De USS Walke (DD-416) was een Amerikaanse Sims-klasse torpedojager tijdens de Tweede Wereldoorlog, in dienst van de United States Navy. De torpedojager werd vernoemd naar schout-bij-nacht Henry A. Walke USN (1809-1896). Henry Walke was bevelhebber op de kanonneerboot USS Carondelet tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. De Walke werd gebouwd samen met de torpedojager USS O'Brien (DD-415) op de Boston Navy Yard te Boston, Massachusetts op 31 mei 1938, vervolgens te water gelaten en gedoopt op 20 oktober 1939 door Mrs. Clarence Dillon, achternicht van viceadmiraal Walke en in dienst gesteld op 27 april 1940.
Interbellum Naar aanleiding van haar outfit- en technische proeftijd, nam de USS Walke torpedo's, torpedokoppen en oefen-torpedokoppen van de Naval Torpedo Station te Newport, Rhode Island, aan boord en op 25 juni 1940 stoomde ze naar Norfolk, Virginia. Ze bereikte Norfolk op 27 juni en nam daar luitenant II-klasse Donald B. Cooley, USMC aan boord tezamen met 47 mariniers voor hun overbrenging naar de zware kruiser USS Wichita (CA-45). Vervolgens vertrok ze naar de Zuid-Amerikaanse wateren. Later op dezelfde dag voer de USS Walke samen met de torpedojager USS Wainwright (DD-419) naar Cuba.
Na het bijtanken te Guantánamo op 4 juli, voer de USS Walke naar Rio de Janeiro, Brazilië. Op 6 juni arriveerde de Walke aldaar voor samenwerkingstaken met de USS Wainwright. De torpedojagers werden doorgestuurd naar de monding van de Suriname-rivier, waar de Walke een patiënt van de Wainwright met blindedarmontsteking aan boord nam en naar Paramaribo doorvoer voor verdere medische zorgen. Na de overbrenging van patiënt, soldaat Lawrence P. Coghlan, USMC, werd deze daar aan wal gebracht. Daarna stuurde men de Walke naar Pará, Brazilië, alwaar ze daarna doorvoer naar Rio de Janeiro.
De Walke en de Wainwright bereikten samen Rio op 19 juli. Vervolgens nam de Walke de helft van de mariniers van de zware kruiser Wichita aan boord, terwijl de Wainwright de andere helft aan boord nam. Vanwege de onrust in het gebied werden de twee kruisers USS Wichita en USS Quincy naar de Zuid-Amerikaanse wateren gestuurd als blijk van de sterke Amerikaanse belangstelling voor de "goede buren" ten zuiden van de grens.
Neutrale patrouilles Na oliebunkering te San Juan (Puerto Rico) op 6 december 1940, vertrok de torpedojager in de namiddag tot de volgende dag, op "Caribian Patrouille", in gezelschap met haar zusterschip de USS O'Brien (DD-415). Ze arriveerden bij de torpedojagers USS Moffett (DD-362) en USS Sims (DD-409) nabij Fort-de-France op Martinique. De USS Walke en USS O'Brien patrouilleerden in de buurt van de haven om de bewegingen van de Vichy-Franse oorlogsschepen gade te slaan. De hulpkruisers Barfleur en Quercy en het vliegdekschip Beam werden op 14 december geschaduwd door de Amerikanen. De USS Walke bezocht daarna Port Castries in Brits West-Indië, op 15 december en nam commandant Lyman K. Swenson, commandant van de Destroyer Division 17, aan boord. De Walke was nu voor even het vlaggenschip.
De USS Walke meerde aan in Guantánamobaai op 19 december 1940, en bleef daar, tot het begin van het nieuwe jaar, gemeerd liggen bij het reparatieschip USS Prairie (AD-15). Ze onderging daar een onderhoudsbeurt. De daaropvolgende weken opereerde de Walke daarna in het gebied tussen Guantánamobaai en het Haïtiaanse Gonaives, volbracht daar gevechts- en torpedo-oefeningen samen met andere Amerikaanse schepen in het gebied. Daarna ging haar tocht verder naar Fajardo Roads in Puerto Rico, en opereerde zij daar met oefenmissies tot medio maart 1941.
