De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap is een uit 1318 daterende broederschap in de Brabantse stad 's-Hertogenbosch. Sinds de Reformatie bestaat het genootschap uit achttien katholieke en achttien protestantse leden die van oudsher een vooraanstaande maatschappelijke positie innemen. De broederschap "draagt zorg voor haar eeuwenoude materiële en immateriële cultureel erfgoed, bevordert de onderlinge christelijke saamhorigheid en de broederlijke band, en houdt daarbij steeds oog voor de ontwikkelingen en problemen in de moderne tijd".Informatie over de Broederschap op de website van het Zwanenburgershuis 'Illustre' betekent hier beroemd en heeft betrekking op de Zoete Moeder Maria. Het genootschap is gevestigd in het Zwanenbroedershuis in 's-Hertogenbosch, dat tevens een museum is. Op het zegel van de broederschap is vermeld Sicut lilium inter spinas. (Als een lelie onder de doornen ) Dit verwijst naar het Hooglied.

Geschiedenis De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap werd begin 14e eeuw opgericht door een aantal Bossche 'clerici et scolares' (geestelijken en aspirant-geestelijken) ter ere van de Illustere Lieve Vrouwe ofwel Maria. Aanleiding daarvoor was de opkomende Mariaverering in de stad. De broederschap werd in 1318 van statuten voorzien en door de bisschop van Luik erkend.

Broeders en buitenleden De broederschap sloot niemand bij voorbaat uit als lid hoewel de statuten zich sterk op clerici richtten. Nergens in de statuten was vermeld dat alleen clerici lid mochten worden. De clerici werden de gezworen broeders genoemd omdat zij een eed op het evangelie hadden afgelegd. Gezworen broeder werd men uitsluitend op uitnodiging en men moest minimaal de kruinschering hebben ondergaan. Een wijding was niet noodzakelijk. Kinderen van zeven jaar konden al de tonsuur krijgen. Bij de aanvang van het lidmaatschap dienden de gezworen broeders een entree en een doodschuld te betalen. Zij behoorden over het algemeen tot de elite van de samenleving. Niet iedere clericus kon dus lid worden.

Vanaf ongeveer 1340 werden ook anderen toegelaten. Er worden dan ook vrouwen als lid vermeld. Vaak zullen het vrouwen van clerici geweest zijn, maar ook alleenstaande dames kregen het lidmaatschap. Deze tweede groep werd aangeduid als de buitenleden. Zij legden geen eed op het evangelie af, maar dienden eveneens een entree en een doodschuld te betalen. Tot begin vijftiende eeuw waren de meeste buitenleden afkomstig uit 's-Hertogenbosch en omgeving. Daarna was er een explosieve groei van het het aantal buitenleden uit de wijde omgeving van 's-Hertogenbosch en andere delen van Europa.

Voor het heil van al haar leden – inclusief de buitenleden – droeg de groep gezworenen één keer per week een mis op in de eigen Broederschapskapel in de Sint-Janskathedraal, de huidige H. Sacramentskapel. Deze kapel is rijkelijk versierd en nog steeds te bezichtigen. Daarnaast kwamen de gezworenen meerdere keren per jaar bijeen om te vergaderen en was het gebruik dat iedere gezworene eens in de zoveel tijd een maaltijd voor zijn medebroeders organiseerde en gastheer was. De onderwerpen betroffen onder andere: de verering van Maria en de armenzorg. Ook leverde de Broederschap vanaf de 14e eeuw een bijdrage aan de ontwikkeling van 's-Hertogenbosch als belangrijk centrum van laat-middeleeuwse muziek.

Zwanenbroeders Vanaf 1384 is zwaan als gerecht te vinden op tafel bij de gezamenlijke maaltijden van de gezworen broeders. De vogels werden meestal geschonken door een lid van de hoge adel. Deze schenkers kregen sinds 1488 de naam Zwanenbroeder. Inmiddels konden ook edellieden van binnen en buiten de stad lid worden van de steeds prestigieuzer geworden broederschap. Korte tijd later werd het schenken van een zwaan losgekoppeld van de titel Zwanenbroeder. Ook de Zwanenbroeders konden ver van 's-Hertogenbosch wonen. Zij waren vrijgesteld van de verplichtingen van de gezworen broeders zoals het aanwezig zijn bij diensten in de kapel. Ook zij dienden een entree en een doodschuld te betalen.

