De gewone meikever (Melolontha melolontha) is een insect uit de familie van de bladsprietkevers (Scarabaeidae).
De gewone meikever is met een lengte tot 3 centimeter een middelgrote soort. De kleur van de dekschilden en de poten is kastanjebruin. Het gehele lichaam is voorzien van een fijne, witte beharing en de segmenten van het verder zwarte achterlijf hebben aan weerszijden driehoekige witte vlekjes. De antennes hebben een oranje kleur en eindigen in een langwerpige verdikking. Deze bestaat echter uit verschillende lamellen die eenmaal uitgewaaierd duidelijk zichtbaar zijn en worden gebruikt bij het zoeken naar voedsel of een partner.
De gewone meikever staat bekend als een belangrijk plaaginsect, omdat de larven schade kunnen toebrengen aan door de mens geteelde gewassen. De larven eten wortels van planten en kunnen een verwoestende uitwerking hebben op moestuinen en gazons. De volwassen kevers eten bladeren en kunnen als ze in grote aantallen voorkomen een boom volledig kaalvreten. De volwassen meikever heeft een voorkeur voor eiken, maar leeft ook wel van andere bomen. De kever is in de regel niet zo schadelijk als de larve; al zijn enige uitzonderingen bekend. Toen bestrijdingsmiddelen nog niet bestonden, veroorzaakte de kever veel schade aan gewassen en vormde zo een serieuze bedreiging voor de voedselvoorziening. Na de komst van insecticiden in de twintigste eeuw is de kever veel zeldzamer en in sommige streken is de soort volledig uitgeroeid. Dit geeft duidelijk aan hoe ontzettend schadelijk deze middelen zijn voor de natuur. Meikevers hebben, zoals alle dieren, een functie. Met insecticiden wordt de balans in de natuur ernstig verstoord met allerlei schadelijke gevolgen voor mens én dier.
De gewone meikever komt voor in grote delen van Europa, en is vooral te vinden op open plekken in bossen, bosranden en open velden met gras als begroeiing. In Nederland en België is de soort niet meer zo algemeen als vroeger. De meikever is een van de bekendere Europese kevers en speelt een bescheiden rol in de cultuur.
Naam en indeling thumb|right|260px|Tekening uit 1679 door Maria Sibylla Merian De meikever dankt zijn Nederlandse naam aan het voorkomen van mei tot juni. Ook andere kevers die behoren tot de bladsprietkevers zijn vernoemd naar de maand waarin ze veel voorkomen, zoals de junikever (Amphimallon solstitialis) en de julikever (Polyphylla fullo). De junikever is te zien van juni tot juli, de julikever verschijnt iets later en vliegt van juli tot augustus.
In de Nederlandse taal heeft de meikever veel andere namen, die afhankelijk zijn van de streek. De bekendste namen zijn mulder of molenaar, wat slaat op de fijne lichte haartjes over het gehele lichaam die de kever – net als een molenaar – een bepoederd uiterlijk geven. De voorkeur voor de eik komt vaak terug in streeknamen, zoals in de Twentse varianten ekkelfrans, ekkeltinus, ekkelworm, ekkelteve, ekkeltieuwe en ekkelbrommer. In Drenthe en omstreken worden de namen eekmulder en ekkelbieter gebruikt. Brabantse en Limburgse namen ten slotte zijn hegmulder en meuleneer.
De meikever is binnen Europa in vergelijking met andere kevers een zeer bekende soort waardoor ook in andere talen verschillende namen worden gebruikt. In de Engelse taal wordt de kever cockchafer genoemd; dit is waarschijnlijk een verbastering van 'clock-chafer', dat 'klok-kever' betekent.
De naam 'cock' is Engels voor mannelijk(heid) en zou ook kunnen slaan op de grootte van de kever in vergelijking met andere soorten. Alternatieve Engelse namen zijn billy witch en spang beetle, deze eerste naam verwijst naar de volksmythe dat als de kever in het hoofdhaar terechtkomt, alleen te verwijderen is door het haar af te knippen. De naam 'spang beetle' betekent vrij vertaald 'glimmende kever'.
De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 als Scarabaeus melolontha gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 351
Synoniemen Onderstaand is een lijst met synoniemen van de wetenschappelijke naam weergegeven.
Verspreiding en habitat De gewone meikever is een Palearctische soort die voorkomt in grote delen van Europa. Het grootste deel van het areaal is gelegen in Centraal-Europa, in de landen Albanië, België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Montenegro, Nederland, Noord-Macedonië, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Tsjechië en Zwitserland. In het zuiden van Europa is de kever te vinden in Griekenland, Italië, Portugal en Spanje. De noordelijkste grens van het verspreidingsgebied beslaat delen van Zweden.
De oostelijke grens van het verspreidingsgebied bereikt in het noorden Estland en in het zuiden komt de kever voor in Oekraïne tot ongeveer de denkbeeldige lijn van Charkiv tot Zaporozje en Odessa. De meikever komt ten slotte voor in een deel van Rusland, maar alleen een smalle strook in het westen. De kever komt oostelijk voor tot grofweg de lijn Smolensk - Koersk - Voronezj.
België en Nederland In België komt de kever overal voor met een zwaartepunt in het midden van het land. In Vlaanderen komt de meikever bijna uitsluitend voor in streken waar veel beuken voorkomen.
In Nederland is er een grotere voorkeur voor gebieden met eikenbomen. Hier kan de kever vooral in het zuidelijke en oostelijke deel worden aangetroffen, in het westen van Nederland is de kever zeldzamer. In de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant komen af en toe nog grotere aantallen meikevers voor die schade kunnen aanrichten aan golfterreinen, boomkwekerijen en natuurgebieden.
