thumb|320px|De Driehoekshandel thumb|320px|Schematische weergave van een slavenschip als bewijs aangedragen voor een commissie van het Britse Lagerhuis in 1790 en 1791 De trans-Atlantische slavenhandel was de handel in slaven uit Afrika naar Amerika, bedreven door Europeanen. Het was de middenpassage van de driehoekshandel en speelde zich af tussen 1525 en 1867, waarbij het hoogtepunt lag in de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw. Naar schatting zijn 12 miljoen slaven vervoerd.

De Atlantische slavenhandel ontstond niet uit het niets. Al eeuwenlang was er in Afrika handel in slaven, Afrikanen verkochten buitgemaakte krijgsgevangenen aan Afrikaanse en Arabische handelaren. Gedurende de vijftiende en zestiende eeuw groeide vanuit Europa de behoefte aan dwangarbeiders, vooral voor werk in de zich ontwikkelende koloniën. In de late vijftiende en in de zestiende eeuw werden vanuit Afrika enkele duizenden slaven per jaar getransporteerd. De behoefte aan arbeid op de suikerriet- en tabaksplantages in Amerika en het tekort aan vrije arbeid vanuit Europa deed de trans-Atlantische slavenhandel steeds verder aanzwellen. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw – toen de suikerrietteelt in het Caribisch gebied goed tot ontwikkeling kwam – nam de slavenhandel explosief toe. Tegen 1700 werden vijftigduizend slaven per jaar getransporteerd. De opbrengsten brachten in Europa een verhoogde welvaart en een manier om de handelsbalans met Azië beter in evenwicht te krijgen. Het droeg met de ontwikkeling van het Atlantische systeem sterk bij aan de Europese expansie en daarmee aan de ontwikkeling van het kapitalisme.

De grootscheepse handel in slaven was niet mogelijk zonder een onmenselijke behandeling van de handelswaar. In de loop der eeuwen werden door slavenjagers tientallen miljoenen mensen tot slaaf gemaakt; een groot deel daarvan maakten de trans-Atlantische reis richting Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Velen stierven nog in Afrika, voor zij verkocht konden worden voor transport. Naar schatting werden tussen de elf en veertien miljoen slaven tijdens deze diaspora verscheept naar het Westen. Gemiddeld kwam zo'n 15% van de slaven te overlijden tijdens de reis.

Op de samenlevingen in Afrika had de trans-Atlantische slavenhandel een ontwrichtend effect waarbij tot op heden bekend is welke voorouders slavenjagers waren. De slavenhandel betekende niet alleen een belangrijke aderlating voor de bevolking in Afrika, het veranderde de samenleving daar ook dramatisch doordat het de militarisering van de Afrikaanse samenlevingen en slavernij in Afrika zelf bevorderde.It is estimated that roughly 18 million Africans were exported from Africa from 1500 to 1900, but only 11 million of them were shipped into the Atlantic economy. These other slaves were shipped into the Indian Ocean or across the Sahara to slave markets in the East, and they also became permanent losses to their countries of origin.One lasting impact of the slave trade within Africa was the growth of internal slave trade. Although slavery within Africa preceded and accompanied the Atlantic slave trade, it would now become even more important after the Western trade in slaves ended. (2010) Daarnaast droeg slavernij bij aan de versterking van racisme, doordat er een rechtvaardiging werd gezocht voor slavernij die eerder door het christendom als immoreel was neergezet.If racism helped create slavery, slavery did the same for racism. (2015), p. 16

De studie van de trans-Atlantische slavenhandel heeft zijn eigen ontwikkeling doorgemaakt. De vroegste werken zijn die van Britse abolitionisten die het wrede karakter van de handel benadrukten om steun te verwerven voor de afschaffing van de slavenhandel. Naast deze morele benadering zijn er sindsdien meerdere invalshoeken bijgekomen. Zo wordt de trans-Atlantische slavenhandel ook onderzocht vanuit de bedrijfsmatige kant, de invloed op het kapitalisme, het Europese imperialisme, het ontstaan van een Atlantische wereld, de sociale en culturele gevolgen, het aandeel van Afrikaanse slavenjagers en de bron van racisme in de Nieuwe Wereld. (2010): The Atlantic Slave Trade. Oxford Bibliographies Online Research Guide, Oxford University PressThe Atlantic Slave Trade, Oxford Bibliographies

