Adoptie in Nederland als wettelijke vorm van gezinsvorming door het opnemen van een kind in het gezin bestaat in Nederland sinds 1956. Voor die tijd kregen adoptiekinderen niet dezelfde juridische status als biologisch eigen kinderen. Tot de jaren 70 kwamen geadopteerden vrijwel uitsluitend uit Nederland; sindsdien komt het overgrote deel uit ontwikkelingslanden. In 2010 waren er ongeveer 55.000 geadopteerden in Nederland.CBS (2010). Sinds 1956 meer dan 55 duizend kinderen geadopteerd, Geraadpleegd op 22 december. Gearchiveerd op 6 december 2021. (Interlandelijke) adoptie kent verschillende juridische procedures. In Nederland moeten aspirant-adoptieouders verplicht een cursus volgen en schrijft de Raad voor de Kinderbescherming over hen een gezinsrapport, dat de basis vormt voor een eventuele beginseltoestemming van het Ministerie van Justitie.

In februari 2021 heeft de regering alle adopties uit het buitenland opgeschort, na het uitkomen van het Rapport Commissie onderzoek interlandelijke adoptie (commissie Joustra), waarin structurele ernstige misstanden in de Nederlandse adoptiecultuur worden gesignaleerd, die moeilijk te bestrijden zijn.

In april 2022 maakte minister Weerwind van Rechtsbescherming bekend dat interlandelijke adopties weer mochten worden hervat. De regering wil de vier vergunninghouders laten opgaan in één 'publiekrechtelijke stichting' die onder toezicht staat van de minister voor Rechtsbescherming.Kabinetsplan: adoptie uit buitenland voortaan via de overheid Alleen adoptie van een kind uit Nederland, Hongarije, Zuid-Afrika, Lesotho, de Filipijnen, Taiwan of Thailand bleven mogelijk. Later dat jaar kwamen daar Portugal en Bulgarije bij.Adoptie mogelijk uit 6 geselecteerde landen

In april 2024 verzocht de Tweede Kamer via de motie Van Nispen om interlandelijke adopties op termijn terug te brengen naar nul, waarop minister Weerwind besloot om geen interlandelijke adopties meer toe te staan, met uitzondering van de lopende zaken.

Geschiedenis Joodse pleegkinderen In november 1944 had Iet van Dijk een microfilm met de ontwerptekst 'Wetgeving oorlogspleegkinderen' bij zich, opgesteld door de samenwerkende ondergrondse groepen. De microfilm was bestemd voor de minister van Justitie, die in Eindhoven resideerde. Van Dijk had de opdracht als officieel vertegenwoordigster van de ondergrondse, ook het Eindhovens comité voor het Joodse kind van deze ontwerptekst op de hoogte te stellen.

Het begin van adoptie in Nederland in de juridische zin werd ingeluid door Gezina van der Molen. Zij zette, zonder dat ze dat toen besefte, de eerste lijnen van de huidige adoptiegedachte en heeft daarmee een stempel gedrukt op de uitwerking ervan. Van der Molen zorgde tijdens de Tweede Wereldoorlog ervoor dat veel Joodse kinderen konden onderduiken in protestantse families. Van der Molen en de toenmalige kinderwerkers - voorgangers van de maatschappelijk werkers - vonden dat deze taak niet langer bij de Joodse gemeenschap moest liggen, maar dat het een landelijke verantwoordelijkheid was om deze kinderen zo snel mogelijk onder te brengen.

Na de oorlog was het volgens Van der Molen een probleem om de identiteit van zowel de kinderen als de ouders te achterhalen. Uit voorzorg drong zij erop aan de ouders die hun kind hadden laten onderduiken de ouderlijke macht te ontzeggen. Dit vooral op aandringen van de niet-Joodse pleegouders. Er werd serieus gewerkt om dit vast te leggen in een wet (met vergelijkbare procedures die tegenwoordig worden gevolgd in sommige landen om moeders tot ‘anonieme’ afstandsverklaringen te dwingen). Door de protesten die hierop volgden, werd het uit de ouderlijke macht ontzetten teruggebracht tot ‘schorsing’ van de ouderlijke macht als de eigenlijke ouders niet binnen een maand na de bevrijding hun kinderen hadden opgeëist.Trouw (2006). Gezina van der Molen: vol erbarmen, maar stijfkoppig; 12 oktober 2006.

