De doodshoofdvlinder, ook wel doodskopvlinder of doodshoofdpijlstaart (Acherontia atropos), is een vlinder uit de familie pijlstaarten (Sphingidae). Zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam zijn afgeleid van de op een schedel lijkende vlek op het borststuk.
De vlinder is verder te herkennen aan het relatief grote en dikke lichaam en de duidelijk zichtbare klauwtjes aan de poten. De vlinder is een van de grotere pijlstaartvlinders en bereikt een lichaamslengte van ongeveer zeven centimeter. De spanwijdte van de vleugels is bijna het dubbele. De voorvleugels zijn aan de bovenzijde bruin gekleurd, de onderzijde van de voorvleugels en de achtervleugels zijn geel van kleur met donkere strepen en vlekken. Ook de ongeveer 12 centimeter lange rups valt op door het groene tot gele lichaam met blauwe tot paarse schuine dwarsstrepen.
De doodshoofdvlinder heeft een natuurlijk verspreidingsgebied dat voornamelijk delen van Afrika en Azië beslaat. Het is een trekvlinder die in de zomer noordwaarts vliegt en enorme afstanden kan afleggen. De doodshoofdvlinder komt dan in Europa voor tot in Scandinavië en wordt ook jaarlijks in Nederland en België waargenomen. De vlinder is echter niet in staat zich te handhaven in deze noordelijke gebieden.
De doodshoofdvlinder leeft als rups van planten, maar eenmaal volwassen eet hij vooral zoetigheden zoals nectar en honing, en dringt daarvoor de nesten van honingbijen binnen. De vlinder wordt echter niet zelden door de bijen doodgestoken en uit het nest gewerkt. Het komt ook voor dat de vlinder wordt gedood en vervolgens wordt ingemetseld binnen het nest.
Als een doodshoofdvlinder wordt verstoord, piept hij luid om zijn belager af te schrikken. Ook de rups is in staat om een afweergeluid te maken dat bestaat uit klikkende geluiden die met de kaken worden geproduceerd. De rups kan tevens gemeen bijten als het dier wordt opgepakt, de volwassen vlinder echter is geheel weerloos.
Naamgeving thumb|Exemplaar met duidelijk zichtbare doodshoofdtekening
De doodshoofdvlinder dankt zijn naam aan de typische lichte vlek op het borststuk die aan de bovenzijde breder is en waarin twee donkere vlekken staan. Deze configuratie lijkt met enige fantasie op het vooraanzicht van een menselijke schedel. Ook in andere talen verwijst de naam vaak naar de karakteristieke tekening van het borststuk, zoals in het Duitse Totenkopfschwärmer, het Engelse death's-head hawkmoth, en het Franse sphinx tête de mort.
In andere talen worden alle drie de soorten uit het geslacht Acherontia wel als "doodshoofdvlinders" aangeduid, maar in de Nederlandse taal wordt de naam alleen gebruikt voor de hier beschreven soort.
De wetenschappelijke naam van de doodshoofdvlinder werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus als Sphinx atropos in de tiende editie van Systema naturae.Linnaeus, C. (1758). Systema naturae ed. 10: 490Linnaeus citeert 1 publicatie van zichzelf (Amoen. acad. 3. p.321 = Amoenitates academicae, deel 3 (1752): 321), waarin de soort als Phalaena caput mortuum [letterlijk doodshoofdvlinder] voorkomt, en 6 publicaties van andere auteurs: Alb. ins. t.6. (Albin, E., 1720. A natural history of English insects: t.6), Réaum. ins. 2. t.24. (Réaumur, [R. A. Ferchault] de, 1736. Mémoires pour servir à l'histoire des insectes. Tome second: t.24), Osbeck it. 89 (Osbeck, P., 1757. Dagbok öfwer en ostindisk resa åren 1750. 1751. 1752), Wilk. pap. 9. t.1 (Wilkes, B., 1749. The English moths and butterflies: together with the plants, flowers and fruits whereon they feed, and are usually found.), Hasselqu. it. 417 (Hasselquist, F., 1757. Iter Palaestinum eller resa til heliga landet, förrättad ifrån år 1749 til 1752), en Roes. ins. 3. t.1-2 (Rösel, A.J., 1755. Der monatlich-herausgegebenen Insecten-Belustigung dritter Theil: t.2). In de Amoenitates noemt hij alleen de publicatie van Réaumur; de oudste referentie in Systema naturae is de publicatie van Albin, uit 1720. De soort wordt tegenwoordig niet meer geplaatst in het geslacht Sphinx, dat nu bestaat uit bijna 50 grote, gelijkende soorten zoals de dennenpijlstaart (Sphinx pinastri).
