thumb|Jan van Brakel met erepenning Een erepenning is in Nederland een onderscheiding. De term wordt voor talloze medailles gebruikt die men soms wel en soms ook niet kan dragen. Penningen, legpenningen en medailles worden zowel door overheden als door particuliere organisaties verleend.

Een erepenning is meestal een ronde metalen schijf die men in een doos bewaren kan, maar er zijn ook erepenningen die aan linten en kettingen gedragen worden. De Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden heeft veel erepenningen geschonken.

In de literatuur worden de termen "erepenning", "ambassadeurspenning" en "beloningspenning" door elkaar en naast elkaar gebruikt. Het gaat steeds om dezelfde penningen.

De erepenningen van de republiek In de 17e eeuw meenden de regeringen van republieken dat het instellen van een ridderorde het privilege van een koning of keurvorst was. De oude republieken waren daarmee dan ook zeer terughoudend. De in de Unie van Utrecht verenigde republiek en de soevereine statenvergaderingen van de zeven provinciën stelden geen ridderorde in. Ook de stadhouders deden dat niet ook al regeerden zij over het prinsdom Orange en graafschappen in Duitsland.

Omdat er behoefte aan beloningen bestond, werden er kostbare geschenken uitgedeeld (zilverwerk viel zeer in de smaak). Daarnaast werden er al in het laatste kwart van de 16e eeuw gouden en zilveren medailles aan kettingen van fijne gouden of zilveren schakels aan succesvolle militairen geschonken. In 1628 stelden de Staten-Generaal vast dat deze "vereringspenningen" steeds het wapen van de Unie zouden dragen.

Op de medaille was een wapenschild met een "Nederlandse leeuw" afgebeeld. Deze leeuw droeg een kroon en had een zwaard en zeven samengebonden pijlen in zijn klauwen. Als schildhouders waren twee gekroonde leeuwen afgebeeld. Er was geen wapenmantel of leus, maar het schild was met een kroon met vier opstaande diademen gedekt. Het omschrift luidde "CRESCUNT CONCORDIA RES PARVÆ". Op de oudste medailles ontbreekt het schild en is alleen de Nederlandse leeuw afgebeeld. De keerzijde vertoonde de wapens van de zeven provinciën en het omschrift "DISCORDIA MAXIMÆ DILABUNTUR". In het midden werd na het invoeren van het erfstadhouderschap het stadhouderlijk wapen van Willem IV of Willem V geplaatst.

De keten werd, zoals bij het marmeren portret van Jan van Brakel op zijn grafmonument te zien is, vaak dubbel gedragen. De reden daarvan was dat de hoeveelheid goud in de erepenning in de keten liet zien hoe hoog de Staten iemand achten. Veel schakels bevatten veel goud. De ketens zijn zelden bewaard gebleven. Zij leenden zich ervoor om omgesmolten te worden, maar er zijn wel een groot aantal erepenningen in verzamelingen bewaard gebleven.

Erepenningen voor zegevierende militairen Admiraals werden vaak met erepenningen gedecoreerd. Michiel de Ruyter ontving drie gouden penningen aan zware gouden kettingen. Deze beloningspenningen werden door de Staten-Generaal uitgereikt na gewonnen zeeslagen. Op het grafmonument van Admiraal van Brakel staat de zeeheld afgebeeld met een grote penning aan een dubbele gouden keten. Op de keerzijde van de penningen werd vaak een passende tekst gegraveerd. De wapens van de zeven provinciën werden dan weggelaten.

Ambassadeurspenningen In de 18e eeuw betaalden de ambassadeurs de kosten van hun missies voor een groot deel zelf. Daar moesten dan kostbare geschenken tegenover staan. De Staten-Generaal van de Nederlanden konden geen kostbaar uitgevoerde onderscheidingen toekennen, maar zij kozen voor gouden penningen aan gouden ketens. Deze kettingen en penningen zijn gelijk aan die van de militairen.

Verstrekkers Verenigde Oostindische Compagnie De Vereenigde Oostindische Compagnie vereerde haar admiraals en generaals met erepenningen. Ook de vorsten in Indië en India kregen deze kostbare gouden keten ten geschenke, omdat een bedrijf nu eenmaal geen ridderorden in kon stellen.

