Zeeoren (Haliotidae) zijn een familie van slakken (Gastropoda). De soorten kunnen vrij groot worden, tot 10 of zelfs 20 centimeter. Ze komen in alle zeeën van de wereld voor maar leven voornamelijk in warmere wateren.

Veel soorten zijn geschikt voor menselijke consumptie en worden in verschillende werelddelen als een delicatesse beschouwd. De slakken worden wereldwijd in grote hoeveelheden gevangen en sommige soorten zijn hierdoor zeldzamer geworden. De meeste soorten komen echter nog algemeen voor.

Alle soorten hebben een karakteristieke schelpvorm waardoor ze onmiddellijk van alle andere groepen van slakken kunnen worden onderscheiden. De schelp heeft slechts een enkele snel breder wordende winding en lijkt daardoor niet op een typische slakkenschelp. Zeeoren worden beschouwd als een relatief primitieve groep van slakken. Ze zijn verwant aan de gathorens (familie Fissurellidae).

Naamgeving De wetenschappelijke naam van de groep werd in 1815 als Haliotididae voorgesteld door Constantine Samuel Rafinesque-Schmaltz. De wetenschappelijke naam is een samenstelling van de woorden Halios (zee) en Otos (oor). De uitgang -idae wordt gebruikt voor families van dieren.

De familie wordt alleen vertegenwoordigd door het geslacht Haliotis. Een tweede voorgesteld geslacht, Sulculus, wordt niet algemeen erkend.

Zeeoren danken hun Nederlandstalige naam aan de vorm van de schelp. Deze lijkt enigszins op een oor. Andere gebruikte namen namen zijn oorschelp en venusoor. Ook in andere talen wordt een dergelijke naam gebruikt, zoals het Duitse seeohren en het Franse oreilles de mer. In de Engelse taal wordt de naam 'abalone' gebruikt voor de zeeoren. Deze naam is afgeleid van het Spaanse woord abulón, dat vrij vertaald 'eetbare slak' betekent.

Verspreiding en habitat thumb|Zeeoren zijn bewoners van rotsige zeebodems dicht bij de kust, afgebeeld is Haliotis corrugata Zeeoren worden gevonden in bijna alle delen van de wereld, maar ontbreken in koelere wateren. De verschillende soorten worden aangetroffen langs de kusten van Afrika, Australië en vele oostelijk gelegen eilandengroepen, de Middellandse Zee, Nieuw-Zeeland en de westkust van Noord-Amerika.

Langs de Belgische en Nederlandse kust komen geen soorten voor. Wel zijn waarnemingen bekend van exemplaren die zijn aangespoeld op het strand. In Nederland zijn voor 1985 slechts enkele strandvondsten bekend die aan zeewier gehecht waren.

De gewone zeeoor (Haliotis tuberculata) is de enige algemene soort binnen Europa. Deze soort bereikt een schelpgrootte van ongeveer tien centimeter, veel kleiner dan tropische soorten die tot 30 cm kunnen groeien.

Habitat Zeeoren leven langs rotsige kusten en kunnen niet leven in zandige streken. Ze verdragen een zandbodem slecht omdat de zandkorrels de uitstroomopeningen van de schelp kunnen verstoppen.

De habitat bestaat in de regel uit het gebied net onder de getijdenzone tot ongeveer twintig meter diepte waar zeewier groeit op de rotsen. Vrijwel alle soorten leven op een diepte van hooguit enkele tientallen meters, dicht bij de kust. Er zijn enkele uitzonderingen, zoals de zwarte zeeoor (Haliotis cracherodii). Deze leeft in de brandingszone waar de golven vrij spel hebben. Een ander uiterste is de soort Haliotis pourtalesii, die juist in diepere wateren leeft tot enkele honderden meters onder de zeespiegel. Deze zeeoor is voornamelijk bekend van aangespoelde exemplaren en lange tijd werd gedacht dat de soort zeer zeldzaam was.

Zeeoren zijn negatief fototaxisch; ze hebben een hekel aan licht en blijven zoveel mogelijk in de schaduw. Ze schuilen overdag onder rotsspleten en in kieren in de bodem. 's Nachts komen ze tevoorschijn om te foerageren.