Officieel konden sinds 1520 slechts vier personen tegelijkertijd Zwanenbroeder zijn en moesten ze uit de stad afkomstig zijn. Deze regeling verwaterde echter spoedig. Ook Willem van Oranje werd lid. Tegenwoordig is 'Zwanenbroeder' een eretitel waarvoor alleen vorstelijke personen in aanmerking komen. Prinses Juliana en Prins Bernhard waren Zwanenbroeders. Onder de huidige leden van de Broederschap bevinden zich Prinses Beatrix en koning Willem-Alexander. Zij zijn de enigen die de titel Zwanenbroeder mogen voeren.

Dagelijks bestuur thumb|Inschrijvingen van nieuwe leden van de broederschap, onder wie de schilder Jheronimus Bosch Twee proosten, een oudste en een jongste proost, vormden het dagelijks bestuur van de broederschap. Dat waren altijd gezworen broeders. De oudste proost was verantwoordelijk voor het opstellen van de rekening van dat jaar. De jongste proost keek mee en was het jaar daarop de oudste proost. Deze constructie zorgde voor continuïteit. De financiële administratie werd echter steeds omvangrijker en eind vijftiende eeuw neemt de broederschap ook een eigen rentmeester in dienst. Leden van de broederschap konden ook ver buiten 's-Hertogenbosch en omgeving wonen. De broederschap organiseerde daarom ook een netwerk van zaakwaarnemers die de financiële en administratieve taken buiten 's-Hertogenbosch en omgeving behartigden. Zij dienden daar te zorgen voor de inning van met name entreegelden en doodschuld.

Muzikale activiteiten thumb|Pieter Bruegel de Oude 1560 .De Matigheid. Geheel rechts een orgeltrapper die het orgel met een blaasbalg van wind voorziet thumb|Twee bladen van de codex Smijers met een vierstemmig lied in kwadraatnotatie dat voor een deel Latijns en voor een deel Nederlands is. Voor een deel vervaardigd door Philippus de Spina. Circa 1535 De Zuidelijke Nederlanden waren in de vijftiende en zestiende eeuw de belangrijkste regio voor muzikale opleiding in Europa en zowel artistiek als cultureel in volle bloei. De broederschap heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Uit de bewaard gebleven rekeningen blijkt dat de broederschap er veel voor over had om hoog kwalitatieve muzikanten en vooral zangers te verkrijgen en zo lang mogelijk vast te houden. Veel zangers uit andere Europese landen hadden belangstelling voor een dienstverband bij de broederschap. Grootheden als Benedictus Appenzeller bezochten 's Hertogenbosch om mee te zingen bij het koor daar en hadden belangstelling om voor de broederschap te componeren. Een leerling van Appenzeller, Gheerkin de Hondt, was als zangmeester en componist in dienst van de broederschap van 1539 tot in 1547. De componist Pierre de la Rue was drie jaar bij de broederschap in dienst. De broederschap was ook een goede werkgever. Iedere week werd trouw werd het loon uitbetaald. Voor een zanger of muzikant in problemen werden actief passende oplossingen gezocht.

