thumb|Slag bij Crécy (1346) tijdens Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland. thumb|De Slag bij Hastings op het tapijt van Bayeux (ca. 1068). thumb|Het Gravensteen in Gent is de enig overgebleven middeleeuwse burcht in Vlaanderen met een vrijwel intact verdedigingssysteem. Middeleeuwse oorlogsvoering is de wijze van oorlog voeren in de middeleeuwen. In Europa leidden na de klassieke oudheid culturele en sociale ontwikkelingen tot een dramatische transformatie in de aard van oorlogsvoering, in het bijzonder in de militaire tactiek en de rol van cavalerie en artillerie. Vergelijkbare veranderingen vonden elders in de wereld plaats. In China dateerden wapens die gebruikmaakten van buskruit al uit de tiende eeuw. De eerste permanente Chinese zeemacht ontstond in het begin van de twaalfde eeuw, onder de Song-dynastie.
In het Midden-Oosten en Noord-Afrika gebruikte men gelijkaardige methoden en uitrusting als de volkeren in Europa, en er was een belangrijke mate van uitwisseling van technologie en tactische wederzijdse aanpassing tussen de verschillende culturen. In Afrika in de Sahel en Soedan gebruikten staten als het sultanaat Sennar en het Fulanirijk middeleeuwse tactiek en wapens tot het einde van de negentiende eeuw. In India werden de Chola's een belangrijke zeemacht in de Indische Oceaan, waardoor ze in staat waren Sri Lanka te veroveren.
Belangrijkste ontwikkelingen Velen beschouwen de Tweede Slag bij Adrianopel (378) als het einde van de militaire dominantie van het Romeinse Rijk en het begin van de middeleeuwen. In deze slag kwam de superioriteit van cavalerie over traditionele voetstrijders naar voren, wat mede het karakter van middeleeuwse oorlogsvoering in de volgende eeuwen zou beïnvloeden.
Wellicht de belangrijkste technologische verandering was de introductie van de stijgbeugel, die in Europa verscheen in de achtste eeuw, maar toen al in gebruik was in China en het Midden-Oosten. De stijgbeugel opende samen met het fokken van paarden en de ontwikkeling van ijzer- en staalproductie de deur voor de ontwikkeling van een veel sterkere cavalerie. Eerdere volken zoals de Romeinen gebruikten bereden krijgers vooral als lichtbewapende verkenners en hulptroepen, maar de stijgbeugel bracht cavalerie naar de voorgrond, omdat ruiters door de stijgbeugel in staat waren op doeltreffender wijze de lans te voeren, en ver zijwaarts te leunen bij het hanteren van een wapen. In Europa kreeg de zwaarbewapende ridder de hoofdrol op het slagveld; in Mongolië speelde de lichtbewapende bereden boogschutter die rol. In China en het Midden-Oosten was de hoofdmacht van het leger een combinatie van ruiters en voetvolk.
Oorlogsvoering spitste zich toe op kleine elitetroepen van bereden krijgers met een zeer kostbare uitrusting. Dit was zowel het gevolg van als een bijdragende factor tot de sociale orde van de middeleeuwen. Een bereden krijger had veel training nodig om zijn vaardigheid op peil te brengen en te houden en was dus, in tegenstelling tot de vroegere burgerlegers, een professional. Dit leidde tot de verdeling van de maatschappij in een hoge klasse van edelen en een grote massa gemeenvolk. Deze feodale edelen vormden al snel een belangrijke macht binnen de zwak gecentraliseerde staten.
Dit maakte het op zijn beurt moeilijker om grote, goed geoefende en georganiseerde strijdkrachten te hebben, zoals de Romeinse legioenen. De grote meerderheid van de middeleeuwse legers bestond uit opgeroepen boeren of huurlingen. In sommige gebieden, zoals het laatmiddeleeuwse Engeland en Scandinavië of het vroegmiddeleeuwse Spanje, vormde de vrije boerenstand redelijk goed uitgeruste infanterie-eenheden. Net zoals de Romeinse opgeroepen burgerlegers vereisten deze troepen echter ervaring en training om werkelijk nuttig te zijn in oorlogstijd. Ook het einde van middeleeuwse oorlogsvoering werd overigens teweeggebracht door technologische en sociale veranderingen. Een heropleving van de macht van centrale overheden zou leiden tot de opkomst van staande legers, of halfstaande legers, zoals de Franse Compagnies d'ordonnance.