Kenmerken thumb|left|300px|Belangrijkste schelpkenmerken: Zeeoren behoren tot de slakken of buikpotigen en hebben dus een enkele schelp. De schelp heeft windingen die niet hoog op elkaar gewonden zijn maar juist zeer kort zijn en relatief plat. Het lichaam kan niet volledig in de schelp worden geborgen.

Schelpkenmerken De schelpkleur varieert van grijs tot groen, rood of roze. De kleur wordt soms beïnvloed door het voedsel. Zeeoren die veel roodwieren eten krijgen een meer rode schelpkleur. De schelpopening is aan de onderzijde gelegen en is zeer breed en vlak. Hierdoor heeft de schelp een vorm die doet denken aan een oor. De schelp wordt ook wel vergeleken met een nap of een hoed en is geschikt om zich vast te zuigen op vlakke rotsen in de getijdenzone. Een andere familie van slakken, de schaalhorens, hebben eenzelfde aangepaste schelpvorm en levenswijze, hoewel ze verder niet op zeeoren lijken.

Net als andere slakken is de schelp gewonden, maar omdat de windingen zeer snel groter worden naarmate het dier groeit bestaat het grootste deel van de schelp uit een deel van de laatste winding. Bij oudere exemplaren zijn de oudste windingen aan de bovenzijde (ook wel apex) volledig verdwenen door slijtage als gevolg van het kruipen tussen de rotsen. In het midden van de binnenzijde van de schelp is soms een afwijkende structuur aanwezig in het parelmoer. Dit is de plaats waar de lichaamsspieren aan de schelp gehecht zijn geweest. Een dergelijk litteken is echter niet bij alle soorten te zien. thumb|Haliotis clathrata lijkt sprekend op een oor Een ander opvallend kenmerk is een rij gaten in de schelp die evenwijdig aan de schelprand zijn gelegen. De gatenrij is altijd aan de linkerzijde van de schelp gepositioneerd – gezien van bovenaf. Deze gaten ontstaan in de sleuf, dit is een langwerpige uitsparing in de schelp. Bij sommige slakken blijft de sleuf open, zoals bij de slithorens. Bij andere groepen van slakken zoals de gathorens groeit deze weer grotendeels dicht waar bij de sleufopening zich verplaatst naar het midden van de schelp. Bij zeeoren echter is sprake van een combinatie hiervan; de sleuf groeit af en toe dicht waardoor er steeds nieuwe ronde uitsparingen ontstaan. Aan de voorzijde van de schelp wordt om de zoveel tijd een nieuwe opening gevormd die nog niet rond is. De jongste, voorste gaten zijn open, terwijl de achterste gaten zijn dichtgegroeid door parelmoerafzettingen aan de binnenzijde van de schelp. Oudere gaten zijn te zien als een rij bultachtige structuren op de schelp. Dit is alleen duidelijk te zien bij schelpen die ontdaan zijn van hun natuurlijke laag van huidbedekking.

De open gaten zijn uitstroomopeningen van het water dat gebruikt is voor de ademhaling. Daarnaast dienen ze om zich te ontlasten en om ze zaad- en eicellen buiten de schelp te brengen. Veel soorten hebben altijd vier functionele ademopeningen in de schelp. Andere soorten hebben meer openingen in de schelp, zoals de soort Haliotis cracherodii die vijf tot acht openingen heeft.

De vorm van de schelp, maar ook de structuur van de bovenzijde varieert per soort. Veel soorten zijn zelfs vernoemd naar hun schelpvorm of -kleur. Bij Haliotis lammelosa heeft de schelp sterk geplooide opstaande randen die wat lijken op lamellen, vandaar de wetenschappelijke soortaanduiding lammelosa. De soort Haliotis marmorata heeft een donkere schelpkleur met lichtere, gemarmerde vlekken.

De schelp is aan de binnenzijde voorzien van een dikke parelmoerlaag. Zeeoren kunnen net als tweekleppigen parels vormen in de schelp. Deze ontstaan als reactie op een lichaamsvreemde stof die in de schelp terecht komt. De zeeoor kapselt dergelijke deeltjes in met parelmoer waardoor een parel ontstaat.