Staten van Utrecht De Beloningspenning voor de Officieren van het Regiment Hessen-Darmstadt werd uitgereikt wegens de Verdediging van Soestdijk. In 1787 verleenden de Staten van Utrecht zilveren legpenningen en drie draagbare gouden penningen, in dit geval aan een lint, aan de officieren die Soestdijk verdedigden tegen een aanval van Utrechtse patriotten. Deze Beloningspenning voor de Officieren van het Regiment Hessen-Darmstadt wegens de Verdediging van Soestdijk heet in de resolutie van de Staten van Utrecht enkel "beloningspenning".

Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland De Bataafse republiek nam de bezittingen van de in 1799 failliet verklaarde VOC over. De inlandse vorsten kregen nog steeds vereringspenningen, maar Lodewijk Napoleon, koning van Holland, stichtte op 12 december 1806 twee ridderorden. Gouverneur-generaal Daendels van Nederlands-Indië verleende daarop twee kruisen van de Orde van de Unie aan inlandse vorsten; de regenten van Bangil, later van Toeban, en Tjanjoer.

Koning Lodewijk Napoleon wilde alleen "heren van stand" in zijn ridderorden opnemen. Lager geplaatsten kregen medailles met een passende tekst. Deze medailles werden aan een lint gedragen. Hoewel de voorschriften bepaalden dat "Burgers van alle standen en rangen welke door derzelver kunde, talenten, dapperheid en deugden aan het Vaderland diensten zullen bewezen hebben" voor een ridderorde in aanmerking kwamen was de koning onaangenaam verrast toen bleek dat hij per ongeluk Jan van den Berg uit Gorinchem, bootsman en drager van de Doggersbank-medaille in zilver, had geridderd. Men ontnam de teleurgestelde bootsman zijn ridderkruis en zegde hem een vervangende medaille toe.

Koninkrijk der Nederlanden In Nederland bleek na het instellen van de Orde van de Nederlandse Leeuw al snel de behoefte aan een iets minder exclusief ereteken dan de Orde van de Nederlandse Leeuw te bestaan. De overheid wilde niet al te veel Broeders van de Orde van de Nederlandse Leeuw benoemen, omdat deze een pensioen genoten. De graad van ridder leek alleen weggelegd voor rechters, hoogleraren, Statenleden en personen van vergelijkbare maatschappelijke statuur.

Zo viel men nadat plannen voor een tweede burgerlijke ridderorde (men opperde zelfs een "Orde van de Nederlandse Zeeleeuw") waren afgewezen terug op medailles. Het ging daarbij om legpenningen, want het was niet de bedoeling om draagbare eretekens in het leven te roepen.

Er waren al twee van deze legpenningen in Nederland; De Medaille van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen uit 1767, De Erepenning voor blijken van belangstelling in 's Rijksverzamelingen door schenking betoond (meestal de "Museummedaille" genoemd) uit 1817 en de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon die in 1822 werd ingesteld zou nog volgen.

Al deze onderscheidingen waren legpenningen in palmhouten doosjes.

Nu vreemden en Nederlanders de koning boeken, instrumenten en wetenschappelijke publicaties schonken in de nauwelijks verborgen gehouden verwachting dat de koninklijke dankbaarheid de vorm van een ridderorde zou krijgen liet de koning in 1817 medailles slaan. De opdracht werd in december 1816 gegeven en de instelling geschiedde in het Koninklijk Besluit van 26 juni 1817. Het besluit sprak van een "medaille geschikt om als een blijk van goedkeuring of erkentelijkheid aan die genen te worden uitgereikt die Ons enig kunstwerk of boek, dat de vrucht van hun arbeid zij, (te) doen toekomen.

De medailleur Auguste-François Michaut vervaardigde voor de Utrechtse Rijksmunt medailles met de kop van de koning en het rondschrift "WILH:NASS:BELG:REX:LUXEMB:M:DUX". Op de keerzijde was binnen een lauwerkrans ruimte voor de gegraveerde naam van de gedecoreerde persoon of instelling.

Er werden zilveren medailles ter waarde van tien dukaten en gouden medailles ter waarde van 25, 50 en 100 dukaten geslagen.