Aanvangscondities Het klimaat in Europa was voor de teelt van een aantal gewassen minder goed geschikt. Het tropische en subtropische Afrika voldeed om deze reden beter, maar het binnenland was met zijn tropisch bossen en parasieten lange tijd moeilijk begaanbaar, terwijl rivieren als de Kongo en de Niger voor zeeschepen moeilijk of niet bevaarbaar waren. Op de rand van de woestijn waar landbouw mogelijk was, waren al staten aanwezig die te sterk waren om te koloniseren. Een goed alternatief hiervoor waren aanvankelijk de Atlantische eilanden en later de Nieuwe Wereld. De Azteken en de Inca's waren hier de belangrijkste beschavingen. Het hart van de eerste lag in Mexico, maar de culturele invloed reikte tot aan de Mississippi. Het rijk van de Inca's strekte van het zuiden van Colombia tot het noorden van Chili en Argentinië. In deze goed georganiseerde delen van Amerika konden de Spanjaarden het gezag snel overnemen. In de gebieden daarbuiten, waar geen sprake was geweest van een centraal bestuur, was dit een veel moeizamer proces. Dit was het geval bij de Maya's in Yucatán, maar ook in Brazilië en Noord-Amerika.

Voor de grootschalige mechanisering van de industriële revolutie was men vooral aangewezen op menselijke arbeid. Het was echter vooraf geen uitgemaakte zaak dat dit slaven zouden zijn en dat deze slaven uit Afrika zouden komen. Aanvankelijk werden de arbeidskrachten uit de lokale bevolking gehaald. In het gebied van de Azteken en de Inca's kon gebruik worden gemaakt van het bestaande systeem om grote aantallen arbeidskrachten te werven en was het niet nodig om over te gaan op slavernij. Dit zou ook niet hebben gestrookt met het streven om deze bevolking te kerstenen. De Portugezen probeerden aanvankelijk wel gebruik te maken van de lokale bevolking, maar deze had weinig ervaring met landbouw en met het ontbreken van een centraal gezag bleek men daardoor niet in staat om voldoende arbeidskrachten aan te wenden. Ook was de bevolking in de hun toegewezen gebieden te klein om de plantagehandel te ondersteunen.

Daar kwam bij dat de lokale bevolking onbekend was met een aantal ziektes die een zeer verwoestend effect teweegbrachten. In de Oude Wereld waren deze veelal overgebracht door contact met gedomesticeerde kuddedieren. Ook daar had dit vele slachtoffers geëist, maar was door de eeuwen heen een bepaalde mate van immuniteit opgebouwd. Amerika kreeg nu in korte tijd te maken met een heel scala van deze ziektes, waarbij de bevolking ook nog eens een kleinere genetische variatie had. Minstens 50% en mogelijk 90% van de lokale bevolking verloor tussen 1492 en 1650 het leven, waarmee dit met de veertiende-eeuwse epidemieën in Eurazië de grootste bevolkingsramp in de geschiedenis is geweest.

Vanuit Europa was het moeilijk om arbeidskrachten richting de Nieuwe Wereld te krijgen, wat meerdere oorzaken had. Allereerst was de economische groei met minder dan 0,25% per jaar naar de huidige maatstaven weliswaar laag, maar lag aanmerkelijk hoger dan voorgaande periodes. Er was daardoor in Europa zelf een grote vraag naar arbeidskrachten waarvan het aanbod nog relatief laag was door de grote hongersnood en de Zwarte Dood van de veertiende eeuw. Zeker Portugal kon met nog geen miljoen inwoners ternauwernood zijn rijk beheersen, laat staan dat het voldoende arbeidskrachten kon leveren. Hoewel Spanje ruim zeven miljoen inwoners had, had dit een Europees rijk te verdedigen, wat steeds meer soldaten vroeg. De kansen in Europa en de gevaren van de Nieuwe Wereld maakten het, ondanks de aanwezigheid van edelmetalen, dan ook weinig aantrekkelijk voor de arme bevolking om weg te trekken. Bij onvoldoende aanbod aan vrije arbeid werd overgegaan tot slavernij.

