thumb|200px|Maria Montessori. Montessorionderwijs is een methode voor basis- en voortgezet onderwijs volgens de grondslagen van Maria Montessori.

Zelfstandig De kern van het montessorionderwijs wordt meestal samengevat in de uitspraak: “help mij het zelf te doen". Uitgangspunt is dat een kind een natuurlijke, noodzakelijke drang tot zelfontwikkeling heeft. Opvoeding en onderwijs moeten onderkennen wat de behoeften van een kind op een gegeven moment zijn en daarop inspelen door de juiste omgeving en materialen te bieden.

De leerlingen werken individueel of in kleine groepjes aan materiaal dat zij zelf aan het begin van de dag gekozen hebben. Dat materiaal is oorspronkelijk door Maria Montessori ontworpen. De leerkracht observeert de activiteiten van kinderen, om erachter te komen waar zij behoefte aan hebben, en reikt dan materiaal aan om in die behoefte te voorzien.

Soms wordt er ‘Leer mij het zelf te doen’ gebruikt, echter hier is de leerkracht aan zet met het aanleren van zaken. Montessori bepleitte juist, ondersteund door ook de moderne wetenschap, dat leren alleen door een kind zelf gedaan kan worden. Bij het woord hulp bedoelt Montessori de voorbereide omgeving, de observaties van de leerkracht en begeleiding in de leeromgeving. De hulp draagt bij aan de werkzaamheid van het kind.

Gevoelige periode Maria Montessori observeerde dat er al tijdens de eerste levensjaren een enorme energie en actiedrang in het kind aanwezig is. Zij keek naar de biologische ontwikkelperiodes, en met tijdgenoten zoals Paiget (eerste voorzitter Montessori Vereniging Zwitserland) en Erikson, vormde zij het idee van ‘gevoelige’ periodes’ voor pedagogische ontwikkeling en het leren van kennis en vaardigheden.

Het kind wordt vanuit zichzelf gemotiveerd om zich te ontwikkelen en om te leren. Dat uit zich in een spontane belangstelling van kinderen. De onderwerpen van die belangstelling verschillen per kind en veranderen in de loop van de tijd. Dit betekent dat kinderen kortere of langere perioden ontvankelijk zijn voor bepaalde leergebieden. Als het kind zich in zo'n "gevoelige periode" bevindt, is het in staat op dat moment een functie zeer intensief te ontwikkelen. Het is de taak en de deskundigheid van de leerkracht om op deze gevoelige perioden adequaat te reageren, door het juiste materiaal in de juiste omgeving aan te bieden. Leerkrachten op een montessorischool zijn speciaal hiervoor opgeleid.

Indien de voorbereide omgeving zo ingericht is dat het kind binnen de interesse en aandrang kan werken zal het vanuit zichzelf gemotiveerd zijn om zich te ontwikkelen en om te leren. Bij jongeren ligt dat iets genuanceerder, daar de ‘pubertijd’ een wisselwerking kan trekken op die gevoeligheid (Tienerbrein, Jelle Jolles). Echter heeft bijvoorbeeld het werk van Deci & Ryan inzicht gegeven in de ontwikkeling van ‘autonome motivatie’ in plaats van de voor het jonge kind altijd beschikbare intrinsieke motivatie, en dient als handvatten voor de VO montessori-leerkracht.

In Nederland hebben deze periodes de volgende namen (bron NMV):

Periode 1 (first plane) 0-6 – Help mij het zelf te doen

De schepper (0-3 jaar)

Een jong kind neemt uit zijn omgeving (onbewust) informatie op.

Start schooltijd

De werker (3-6 jaar)

Jonge kinderen bevinden zich in een 'gevoelige fase' waarin zij via zintuiglijke waarnemingen razendsnel taal, indrukken en vaardigheden uit het dagelijks leven in zich opnemen. Vanuit een sterke innerlijke drang om dingen zelf te doen, herhalen zij gerichte handelingen eindeloos om zich deze met precisie eigen te maken. Een zorgvuldig voorbereide omgeving, zoals de Montessori-onderbouw, komt feilloos tegemoet aan deze actieve ontwikkelingsbehoefte en biedt kleuters de ruimte om zo al doende te leren lezen en rekenen.