De eerste die een -op dat moment nog niet geslagen- medaille kreeg werd de Fransman Jean Louis Marie Alibert. Alibert die de koning een verhandeling over erfelijke ziekten had aangeboden "Nosologie naturelle ou les maladies du corps humain distribuées par familles" geheten, kreeg in het Koninklijk Besluit van 7 oktober 1817 een medaille ter waarde van 25 dukaten. De medailles werden al snel veel gebruikt. George E. Clymer uit Philadelphia kreeg voor zijn verbeterde drukpers een medaille van 100 dukaten, ook artsen die tijdens tyfus- en cholera-epidemieën hun patiënten bleven verzorgen, de samenstellers van de pharmacopoeia Belgica en C.J. van Bell die de Goudse kaas had verbeterd kregen medailles. In 1829 werden naar aanleiding van een verzoek om een methode waarop een algemene geschiedenis der Nederlanden kon worden geschreven vijf medailles verleend. Met een ronde gouden medaille met een doorsnede van bijna zeven centimeter en een gewicht van 158 gram zagen de historici mr. J. Scheltema, mr. H. Beyerman, dr. H.J. Royaards, mr. G. Groen van Prinsterer en jhr. mr. J.C. de Jonge hun voorstellen beloond.

Verdienstelijke vrouwen werden niet in de Orde van de Nederlandse Leeuw opgenomen, omdat een vrouw "geen ridder kon zijn". De in Berlijn wonende Margaretha Carolina Eichler kreeg voor haar mechanische kunstvoet een medaille en deelde deze eer met de blinde dichteres Petronella Moens die al haar eerder verkregen medailles en prijzen in 1814 had laten omsmelten om het verjagen van Keizer Napoleon te ondersteunen. Ook de wiskundig onderlegde Engelse Janet Taylor kreeg een medaille voor haar getijdentafels.

Ook gezelschappen kregen een erepenning toegekend, dat gold voor de Armeense kloosterlingen van het klooster op het bij Venetië gelegen San Lazaro die de koning een boek hadden aangeboden, het Engels-en Buitenlands Bijbelgenootschap in Londen en de kerkmeesters van de Nederlands Hervormde Gemeente in Weesp.

In 1822 zag een erepenning voor "eene menslievende daad welke kenmerken draagt van moed, beleid en zelfopoffering" het daglicht in het Koninklijk Besluit van 19 juni. De medaille werd voor dezelfde verdiensten verleend die ook al in de statuten van de Broeders van de Orde van de Nederlandse Leeuw en zou als Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon tot in deze tijd blijven bestaan.

De eremedailles werden in 1830 herzien, omdat de goud- en zilverkoers nu eenmaal fluctueerden. Een zilveren medaille ter waarde van 10 dukaten was nu onpraktisch groot. Men koos voor gouden medailles ter waarde van 10 dukaten en zilveren medailles ter waarde van 24, 9, en 5 gulden.In 1837 werden de eremedailles én de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon ter waarde van 100, 50, 25 en 10 dukaten in goud geslagen. In zilver kwamen er medailles ter waarde van 16, 6 en 3½ gulden. In 1838 besloot de regering dat de indeling in intrinsieke waarden niet gepast was. Men zou in het vervolg alleen nog over medailles van de 1e, 2e, 3e en 4e grote (de laatste alleen in goud) spreken. Koning Willem II wilde van al deze onderscheiden af en besloot in december 1840 dat alle medailles in het vervolg in twee groottes zouden worden toegekend; in goud ter waarde van tien dukaten en in zilver ter waarde van zes gulden. In een Koninklijk Besluit van 24 januari 1841 werd dit ook formeel vastgesteld. De koning liet ook vastleggen dat de eremedailles en de Erepenningen voor Menslievend Hulpbetoon hetzelfde uiterlijk en dezelfde grote kregen.Tijdens de regeringsperioden van de koningen Willem II en Willem III werden, en dat was nieuw, honderden jubilerende onderwijzers met gouden en zilveren medailles bedacht. Men week ook van de bepalingen in het K.B. van 1841 af en verleende medailles die voor 25 dukaten goud bevatten. De in 1870 ingestelde Medaille van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut is op de keper beschouwd een uit deze medailles voortgekomen ereteken.