De wetenschappelijke naam Acherontia atropos verwijst naar verschillende met de dood geassocieerde onderwerpen uit de Griekse mythologie. De geslachtsnaam Acherontia verwijst naar de mythische 'rivier van de pijn', Acheron. De soortaanduiding atropos verwijst naar Atropos, een van de drie schikgodinnen. Atropos is degene die iemands draad afknipt als zijn tijd gekomen is, waarna de met de levensdraad verbonden persoon sterft.
Andere combinaties Manduca atropos (, 1758)Tutt, J.W. (1904). A natural history of the British Lepidoptera 4: 398.
Synoniemen Atropos solani , 1815 Acherontia sculda , 1877 Manduca atropos conjuncta , 1904 Manduca atropos extensa , 1904 Manduca atropos flavescens , 1904 Manduca atropos imperfecta , 1904 Manduca atropos intermedia , 1904 Manduca atropos obsoleta , 1904 Manduca atropos suffusa , 1904 Manduca atropos variegata , 1904 Manduca atropos virgata , 1904 Acherontia atropos violacea , 1905 Acherontia atropos charon , 1910Closs, G.A. (1910). Zwei neue Sphingidenformen Berliner entomologische Zeitschrift 54: 224. Acherontia atropos diluta , 1911Closs, G.A. (1911). Zwei neue Sphingidenformen in meiner Sammlung Internationale entomologische Zeitschrift 5: 199. Acherontia atropos obscurata , 1917Closs, G.A. (1917). Neue Formen aus der Familie der Sphingidae Internationale entomologische Zeitschrift 11: 153. Acherontia atropos myosotis , 1919 Acherontia atropos confluens , 1925 Acherontia atropos moira , 1925 Acherontia atropos septentrionalischinensis , 1932 Acherontia atropos pulverata , 1953 Acherontia atropos radiata , 1953 Acherontia atropos griseofasciata , 1959
Verspreidingsgebied thumb|Verspreidingsgebied van de doodshoofdvlinder in het rood hele jaar, in het oranje in de zomer als trekvlinder De doodshoofdvlinder heeft een groot verspreidingsgebied dat uit twee delen bestaat. Zijn eigenlijke verspreidingsgebied ligt in tropisch Afrika, zuidwestelijk Azië en uiterst zuidelijk Europa. In Afrika komt de soort voor in het uiterste zuiden: Zuid-Afrika, Lesotho, Namibië en zuidelijk Botswana, en ook op het oostelijke eiland Madagaskar komt de soort voor. In een brede band van zuidelijk Angola tot Zimbabwe ontbreekt de vlinder; hierboven, van noordelijk Angola tot noordelijk Mozambique komt de vlinder wel voor en het verspreidingsgebied loopt noordelijk tot ongeveer de grens Senegal-Nigeria-Centraal-Afrikaanse Republiek en Ethiopië. In een groot gebied rond de Sahara komt de doodshoofdvlinder niet voor om pas weer op te duiken in noordelijk Afrika: Marokko, Tunesië, noordelijk Libië en Egypte, waar de vlinder in een smalle strook tot in Soedan te vinden is in de Nijldelta.
Op het Arabisch Schiereiland komt de doodshoofdvlinder in het overgrote deel voor en ontbreekt alleen in het uiterste zuidoosten.
Het noordelijkste deel van het verspreidingsgebied beslaat zuidelijk Europa, uiterst zuidelijke delen van Spanje, Portugal, Italië en Griekenland, via zuidelijk Turkije tot het zuiden van de Kaspische Zee. In al deze gebieden komt de doodshoofdvlinder het gehele jaar voor en kent twee generaties.
Trekvlinder De doodshoofdvlinder is een goede vlieger, het is een van de snelste soorten insecten. De doodshoofdvlinder kan een topsnelheid van 54 kilometer per uur bereiken. Alleen libellen zijn nog sneller tot 58 km/h. De vlinder is een bekende trekvlinder die duizenden kilometers af kan leggen. In Europa kan de soort in de zomer tot in Scandinavië worden aangetroffen.
