteles dat de mens van nature naar kennis verlangt, hetgeen blijkt uit het plezier dat hij ontleent aan zintuiglijke waarneming (aisthêsis). Uit de waarneming ontstaat het geheugen (mnêmê), een soort innerlijk nabeeld dat door herinnering is op te roepen. Vele waarnemingen en de herinnering daaraan leiden tot ervaring (empeiria). Vakkundigheid of "kunst" (technê) komt voort uit veel herhaalde ervaring van gelijksoortige situaties; een voorbeeld dat Aristoteles uitwerkt is de geneeskunde. Technê is volgens hem altijd praktisch of productief. Veel vaklui doen hun werk zonder precies te weten wat zij doen, routinematig, maar de meesters weten wél wat zij doen en zijn om die reden in staat hun vakkennis over te dragen. Wetenschappelijke kennis (epistêmê) is niet productief, maar altijd theoretisch: epistêmê is kennis om de kennis en nooit gericht op praktisch nut of genot. Aristoteles geeft geen definitie van kennis, maar herleidt haar tot de eigenschap 'nieuws- of weetgierigheid'.
Klassiek scepticisme Na Aristoteles was het volgende nieuwe element in de epistemologie het ontstaan van het scepticisme. Binnen dit klassiek Grieks scepticisme moet men verschillende vormen onderscheiden; in chronologische volgorde:
Het academisch of dogmatisch scepticisme ontstond binnen de Akademeia, de school van Plato, waarvan Arkesilaos als eerste scepticus gezien kan worden. Deze sceptici betoogden dat men niets met zekerheid kan kennen en probeerden dan ook de stellingen van de andere scholen te ontkrachten."epistemology." Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online Academic Edition. Encyclopædia Britannica Inc., 2012. Bezocht op 16-06-2012. Gearchiveerd op 28 juli 2014. Ze lieten zich sterk inspireren door de vroegere dialogen van Plato, die steeds in een aporie eindigden om de lezer zelf tot nadenken aan te zetten. Het pyrronisme (vernoemd naar Pyrrho van Elis) verdedigde een andere sceptische positie. Pyrronisten stellen dat men stellingen kan bevestigen noch ontkennen, en dat men daarom moet afzien van de claim op kennis. Volgens de pyrronistische leer is voor elke stelling evenwaardig bewijs voor zowel vóór als tégen te vinden. De onrust die met het niet weten gepaard gaat, kan uiteindelijk overwonnen worden door het oordeel op te schorten.
Het 'dialectische' scepticisme van Aenesidemus (1e eeuw voor Chr.). Men ervan uit dat hij een arsenaal aan argumenten heeft opgesteld tegen de betrouwbaarheid van de zintuiglijke waarneming (de zgn. tien tropen) en ook acht specifieke tropen gericht tegen het begrip 'causaliteit'.
Het 'empirisch' scepticisme van Menodotus van Nicomedia en Sextus EmpiricusSextus empiricus heeft ook veel bijdragen geleverd aan het pyrronisme, beiden arts uit de 2e eeuw na Chr. Deze vorm van scepticisme dankt zijn naam aan het empirisch handelen van artsen: men baseert zich op de waarneming van het verloop van de ziekte en de eventuele uitwerking van een geneesmiddel, zonder zich te bekommeren om oorzaken. Deze sceptici hanteren het begrip 'teken'. Maar dan niet zoals dogmatische filosofen dit doen (voor wie er tekens bestaan die verwijzen naar iets dat we niet op een andere manier kennen, bijvoorbeeld God, of atomen), maar minder pretentieus: rook is een teken dat naar brand verwijst, het woord 'Athene' verwijst naar de stad die ik ken. Atomisme thumb|Leucippus Ook het atomisme van Leucippus en Democritus bevat een uitgewerkte kennisleer, later verder ontwikkeld door Epicurus. Het atomisme leert dat alles opgebouwd is uit eeuwige en onveranderbare atomen, die enkel verschillen in vorm en grootte. De objecten die wij zien zijn slechts groepen van toevallig aan elkaar geklitte atomen. Dit riep echter de vraag op hoe wij dan nog dingen kunnen kennen, vooral zaken als kleuren en geuren, die volgens het Griekse atomisme geen materiële basis hadden (geen atomen waren).
Democritus antwoordt daarop dat alle voorwerpen voortdurend een soort beeldjes (eidôla) afscheiden, waarin de structuur van de atomen nog vervat zit. Onze waarneming, en vervolgens onze kennis, van de objecten wordt veroorzaakt doordat onze zintuigen deze beeldjes opvangen. We zien dus de atomen niet direct, maar indirect, via deze beeldjes. Atomen zelf zijn niet bitter, zoet of rood, maar dat effect ontstaat door onze zintuigen. Op deze wijze maakt Democritus dus als eerste een onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen. Naast deze beeldjes ruimt Democritus ook plaats in voor het verstand als zetel van de kennis. Immers, op basis van onze waarneming kunnen we iets oneindig kleins als een atoom niet kennen; dat kan slechts via het verstand, hoewel ook de empirie hierin een rol speelt. & & (red.), The Atomists, Leucippus and Democritus: Fragments : a Text and Translation with a Commentary, University of Toronto Press, 1999, p. 143, bezocht op 18-06-2012., "Democritus", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, (red.), bezocht op 18-06-2012.
Epicurus bouwt op deze opvattingen verder., "Ancient Atomism", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, (red.), bezocht op 18-06-2012. Om zijn epicurisme, dat ook uitgaat van atomen, te funderen gaat Epicurus op zoek naar onbetwijfelbare uitgangspunten. Deze zekere fundamenten vond hij in de waarneming: de voorwerpen die wij zien geven hun echte structuur aan ons door, wat blijkt uit het feit dat we vaak juist over hen oordelen. Net als Democritus verklaart hij de waarneming via de eerder genoemde beeldjes en stelt dat ze onbetwijfelbaar is: "elke waarneming is waar" volgens Epicurus; ze wordt veroorzaakt door iets dat werkelijk bestaat in de wereld. Op basis van deze waarnemingen velt de mens vervolgens oordelen, die op hun beurt wel betwijfelbaar zijn. We kunnen echter, zo stelt Epicurus, altijd via hernieuwde waarneming (terugkoppeling) controleren of het gevelde oordeel aan de werkelijkheid beantwoordt. Zo betoonde hij zich een rasechte empirist.