Bij soorten als Haliotis rufescens is de schelp meestal sterk begroeid met verschillende organismen zoals hydroïdpoliepen (Hydrozoa), mosdiertjes (Bryozoa) en verschillende wieren. Dit komt omdat de soort in wat dieper water leeft en altijd onder water te vinden is. De zeeoor Haliotis cracherodii heeft in tegenstelling tot andere zeeoren meestal geen begroeiing op de schelp, omdat de soort in de brandingszone leeft en regelmatig opdroogt aan de buitenlucht. Veel van de organismen die op schelpdieren groeien kunnen hier niet tegen.

Anatomie thumb|300px|Inwendige organen van een zeeoor. De afbeelding is ingekleurd om de verschillende organen aan te duiden. Sommige lichaamsdelen zijn verplaatst om ze zichtbaar te maken De zeeoren behoren tot de weekdieren en hebben een dienovereenkomstig week lichaam dat bestaat uit een voet, het lichaam en aan de voorzijde zijn een aantal weefelstructuren gelegen die tezamen de kop zouden kunnen worden genoemd. Zeeoren hebben geen operculum; dit is een verharde structuur die door lichaamsweefsel wordt aangemaakt en dient om de schelpopening af te sluiten ter bescherming.

Kop Aan de voorzijde van het lichaam is de kop aanwezig, deze is echter niet duidelijk afgesnoerd van de rest van het lichaam. De kop bevat de kop-antennes of cefalische antennes, dit zijn twee paar zintuiglijke organen die ieder een andere functie hebben. Het buitenste paar wordt het langst en heeft een zweepachtig uiteinde. Deze antennes worden ook wel de mediale tentakels genoemd. Het binnenste paar bestaat uit duidelijk kortere, stomp eindigende antennes, die beide een lichtgevoelige plek bevatten. Deze oog-antennes kunnen worden teruggetrokken onder de schelp bij gevaar. Van een duidelijk ontwikkeld oog is geen sprake; de slak heeft simpele ogen die bestaan uit een omhulsel en een lichtgevoelige binnenzijde.

De kaken bestaan uit een tong-achtige structuur die voorzien is van vele kleine tandachtige verharde structuren. Het geheel wordt de radula genoemd en dient als een soort kaasrasp. Een kraakbeenachtige structuur in de kop genaamd de odontofoor drukt de radula stevig tegen het voedsel, waarna het in kleine laagjes van het substraat wordt geschraapt en in de mondopening wordt gebracht. Het voorste deel van de radula is vaak gekleurd, wat veroorzaakt wordt door micro-organismen. De rest van de radula is wit van kleur. Het grootste deel van de radula ligt in het lichaam en wordt beschermd door een vlies, de radulazak. In de radulazak worden de nieuwe tandjes gevormd. Gedurende het leven van de slak vindt dit voortdurend plaats.

Mantel De binnenzijde van de schelp is bekleed met een dunne laag van stevig weefsel, de mantel. Alle organen zijn verbonden met de mantel, de mantel is bij levende exemplaren zichtbaar als het vlezige binnenzijde van de schelp. De randen van de mantel zijn voorzien van een vaak donker gekleurde rand van weefsel dat vele kleine tentakels draagt, het geheel wordt het epipodium genoemd. De tentakels hebben een zintuiglijke functie en worden de epipodiale tentakels genoemd. De tentakels zijn erg beweeglijk maar ze spelen geen rol bij de voortbeweging. De tentakels aan het epipodium worden soms door de gaten in de schelp naar buiten gestoken om ze vrij van aangroeisels te houden.

Spieren en organen thumb|De grootste spier is de voet, hier van de onderzijde gezien De lichaamsspieren die de schelp aan de ondergrond hechten, zijn verbonden met het midden van het lichaam aan de bovenzijde. Als een zeeoor voorzichtig van zijn schelp wordt ontdaan, kan het dier overleven, maar is dan zeer kwetsbaar voor vijanden. Een zeeoor kan zich niet opnieuw vasthechten aan de schelp. Uit de mantel stulpt de voet, die aan de buitenrand voorzien is van donker weefsel dat vele tentakels bevat. De voet van de slak is het grootste deel van het lichaam onder de schelp.