Het verspreidingsgebied binnen Europa strekt zich uit van noordelijk tot in Groot-Brittannië en Scandinavië, en zelfs tot in IJsland is de vlinder aangetroffen. Met name in het noorden van Europa is het veel te koud voor de pop om zich tot vlinder te ontwikkelen. De doodshoofdvlinder is hier alleen als trekvlinder bekend. Soms slaagt een vlinder er toch in om een volgende generatie te ontwikkelen in de zomer, maar in de winter maakt de pop hier weinig kans. Vrouwtjes die in noordelijke gebieden uit de pop kruipen, zijn in de regel onvruchtbaar.
De doodshoofdvlinder is niet de enige vlinder die eigenlijk leeft in warmere streken rond de evenaar maar in de zomer tot in noordelijk Europa te vinden is. Een dergelijk trekgedrag is ook bekend van andere vlinders zoals de windepijlstaart. Van andere vlinders is bekend dat ze wegtrekken om te overwinteren, zoals de monarchvlinder (Danaus plexippus). Dergelijke soorten trekken echter naar warmere streken gedurende de koudere maanden van het jaar. De doodshoofdvlinder echter trekt in de zomer naar koudere gebieden waar de dieren zich niet goed kunnen voortplanten. De reden van de soms massale jaarlijkse trek naar het noorden is niet precies bekend.
Uiterlijke kenmerken thumb|Onderzijde van een doodshoofdvlinder met de belangrijkste lichaamskenmerken. De doodshoofdvlinder is binnen de familie van de pijlstaarten (Sphingidae) een van de grotere soorten. De soorten uit deze familie Pijlstaartvlinders zijn snelle vliegers met een gestroomlijnd lichaam en relatief smalle vleugels. Veel soorten kunnen stil hangen in de lucht terwijl ze uit bloemen drinken. De vliegwijze kost echter veel energie waardoor de pijlstaartvlinders efficiënt moeten foerageren om zo snel aan veel voedsel te komen. De doodshoofdvlinder wordt gezien als een specialist binnen de familie vanwege het vermogen tot het roven van honing uit het nest van bijen. Dit riskante gedrag is maar van enkele vlinders bekend.
De doodshoofdvlinder is een grote, forsgebouwde vlinder. De voorvleugels van deze soort hebben een spanwijdte van 11 tot 13,5 centimeter. De doodshoofdvlinder is de zwaarste vlinder die in Nederland voorkomt en het is daarnaast ook een van de grootste soorten.
Kop De kop heeft grote facetogen, die een groot deel van het oppervlak van de kop beslaan. De ogen zijn zwart van kleur en rond van vorm, ze doen enigszins kraalachtig aan. Ze bestaan uit kleine individuele oogjes die tezamen een beeld vormen; deze oogcellen worden ommatidiën genoemd. De antennes zijn lang en dun, dit wordt ook wel draadvormig of filiform genoemd. De antennebasis is smaller dan de rest van de antenne. De antenneleden zijn relatief kort. De antennes zijn bruin tot zwart van kleur. Aan de uiteinden echter zijn de antennes veel lichter tot wit van kleur. Het antenne-uiteinde is niet verdikt maar loopt juist uit in een dunner en gekromd einde.
Borststuk Het borststuk is net als de rest van het lichaam voorzien van een dichte beharing. Het borststuk is grotendeels bruin van kleur. De haren op het midden van het borststuk zijn echter lichter tot witgeel van kleur en hebben een vast patroon. De vlek van de doodshoofdvlinder is vanwege de positie op het borststuk altijd zichtbaar en lijkt bij vrijwel alle exemplaren duidelijk op een schedel. Het borststuk is in drie delen of segmenten verdeeld. Aan het borststuk zijn aan de bovenzijde twee paar vleugels gehecht aan de achterste twee segmenten, gezien vanaf de kop. Aan de onderzijde draagt het borststuk drie paar poten, steeds één paar per segment.
Vleugels De voorvleugels zijn grijsbruin tot donkerbruin of zwart met grillige lichtbruine tot witte tekeningen. De onderzijde van de vleugels is oranje tot geel met twee donkere dwarsbanden; één aan de vleugelrand en de andere parallel hieraan in ongeveer het midden van de vleugel.