Daarna vertrok de USS Walke naar het noorden en kwam in Charleston, South Carolina aan, op 20 maart 1941 voor een periode van herstellingen en wijzigingen tot eind mei. Ze deed daarna Norfolk aan tussen 10 en 13 mei voordat ze de volgende dag naar Newport, haar thuisbasis vertrok. Daarna patrouilleerde de USS Walke nabij de Atlantische kust tussen Norfolk en Newport tot juni 1941, totdat de Atlantische Vloot, op een militaire nog altijd neutrale patrouille oostwaarts vertrok, naar de West-Europese oorlogszone. Ze verliet Newport op 27 juli en nam deel aan het escorte van een geallieerd konvooi naar IJsland. Ze bereikten Reykjavik op 6 augustus; het konvooi en de vracht waren veilig overgebracht. De Walke keerde op dezelfde dag weer terug naar Norfolk. Het was niet verwonderlijk dat dit tot ongenoegen leidde bij de Duitse U-boten die in de Atlantische Oceaan opereerden. Ze mochten de Amerikanen nog niet aanvallen, maar zagen dit wel als een openlijke provocatie.
De torpedojager keerde medio september terug naar de noordelijke en veiligere Oostkustgebieden van de VS. Na lokale operaties in het Newport-Boston gebied, bereikte ze het IJslandse Hvalfjordur op 14 september. Daar opereerde ze in de gevaarlijke IJslandse wateren tot eind september voordat ze naar het Naval Air Station Argentia, Newfoundland vertrok, op 11 oktober en doorvoer naar Casco Bay in Maine. De USS Walke begon aan haar algemene "overhaul" op de Boston Navy Yard op 25 november 1941 en was daarmee klaar op 7 december 1941, de dag van de aanval op Pearl Harbor die de Verenigde Staten in de oorlog in de Grote Oceaan stortte. De USS Walke verliet de scheepswerf op die dag en bereikte op 12 december Norfolk, via Casco Bay.
Tweede Wereldoorlog Op 7 december 1941, toen ook de Verenigde Staten betrokken raakten in de Tweede Wereldoorlog, begaf de USS Walke zich naar de Stille Oceaan om deel te nemen aan de strijd tegen Japan. Ze bereikte San Diego, Californië, via het Panamakanaal op 30 december. De USS Walke stoomde mee met de pas geformeerde Task Force (TF) 17, samen met het vliegdekschip USS Yorktown (CV-5) voor de strijd in het zuiden van de Grote Oceaan, op 6 januari 1942. Ze beschermde de USS Yorktown met de herbewapening van het mariniersgarnizoen op het Amerikaanse Samoa. Het konvooi kwam achtereenvolgens aan bij Tutuila op 24 januari. Task Force 17 verliet de Samoa wateren voor een korte periode. Kort hierna stoomde de Task Force 17 naar het noorden, naar het gebied van de Marshalleilanden en Gilberteilanden, voor het daadwerkelijke in gang zetten van de eerste Amerikaanse offensieven tegen de Japanners en dat al acht weken na de aanval op Pearl Harbor.
De USS Walke ondersteunde mede het anti-onderzeebootscherm en luchtafweer voor de USS Yorktown, alsook toen het vliegdekschip haar vliegtuigen lanceerde voor de luchtaanvallen op Japanse installaties op de atollen van Jaluit, Makin en Mili. Ofschoon Vloot-admiraal Chester Nimitz, de Commander in Chief, Pacific Fleet (CinCPAC), de raids, een belangrijke aandeel vond in de strijd en schreef: "Well-conceived, well-planned and brilliantly executed" (goed ontworpen, goed gepland en briljant uitgevoerd), was de toegebrachte schade in feite niet zo groot als het aanvankelijk gerapporteerd werd, en afgezien van het verhogen van het Amerikaanse moreel waren de aanvallen alleen maar een geringe overlast voor de Japanners. Niettemin had de Amerikaanse vloot dan toch maar een offensief gevecht geleverd tegen de vijand.
De Walke keerde terug naar de Hawaïaanse wateren op 7 februari 1942, en ging in opleidingsoefening in het Hawaïaanse gebied op 27 februari. Daarna vertrok ze naar de Gilbert en Ellice-eilanden. Ze werd later weer in dienst gesteld bij Task Force 17 nabij Nieuw-Caledonië, begin maart, om weer escortedienst en beschermingstaken van het vliegdekschip USS Yorktown op zich te nemen, in het Nieuw-Guinea gebied, als onderdeel van de strijdkrachten tegen de Japanse expansie in dit gebied.
Japanse expansie In die periode trokken de Japanners richting zuidwaarts, in het Nieuw-Guinea Nieuw-Brittannië gebied en behaalden overwinningen in dit gebied, met de bezetting van Rabaul en Gasmata, Nieuw-Brittannië, Kavieng, Nieuw-Ierland en aan de zijde van Bougainville in de Salomonseilanden en de Louisiaden. Tegen het einde van februari 1942 vermoedde men dat de Japanners van plan waren eind maart een offensief uit te voeren. De Task Forces 11 en 17 werden naar het gebied gedirigeerd.