Strategie en tactiek Ontplooiing van de strijdkrachten Europa was cultureel zeer divers, en de vele gebieden hadden elk hun eigen stijl. Engelse en Amerikaanse studies van middeleeuwse oorlogsvoering gaan voornamelijk over Engelse en Franse oorlogsvoering. Engelse en Franse middeleeuwse legers konden worden opgedeeld in drie 'batallions' of 'battles': de voorhoede, het centrum en de achterhoede. De voorhoede bestond vaak uit boogschutters en mogelijk andere wapens met groot bereik, zoals slingers en een enkele katapult; het centrum bestond uit infanterie en gepantserde cavalerie (ridders) en de achterhoede uit beweeglijker cavalerie.
Gewoonlijk werd ook in die volgorde gemarcheerd, en de drie gevechten ontplooiden zich op het slagveld met de voorhoede rechts, het centrum in het midden en de achterhoede links. Naarmate legermachten echter groter en moeilijker te sturen werden, ontplooiden ze zich pas bij hun aankomst op het veld. Elke sectie ontplooide zich ofwel in lijn-, ofwel in blokformatie. Een lineaire formatie had het voordeel dat alle soldaten bijna onmiddellijk deel konden nemen aan het gevecht (vooral die met langbogen en kruisbogen. Een nadeel was dat een aanval met de cavalerie zo'n lineaire formatie makkelijk kon verbreken. Een blokformatie was gewoonlijk robuuster, maar zorgde ervoor dat soldaten achteraan minder snel konden deelnemen aan het gevecht (of helemaal niet, zoals in de Slag bij Azincourt). Blokformaties hadden het voordeel nog reserves achter de hand te hebben in het geval een van de krijgers in de frontlinie gewond zou raken en waren doorgaans vrij moeilijk te doorbreken, vooral als het leger goed getraind was.
Oost-Europese legers hadden gewoonlijk veel bereden boogschutters en adellijke cavalerie. De edellieden vormden lichte, bepantserde speercavalerie, tot de legers werden verwesterd, zoals de Poolse ridders, 'rycerze', die op hun hoogtepunt misschien wel de beste ridders waren in Europa. De bereden boogschutters waren deels beïnvloed door de Magyaren die zich in Hongarije vestigden tijdens de volksverhuizingen. De lichte cavalerie was ook zeer efficiënt tegen de gelijkaardige Mongoolse cavalerie en later de Gouden Horde. De zware cavalerie was uitgerust met een borstkuras en later een vol harnas. De lichte cavalerie droeg een leren wapenrusting of een borstkuras als ze zich die konden veroorloven. Oost-Europa bracht ook degelijke voetboogschutters voort ten gevolge de lange traditie van bereden boogschieten, maar beschikte doorgaans over een zwakke zwaardere infanterie, gewoonlijk met speer of bijl bewapende hulptroepen.
Cavalerie kon op diverse wijzen georganiseerd worden, afhankelijk van de situatie. Hoewel een ongeorganiseerde troep ruiters zonder twijfel effectief was, werd een cavalerie in een strakke formatie met lansen pas echt een verwoestende strijdmacht. De meest gebruikelijke formatie was de linie. De ruiters ordenden zichzelf op een lange rij, gewoonlijk drie of vier rijen diep. Goed getrainde infanterie was echter soms in staat zulk een aanval te weerstaan, met als gevolg dat sommige ruiterbendes zich in plaats daarvan ontplooiden in een wigformatie. De paarden werden geordend in een grote driehoek, met de zwaarst gepantserde cavalerie vooraan. Vaker wel dan niet stortte zo'n formatie echter in zodra ze in contact kwam met de vijandelijke infanterielinie, waardoor een aanval van de infanterie naar binnen kon dringen en de overblijvende ruiters uit elkaar doen stuiven.