Van der Molen werd na de oorlog benoemd tot voorzitter van de Commissie Oorlogspleegkinderen (OPK). Joodse afgevaardigden mochten wel deelnemen aan die commissie, maar niet als institutioneel lid. Dit zorgde voor wantrouwen in de Joodse gemeenschap. De vrees voor een eenzijdige visie Van der Molen over het Joodse-kinderenvraagstuk was niet geheel ongegrond: zij vond namelijk dat als er sprake was van familiebinding, het kind moest verblijven bij de pleegouders waar het kind voor een deel opgegroeid was. In 2005 deelde de Utrechtse rechtbank deze mening nog steeds in de zaak van baby Donna. Die uitspraak was weliswaar gebaseerd op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar Van der Molen formuleerde het nog concreter:

Dat dit niet bij iedereen in goede aarde viel, bleek later door de inmenging van onder andere hervormd predikant ds. J.J. Kalma uit Friesland. Hij vond dat Joodse kinderen thuishoorden in hun oorspronkelijke milieu. Kalma had door ervaringen met dergelijke geforceerde plaatsingen in zijn provincie een andere kijk gekregen en zag dat ondanks de goede intenties, Joodse kinderen niet goed gedijden in Friese protestantse gezinnen. Volgens Kalma hebben pleegouders geen recht op kinderen en kunnen zij dus geen claim of ‘eigendomsrecht’ leggen (via een adoptiewet in de maak) op kinderen van wie niet viel vast te stellen of hun ouders na de Holocaust bij eventuele terugkeer een beroep zouden doen op hun recht op ouderschap. Tevens is zijn uitspraak dat de Joodse kinderen werden geschaad door assimilatie in een protestants gezin, wellicht historisch en vooruitziend in kader van interculturele plaatsingen van kinderen, zoals in de 21e eeuw gangbaar is. Joop Vleeschhouwer blikte in 2004 terug op zijn verblijf bij een protestants gezin en verwoordde de interculturele frictie als volgt:

Ook diverse antropologen en geschiedkundigen hebben in de afgelopen decennia de conclusie getrokken dat interculturele adopties schadelijk zijn voor bepaalde geadopteerden. (2005). Comforting an orphaned nation: Representations of international adoption and adopted Koreans in Korean popular culture, Stockholm University Ervaringen van geadopteerden ondersteunen deze conclusie.Bijvoorbeeld: (2003). The Language of Blood: A Memoir.; . Zie ook problemen van geadopteerden.

Van der Molens repliek dat een mening over de problematiek rond assimilatie wel interessant was, maar dat er onvoldoende Joodse ouders waren die voor hun (eigen) kinderen konden zorgen, zette bij de Joodse gemeenschap kwaad bloed. Na verschillende conflicten over deze kwestie mochten de dossiers van de Joodse kinderen niet meer ingezien worden. Toen Van der Molen antisemitsche toespelingen deed, ontstond een onverzoenbaar conflict tussen haar en de Joodse gemeenschap. Dit conflict leidde ertoe dat ongeveer achthonderd kinderen terugkeerden naar hun Joodse families. Meer dan zevenhonderd kinderen kwamen (of bleven) in niet-Joodse gezinnen, waarvan een groot deel van gereformeerden huize was. Deze gezinnen zetten zich daarna in om de pleegzorg om te vormen in adoptie. In de jaren zeventig zouden de eerste groepen interlandelijk geadopteerden ook veelal in gereformeerde gezinnen worden opgenomen.

De Adoptiewet 1956 In 1956 kreeg Nederland als een van de laatste landen in Europa een wettelijk geregelde adoptie (Burgerlijk Wetboek Boek 1). Adoptie werd vanaf toen als kinderbeschermingsmaatregel juridisch geformaliseerd. Sindsdien werden er ruim 55.000 kinderen geadopteerd (dit cijfer is gecorrigeerd voor stiefouderadopties; deze zijn in 1979 mogelijk gemaakt door de wet), waarvan ruim 38.000 kinderen in het buitenland geboren zijn en ruim 16.000 in Nederland.CBS en Ministerie van Justitie. Sinds 1998 zijn de regels voor interlandelijke adoptie in Nederland gebaseerd op het Haags Adoptieverdrag. De regels zijn uitgewerkt in de Wobka (Wet opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie),Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie de WCAD (Wet Conflictrecht Adoptie) en diverse andere wetten en regelingen.Stichting Adoptievoorzieningen (2009). Wetgeving op het gebied van adoptie, geraadpleegd op 27 juni. Gearchiveerd op 2 januari 2017.