Op 7 maart merkten de geallieerden op dat de Japanse oppervlakteschepen, inbegrepen troepentransportschepen, landden op Buna, Nieuw-Guinea. De volgende dag waren de Japanse troepen geland op Lae en Salamaua, Nieuw-Guinea, en versterkten deze plaatsen. Drie dagen later lanceerden de USS Lexington en USS Yorktown hun vliegtuigen voor een luchtaanval op de havenplaatsen Lae en Salamaua. Deze aanval verraste de Japanners. De vliegtuigen van de twee vliegdekschepen, evenals die van Port Moresby, kwamen de Owen Stanley-gebergte overgevlogen en vernielden de gehele Japanse landingsvloot en meerdere zware grondgeschut- en landingstallaties.
Task Force 11 met de USS Lexington (CV-2) en Task Force 17 met de USS Yorktown (CV-5) waren met spoed naar het gebied opgestoomd. Viceadmiraal Wilson Brown selecteerde eerst aanvankelijk Rabaul en Gasmata in New Britain en Kavieng in New Ireland als operatiedoelen.
Slag in de Koraalzee De USS Walke beschermde het vliegdekschip USS Yorktown toen ze haar vliegtuigen lanceerde voor een luchtaanval op Tulagi in de Salomonseilanden op 4 mei 1942 en later werd ze gescheiden van deze carrier met de "Support Force", samen met de Australische zware kruiser HMAS Australia, de lichte kruiser HMAS Hobart, de Amerikaanse torpedobootjagers USS Farragut (DD-348) en USS Perkins (DD-377), tot het beschermen en beveiligen van de zuidelijker gelegen Jomard Passage. In de namiddag van 7 mei vielen Japanse Aichi D3A "Val"-duikbommenwerpers de formatie aan, maar het hevige luchtafweergeschut vuurde vanaf alle schepen en dwong de vijand terug te trekken, zonder voltreffers te kunnen plaatsen. Alhoewel, een uur na het vertrek van de "Vals", deden Japanse tweemotorige bommenwerpers een aanval en lanceerden nu torpedo's naar de geallieerde schepen. Weer was er een hevig spervuur vanaf de oorlogsschepen. De USS Walke en de andere torpedobootjagers schoten voortdurend in de lucht. Vijf bommenwerpers stortten in zee neer en geen enkele torpedo trof de geallieerde schepen. 19 hoog vliegende Japanse bommenwerpers vlogen over, dropten hun bommen die, onschadelijk voor de schepen, alle in zee vielen. Het Amerikaanse luchtafweer schoot nu vruchteloos in de lucht, omdat de Japanse vliegtuigen hun hoogte handhaafden. Maar de laatste groep vliegtuigen waren blijkbaar Amerikaanse toestellen. De Australische strijdkrachtcommandant viceadmiraal John Crace merkte op dat het B-26 Marauders waren. De commandant van de USS Walke, kapitein-ter-zee Thomas E. Fraser, rapporteerde hem daaropvolgend, dat het Amerikaanse B-17's waren. Het vuren werd onmiddellijk gestaakt en er werden geen B-17-bommenwerpers geraakt.
De USS Walke bleef nog over op zee tezamen met de USS Yorktown-Task Force tot in de loop van april 1942. Los van Task Force 17 escorteerde ze de USS Ramsay (DM-16) en USS Sumner (AG-32). De torpedojager bereikte Suva op de Fiji eilanden op 19 april, en de volgende dag zette ze koers naar de Tonga eilanden. Ze bereikte Tongatapu op 22 april. De USS Walke bunkerde bij de olietanker USS Kaskaskia (AO-27). Ze liet een ketelreparatie doen, nam dieptebommen in en keerde daarna terug naar Task Force 17.
De Walke moest zich weer losmaken van TF 17, als gevolg van een beschadigde stuurboord-transmissie. Ze begaf zich naar Australië voor herstelling en bereikte Brisbane op 12 mei. Na voltooiing van de werkzaamheden op 29 mei ondernam ze proefvaarten op de Brisbane River, vooraleer ze weer geschikt was voor actieve dienst en vertrok daarna naar New Caledonia op 9 juni, vlak na de Slag bij Midway.
Ze arriveerde op 13 juni in Nouméa en tankte bij voordat ze weer vertrok naar Tongatapu en Pago Pago, Samoa. Toegewezen tot Task Group (TG) 12.1, vertrok de USS Walke op 26 juni naar Bora Bora in de Genootschapseilanden.