Het materiaal is groots en sterk gericht op de ervaring (fenomologie). Het is holistisch, dient meerdere doelen tegelijk. Het is tot op het kleinste detail ontworpen in dienst van de totale ontwikkeling van het kind. En ook om het kind te helpen de grote wereld in te stappen (kosmisch).

Om een paar voorbeelden te noemen:

- Fijne motoriek

- Omgang met beperkte van de aanwezigheid (uitgestelde aandacht en geduld)

- Controle van de fout (de leerkracht niet nodig hebben om verder te kunnen en dus geen   kritische stem horen)

-  Schoonheid van het materiaal (esthetiek)

- Multifunctionaliteit van materiaal (meerdere mogelijkheden)

Andere zaken komen ook al aan bod zoals:

- stem der dingen

- intellectuele wandeling

Periode 2 (second plane) 6-12 – Help mij zelf na te denken.

De verkenner (6-9 jaar)

In deze fase veranderen de behoeften van kinderen en willen zij zich vooral aansluiten bij anderen om gezamenlijk activiteiten te ondernemen. Ze bevinden zich in een gevoelige periode voor het verzamelen van kennis en ontwikkelen een sterk groeiende belangstelling voor normen, waarden en regels.

De wetenschapper (9-12 jaar)  

In deze gevoelige periode voor kennis en cultuur bouwt het kind actief een wereldbeeld op en onderzoekt het de plaats van de mens daarin. Doordat het opdoen van theoretische kennis volgens Montessori onlosmakelijk verbonden is met sociale ervaringen, vormt deze fase de directe basis voor maatschappelijke vorming en het omgaan met normen en waarden.

In de tweede periode gaat het kind met het kosmische onderwijs aan de slag. De grote wereld, de grote verhalen. De voorbereide omgeving gaat van fysieke materialen naar taken, lesjes en werk. Begeleiding vindt plaats aan tafel. De leeromgeving is de hele school. De kinderen krijgen begeleiding en instructie in kleinere groepen.

Periode 3 (third plane) 12-18 - Help mij/ons het samen te doen

De organisator (12-15 jaar)

Samen organiseren en dingen regelen is belangrijk in deze gevoelige periode. Jongeren betreden de grote wereld, maken nieuwe vrienden en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor zaken. Sociaal contact (socialisatie) en wezenlijke verantwoordelijkheid is belangrijk.

De maatschappelijk betrokkene (15-18 jaar)

Deze gevoelige periode gaat zowel als samen betrokken zijn bij de buitenwereld, als het vinden de eigen stem in die wereld. Het is een periode van ontdekking van de grote wereld, werken, klaar maken voor vervolgstudies.

De voorbereide omgeving is de hulp die de leerkrachten inrichten om tot leren en ontwikkelen te komen.  Deze gevoelige periode is volgens Montessori de tijd van de 'Valorisatie van de Persoonlijkheid’. Gert Biesta zou dit ‘subjectificatie’ noemen. Het vinden van de kosmische plek (valoriseren van je mens zijn is dus vanuit het ‘ik’ verbinden met en commiteren aan de wereld om je heen) door karakterontwikkeling en persoonswording. Dit gebeurt door ontmoetingen met volwassenen, ‘real-life’ fenomenologisch en ontwikkelingsgericht onderwijs in een sociaal constructivistische omgeving.  Deze fase is door voor het ontwikkelen van autonomie, relaties en samenwerking met de ander en zorg voor de planeet. Haar model voor het ‘Landkind’ en de farmschool stelt voor dat jongeren dit op een boerderij doen. De fase erna is ingericht om jongeren te begeleiden en voorbereiden op vervolgstudies. Het ontdekken van de Kosmische Taak speelt in deze fase een grote rol. Montessori geloofde dat een mens twee essentiële taken had: zorg voor jezelf en de directe omgeving; en daarnaast het nemen van je plek in de maatschappij. Ieder op een eigen en unieke wijze deel van een grotere kosmische orde, geen mens zonder verantwoordelijkheid voor eigen reactie, het eigen scheppende vermogen, de relaties met anderen en zorg voor de planeet. Naast haar emancipatoire revolutionaire onderwijsvisie, geloofde montessori in een wereld waar solidariteit en ondernemerschap hand in hand gaan.