Zolang arbeid schaarser was dan land stimuleerde dit lijfeigenschap en slavernij. Dit was het geval tijdens de Vroege Middeleeuwen in Europa. Slaven zouden het goedkoopst zijn uit Europa, wat eerder ook het geval was geweest met de Slavische volkeren. Deze werden onder meer gebruikt door Venetië op Kreta en Cyprus om met behulp van uit Syrië overgenomen technieken suikerrietplantages te exploiteren. De opkomst van het Ottomaanse Rijk blokkeerde echter de Slavische bronnen. In West-Europa verdween de slavernij grotendeels gedurende de Middeleeuwen, mede door de kerstening en economische oorzaken. Rond de Middellandse Zee was dit niet het geval. Met de Arabische veroveringen was hier zelfs een toename van de slavenhandel te zien. Ook in de rest van Afrika gold dat arbeid schaars was en dat rijkdom werd afgemeten aan het aantal mensen dat men onder zich had. De slavenhandel in Afrika vond dan ook al zeker duizend jaar plaats voordat de Europeanen zich hiermee inlieten. Tot dan was deze echter van bescheiden omvang.

Men ging vrijwel niet over tot het tot slaaf maken van leden uit de eigen samenleving en in Europa werden de meeste staten te krachtig om daar op grote schaal slaven vandaan te kunnen halen. Dit gold niet voor Afrika, waar bepaalde volken andere samenlevingen makkelijker konden overheersen en tot slaaf maken. De Europeanen sloten dan ook aan bij een al zeker zes eeuwen bestaand netwerk van Arabische slavenhandel. De slaven werden aangeleverd door Afrikaanse en Arabische handelaren en door de Europeanen naar Amerika gebracht. De hoge kosten van de aankoop van de slaven, de overtocht en het beteugelen van opstanden werden aanvankelijk gefinancierd met de eerste bron van inkomsten uit de Nieuwe Wereld, de goud- en zilvermijnen. In een later stadium werden hiervoor ook de inkomsten van de plantages voor gebruikt.

Geschiedenis In 1415 veroverden de Portugezen in het verlengde van de Reconquista het rijke Ceuta. Dit was het eindpunt van handelskaravanen vanuit West-Afrika en na de verovering droogde deze bron op, waarna besloten werd de handel zelf over te nemen. De handel in slaven begon in 1444, maar was aanvankelijk ondergeschikt aan hun voornaamste handelswaar uit Afrika, goud.

Slaven werden in Portugal gebruikt voor huishoudelijke taken en in de zuidelijke havensteden van Portugal maakten zij uiteindelijk tot 15% uit van de totale bevolking. In andere Portugese en Spaanse havensteden kon dit tot 10% zijn. Daarnaast namen de Portugezen deel aan de handel langs de Afrikaanse kust om goud te kunnen financieren. In deze situatie kwam verandering toen de Portugezen in 1455 suikerrietplantages gingen exploiteren op Madeira. Hierdoor veranderde de behoefte aan slaven die nu ingezet werden op deze plantages. Aanvankelijk werden deze slaven nog gehaald uit vooral Senegambia en de Goudkust.

Dat veranderde toen ook op Sao Tomé en Principe suikerplantages werden geëxploiteerd en de Portugezen een bondgenootschap sloten met het Koninkrijk Kongo. De samenlevingen die werden aangetroffen in Afrika bleken te krachtig om te koloniseren, zodat de zoektocht naar meer gronden voor suikerplantages een van de drijfveren was om naar steeds westelijker eilanden te zoeken.