Naarmate cavalerie de dominante sectie werd op het slagveld, werd het ook noodzakelijk om manieren te bedenken om haar te weerstaan. Een veelgebruikte methode was het inzetten van pieken, speren met een lengte van soms wel zes meter. Wanneer de cavalerie aanviel, ordenden de piekeniers zich in een strakke vierkant- of cirkelformatie, waardoor paarden niet te diep in de infanterie kon doordringen (paarden zullen nooit recht op een muur van speren af lopen). Met behulp van een groot blok piekeniers dat de achterhoede en de flanken verdedigde, konden legers zich in een strategische positie manoeuvreren zonder te worden afgesneden.
Een andere methode die vooral gebruikt werd door de Engelsen was het inzetten van massale hoeveelheden boogschutters. De typisch Engelse longbow was een vernietigend wapen in de handen van een expert, en de Engelsen ontdekten dat het door duizenden boogschutters tegelijk te laten vuren voor de vijand onmogelijk werd om op welke manier dan ook frontaal aan te vallen met cavalerie of lichte infanterie. In de Honderdjarige Oorlog vertelden verschillende Franse ridders achteraf hoe ze zagen hoe "de dag veranderde in nacht door de wolk pijlen die kwam neersuizen". Na meerdere salvo's naar de vijandelijke linie hoefde de Engelse infanterie slechts op het veld gestuurd te worden om de vijand af te maken.
Inzet van de strijdkrachten Ervaring en beweeglijkheid van middeleeuwse legers verschilden sterk, afhankelijk van de plaats en de periode. Bij grotere veldslagen bestond voorafgaande planning gewoonlijk uit een raadsvergadering van de oorlogsleiders, waarbij ofwel de generaal eenvoudig het strijdplan oplegde, ofwel een heel debat ontstond tussen de verschillende legerleiders, afhankelijk van de autoriteit van de generaal. Communicatie op het slagveld was voor de opkomst van strikte communicatielijnen natuurlijk heel erg moeilijk. Er werd gebruikgemaakt van muzikale signalen, hoorbare commando's, boodschappers of visuele signalen zoals het heffen van een standaard, banier of vlag.
De infanterie werd gewoonlijk ontplooid bij het begin van het gevecht om de vijandelijke infanterieformaties te doorbreken; de cavalerie probeerde zijn eigen tegenstanders te verslaan. Wanneer één kant de overhand kreeg in cavalerie (of die al van bij het begin had), kon die proberen het verlies aan samenhang in de vijandelijke infanterie dat was veroorzaakt door de gevechten van het voetvolk te gebruiken in haar eigen aanval op de infanterie, in een poging deze af te snijden van de rest van het vijandelijke leger. Vaak was dit echter een bijna onmogelijke taak, en timing was van essentieel belang, want als de vijandelijke infanterie tijd genoeg had om zich te herformeren in een lijnformatie, kon ze vaak de aanval van de cavalerie afslaan. Conflicten van enkel infanterie waren gewoonlijk erg langdurig.
Kanonnen werden voor het eerst op het slagveld gebruikt in de late middeleeuwen. Hun povere vuursnelheid (vaak werd in de loop van een hele veldslag slechts één schot afgevuurd) en hun onnauwkeurigheid maakten het kanon echter meer een psychologisch dan een antipersoonswapen.
Later in de middeleeuwen kwamen ook handkanonnen in zwang. De vuursnelheid ging hierdoor maar lichtjes omhoog, maar het werd wel eenvoudiger om deze kanonnen te richten, voornamelijk omdat ze kleiner waren en dichter bij degene die ze hanteerde. Handkanonniers konden makkelijk verdedigd worden, aangezien de wapens kleiner waren en veel sneller konden worden verplaatst. Toch werd echte veldartillerie pas echt vaak ingezet vanaf de vroegmoderne periode.
Terugtocht Een overhaaste terugtocht veroorzaakte vaak meer slachtoffers onder de eigen rangen dan een georganiseerde terugtrekking, aangezien de cavalerie van de vijandelijke achterhoede het vluchtende leger makkelijk kon onderscheppen, terwijl hun infanterie doorging met de aanval. In de meeste middeleeuwse veldslagen werden meer soldaten gedood onder het terugtrekken dan in het gevecht zelf: ridders konden snel en eenvoudig boogschutters en infanterie uitschakelen wanneer ze niet langer werden beschermd door een linie van piekeniers zoals eerder in het gevecht.
Versterkingen