De broederschap vierde de vespers en mis op dinsdag en woensdag. Aan de viering van de liturgie werden bijdragen geleverd door een groep zangers. Zij verzorgden het gezongen deel van die liturgie. In de zestiende eeuw bestond de groep zangers uit gemiddeld zeven betaalde professionele zangers. Daarnaast waren er enkele koralen in dienst. Dat waren jongens die de sopraanpartijen zongen. Er waren daarnaast twee intoneerders, voorzangers, die de koorgebeden en misgezangen inzetten. De zangmeester was de primus inter pares van het koor. De zangers waren verder aanwezig bij een aantal hoogtijdagen, zoals de zes Mariafeesten die de broederschap jaarlijks vierde en bij de vier jaarlijkse herdenkingsdiensten voor overleden leden van de broederschap. Deze werden herdacht met vespers en een mis. Daarnaast waren er ook persoonlijke herdenkingsdiensten voor een aantal overleden gezworen broeders en zwanenbroeders. De zangers waren ook actief tijdens minimaal vier jaarlijkse processies in de stad en tijdens de jaarlijkse negen à tien gezamenlijke maaltijden van de gezworen broeders die feitelijk het karakter van een vergadering hadden. Het lof werd vrijwel iedere avond gezongen. Hiernaast had de broederschap een organist en een orgeltrapper in dienst die moest zorgen dat het orgel voldoende wind kreeg. Tevens was een beierman in dienst. Die had de beschikking over een eigen klokkenspel van de broederschap dat bespeeld werd om duidelijk te maken dat er in de broederschapskapel een bijeenkomst werd gehouden. Vanaf ongeveer 1500 kon het klokkenspel bespeeld worden via een klavier. Gedurende een aantal jaren waren ook instrumentalisten bij de broederschap in dienst. Het betrof stadspijpers die blaasinstrumenten als de trompet en de zink bespeelden en daarmee de zangers begeleidden. thumb| Het begin van de mis Cum Jocunditate (Met beminnelijkheid) van Pierre de la Rue uit het handschrift 's HerAB 72 B, een van de drie bewaard gebleven Alamire-koorboeken van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Rond 1530 De broederschap was actief in het verkrijgen van bladmuziek en specifieke composities. Zoals overal in de Nederlanden is maar een klein deel van de bladmuziek van die periode bewaard gebleven. Daaronder zijn drie handschriften, koorboeken, die afkomstig zijn uit het atelier van Petrus Alamire. Nog eens drie koorboeken zijn van de hand van Philippus de Spina die in meerdere hoedanigheden en functies 35 jaar in dienst was bij de broederschap. Het zevende handschrift is bekend onder de naam Codex Smijers en bevat naast meerstemmige liederen ook het eenstemmige gregoriaans. Daarnaast zijn er twee gedrukte werken bewaard gebleven. De eerste is de Octo missae, gecomponeerd door George de La Hèle en gedrukt door Christoffel Plantijn. Het misboek is een polyfoon werk: vier missen zijn vijfstemmig, twee zesstemmig en twee zevenstemmig. De la Hèle verwerkte motieven van andere componisten in het werk: Orlando di Lasso, Cypriano de Rore, Thomas Crecquillon en Josquin des Prez. Het worden dan ook parodiemissen genoemd. De pagina’s zijn 55 centimeter hoog en 40 centimeter breed. Het is een van de topstukken uit de carrière van Plantijn als drukker. Het exemplaar in het archief van de broederschap is er een van slechts in totaal acht bewaard gebleven exemplaren. Het tweede gedrukte werk betreft het Liber I Missarium van Philippus de Monte dat zeven misssen bevat en is ook bij Plantijn gedrukt.

Periode tot 1629 De broederschap speelde een belangrijke rol in de distributie van aflaten, die ze van paus en bisschoppen ontving en die ze met haar leden – zowel gezworenen als buitenleden – deelde. Tussen 1460 en 1530 kende de Broederschap een bloeiperiode, waarin zich jaarlijks honderden buitenleden aanmeldden. Deze nieuwe leden (onder wie bijv. Jheronimus Bosch) kwamen niet alleen uit 's-Hertogenbosch, maar ook van elders; zo meldden zich veel Spanjaarden aan, vaak hoge ambtenaren, die met het gevolg van de landsheer, Filips de Schone en later Karel V, naar de Nederlanden waren gekomen.Van Dijck (2001): p. 65. Rond 1510 had de broederschap ongeveer 15.000 leden.

Door deze groei beschikte de broederschap over steeds meer geld. Dit geld werd gebruikt voor grote opdrachten, zoals het gebeeldhouwde Broederschapsretabel van de Utrechtse beeldhouwer Adriaen van Wesel, dat in 1477 voltooid werd en waarvan zich tegenwoordig twee fragmenten in het Zwanenbroedershuis bevinden. Tegen het eind van de middeleeuwen was de broederschap een instelling, die wij nu een sociëteit zouden noemen, zij het nog steeds met een sterk religieuze inslag.Van Dijck (2001): pp. 51-52.

Na de val van 's-Hertogenbosch