Vierde fase (fourth plane)  

18-24  Volwassenwording

Montessori heeft voor deze fase geen onderwijs ontwikkeld of heel veel gezegd. Echter observeerde zij toen al dat jongvolwassenen langzaam leren denken over het leven en reflecteren. Haar observaties gaan hand in hand met wat de moderne wetenschap nu verklaard aan de hand van bijvoorbeeld het ontwikkelen van de frontale kwab in de brein.

Andere pedagogen, filosofen en psychologen zoals Erikson en Jung beschouwen trouwens het hele leven in gevoelige periodes voor leren, leven, ontwikkelen en emotionele en spirituele groei.

Verschillende leeftijdsgroepen In een montessoriklas (onderbouw, middenbouw of bovenbouw) zitten leerlingen van twee of drie leeftijdsgroepen bij elkaar. Volgens Maria Montessori is dit essentieel voor een harmonische ontwikkeling. Het geeft kinderen de kans zich te spiegelen aan anderen. Ook buiten school is een kind veelal omringd door oudere en jongere kinderen. Op veel scholen is ieder kind zo een periode de jongste, de middelste en de oudste.

Grote groepen Vanuit de visie van Maria Montessori wordt les gegeven aan gemengde groepen. Er zitten bij voorkeur 3 leerjaren in 1 groep. De valkuil daarin, met oog op ons huidige onderwijs, is dat je soms maar met 7 of 8 kinderen in een jaargroep zit. Kinderen hebben weinig aansluiting/vriendschappen met leeftijdsgenoten.

Montessorimateriaal In de klas wordt gebruikgemaakt van speciale leermaterialen, die speciaal afgestemd zijn op de leeftijd van de kinderen in de verschillende bouwen. In het begin gaat het vooral om ontwikkelingsmateriaal, later ook om didactisch materiaal. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zintuiglijk materiaal (wordt vooral in de onderbouw gebruikt), taal- en rekenmateriaal (in moeilijkheid oplopend van onder- tot bovenbouw) en materiaal ten behoeve van het kosmische onderwijs.

Hieronder volgt een lijst van een aantal materialen die typisch in een montessoriklaslokaal aanwezig zijn:

thumb|Kast met diverse montessorimaterialen

Zintuiglijk materiaal

Taalmateriaal metalen inlegfiguren schuurpapieren letters letterdozen stempelletters taaldozen taalsymbolen boerderij geplastificeerde kaarten met taalopdrachten

thumb|Kralenmateriaal

Rekenmateriaal

Kosmisch onderwijs

Bovendien worden in alle bouwen werkkleedjes gebruikt, zodat de kinderen veilig op de vloer kunnen zitten werken.

Zelf-evaluatie Een kenmerk van montessorimateriaal is dat het kind zelf fouten kan herstellen doordat het zodanig is ontworpen dat het kind zelf bemerkt dat het iets niet goed doet. Tevens is het materiaal zodanig ontworpen dat voortdurend één eigenschap centraal staat. Als het om bijvoorbeeld optellen gaat, speelt niet ook nog een andere vaardigheid een rol.

Scholen Nederland kent zo'n 160 basisscholen voor montessorionderwijs die erkend zijn door de Nederlandse Montessori Vereniging. De scholen zijn over het hele land verspreid en zijn zowel openbare als bijzondere scholen. De scholen ontstonden vanaf 1920, toen de Wet op het Lager Onderwijs van 1920 in werking trad.Basisonderwijs, Nederlandse Montessori Vereniging Daarnaast kent het voortgezet onderwijs tal van montessorischolen. Vlaanderen heeft vijftien basisscholen die werken op basis van de methode Montessori.Alle vestigingsplaatsen met methode Montessori, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming onderwijs.vlaanderen.be. Gearchiveerd op 15 juli 2025.

Zie ook Methodeonderwijs Maria Boschetti-Alberti

Externe links Nederlandse Montessori Vereniging (archiefpagina) Lijst van Montessorischolen in Nederland via de Nederlandse Montessori Vereniging

Categorie:Algemeen bijzonder onderwijs Categorie:Vrij onderwijs Categorie:Eponiem Categorie:Onderwijsvorm