De eerste groep buitenlandse kinderen ter adoptie, vooral uit Griekenland, Oostenrijk, Italië en Duitsland, kwam in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig Nederland binnen zonder dat een adoptieprocedure voor hen bestond. Ze hadden dus ook geen verblijfsvergunning. Nederland kon hen ook niet terugzenden en velen kregen alsnog de status van geadopteerde. Onder druk van de media en het publiek werden de standpunten van diverse ministeries, die kritisch waren over hun toelating, in de context van de toenmalige discussie over de 'immigratiegolf' herzien. Kamerdebatten in 1971 en 1972 resulteerden in een aangepaste adoptiewet die beter toegerust was voor interlandelijke adoptie.

Adoptie van niet-Europese kinderen Het adopteren uit niet-Europese landen kwam in opkomst toen Marjory en Jan de Hartog, die in de Verenigde Staten woonden, zich sterk maakten voor het adopteren van kinderen uit Zuid-Korea en Vietnam. De doorbraak kwam na het televisieprogramma Mies en Scène van Mies Bouwman in 1967. Na het tonen van Eva en Julia, de twee geadopteerde Koreaanse kinderen van Jan de Hartog, kwamen er honderden telefoontjes binnen om te vragen hoe men aan deze kinderen kon komen. De Hartogs opmerking, "al red je er maar één", werd een gevleugelde uitspraak. Zijn boek De Kinderen (1969) over zijn twee adoptiedochters werd voor veel adoptieouders de 'bijbel' in adoptieland. De Nederlandse wet verbood echter het adopteren van kinderen uit niet-Europese landen. Door de druk van de publieke opinie werd de wet in 1974 herzien en werd het mogelijk om kinderen uit het buitenland te adopteren. Dat was het begin van adoptie van kinderen uit ontwikkelingslanden naar Nederland.

In de jaren zeventig kwamen er met name kinderen uit Korea, Indonesië, Sri Lanka, India, Bangladesh, Libanon en verschillende Zuid-Amerikaanse landen, zoals Chili, Colombia en Peru. In de loop van de jaren tachtig sloten bepaalde 'kanalen' en nam het aantal kinderen uit andere af, en kwamen er andere kanalen voor in de plaats. In de jaren negentig nam met name de adoptie van het aantal kinderen uit China toe, zoals te zien is in de grafiek.

Cijfers thumb|300px|Binnenlandse en interlandelijke adopties in Nederland tussen 1956 en 2007

thumb|300px|Interlandelijke adopties naar Nederland, uitgesplitst naar continent van 2002 tot 2021. Bron: FIOM

In 1974 bereikte het aantal Nederlandse adopties haar hoogtepunt met 1259 plaatsingen. Dit was tevens het moment van kentering, want in de jaren erna nam binnenlandse adoptie langzaam aan af ten faveure van adopties uit het buitenland. Mede door de mogelijkheid tot herroeping van de adoptie door Nederlandse ouders (tot 1978) weken veel echtparen die een kind wensten te adopteren uit naar het buitenland. In 1980 werden 1599 kinderen geplaatst, het hoogste aantal tot op heden. In de jaren erna nam het aantal binnenlandse adopties gestaag af tot een gemiddelde van 50 per jaar (1995-2005: range 29-76), terwijl de interlandelijke adopties toenamen tot ruim 1300 in 2004.CBS - Een halve eeuw adoptie in Nederland, 30 oktober 2006. Gearchiveerd op 6 december 2021.Ter vergelijking: volgens het CBS werden in de periode 1950-2006 er tussen de 180,000 en 240,000 kinderen per jaar geboren in Nederland. Tussen 1996 en 2005 steeg het aantal geboorten na een ivf-behandeling van 11.000 naar 15.000. Gearchiveerd op 6 december 2021.