Habitat De habitat bestaat uit begroeide gebieden zoals graslanden of randen van bladverliezende bossen. De meikever heeft geen echte specifieke voorkeur maar de bodem dient dichtbegroeid of beschaduwd te zijn en ook een losse structuur is een vereiste. Dit is belangrijk voor de ontwikkeling van de larven die niet kunnen overleven in een harde bodem of een bodem die te droog wordt. Geschikte habitats zijn onder andere bossen, graslanden, heidegebieden en savannen. De meikever kan ook worden gevonden in door de mens aangepaste landschappen zoals agrarische gebieden, plantenkwekerijen, golfbanen, tuinen en parken.
Uiterlijke kenmerken thumb|Lichaamsdelen
De meikever heeft een overwegend bruine kleur, de onderzijde en de kop zijn donkerder tot zwart. De lichaamslengte is ongeveer 20 tot 30 millimeter. De meikever heeft net als alle insecten een in drieën verdeeld lichaam. Het voorste deel is de kop (A), die de verschillende uitsteeksels draagt. Achter de kop bevindt zich het borststuk of de thorax (B), waaraan de poten en vleugels zijn gehecht, en aan de achterzijde bevindt zich het achterlijf of abdomen (C).
Kop De kop van de meikever is voorzien van kaken die het voedsel vermalen en draagt verschillende zintuiglijke organen. De ogen van de kever bestaan uit verschillende oogjes of ommatidiën die tezamen een samengesteld oog vormen dat de visuele waarneming verzorgt (9). De ogen vallen op omdat ze relatief groot en zwart van kleur zijn. De ogen hebben een glanzend oppervlak en doen door de ronde vorm kraalachtig aan.
De twee antennes (10) vallen op door hun oranje kleur en ze bevatten vele zintuiglijke cellen die een chemosensorische functie hebben. Hierdoor kan de kever geuren waarnemen en zo voedsel en een partner opsporen. De stoffen die beschadigde planten aan de lucht afgeven kunnen door de mannetjes worden waargenomen, evenals de door een vrouwtje verspreide feromonen, zie ook onder voortplanting en ontwikkeling. Wat zeer opvallend is aan de antenne is het uiteinde, dat er op het eerste gezicht uitziet als een verdikking. Bij nadere bestudering bestaat het einde van de antenne uit een soort waaier van langwerpige, ovale lobben die sterk zijn afgeplat. Antennes die meerdere vertakkingen hebben komen wel meer voor in de insectenwereld maar bestaan vaak uit een onbeweeglijke structuur, zoals een vedervormige of gekamde antenne. De meikever kan zijn antennes echter naar believen inklappen tijdens rusten en openklappen als er gezocht wordt naar voedsel of een partner. Hierdoor worden de antennedelen beschermd als ze niet worden gebruikt, net als de vleugels. In rust zijn de lobben als een pakketje samengevouwen niet als zodanig herkenbaar, maar als ze worden uitgevouwen zijn de verschillende delen makkelijk te onderscheiden. Het geheel doet denken aan een half opengeslagen boek. Mannetjes hebben altijd zeven delen en vrouwtjes altijd zes, de antennes van de mannetjes zijn bovendien langer en de lamellen hebben een aanmerkelijk groter oppervlak dan die van vrouwtjes. Hoewel meer bladsprietkevers opvallende lamellen aan de antennen hebben – ze zijn er immers naar vernoemd – zijn de antenne-uiteinden van de meikever een van de opvallendste uit de groep.
Borststuk thumb|right|260px|Een geprepareerd exemplaar waarbij de vleugels goed te zien zijn. Het eerste segment van het drieledige borststuk wordt aan de bovenzijde bedekt door het pronotum of halsschild (2). Zowel het kopschild als het halsschild zijn donkerbruin tot zwart van kleur. De achterste twee segmenten van het borststuk zijn onder de elytra of dekschilden gepositioneerd.
De voorvleugels worden ook wel dekvleugels of elytra (4) genoemd en zijn aan de bovenzijde gelegen. De dekschilden bedekken het grootste deel van de bovenzijde van het lichaam en hebben een kastanjebruine kleur. Ieder dekschild is voorzien van fijne, witte haartjes zodat de kever 'stoffig' aandoet, het dekschild heeft vier opvallende lengtericheltjes. Dit zijn de zichtbare vleugels, maar ze zijn te hard en te stijf om mee te vliegen. Onder de voorvleugels zijn de achtervleugels gelegen, deze hebben een veel groter oppervlak dan de voorvleugels. In rust worden ze dan ook langs een vast aantal plooien opgevouwen, zodat ze goed beschermd zijn onder de voorvleugels. Net als alle insecten kan een meikever eenmaal volwassen niet meer groeien en als de vleugels beschadigd raken zal dit het vliegen bemoeilijken. Tussen de dekschilden, in het midden, is het schildje of scutellum aanwezig (3). Dit is duidelijk veel donkerder tot zwart van kleur.
De poten van de meikever vallen op door hun kastanjebruine kleur die correspondeert met de kleur van de dekschilden. De zes poten zijn behaard en dragen kleine, maar scherpe, uitsteeksels die sporen worden genoemd. De poten van de meikever bestaan uit verschillende delen die de geledingen worden genoemd. Iedere poot is aan het lichaam gehecht met een kort segment dat de coxa of heup wordt genoemd, gevolgd door de dij of femur (8). Het volgende segment is de scheen of tibia (7). Dit deel is bij mannetjes en vrouwtjes anders van vorm. Bij vrouwtjes is het tibium verbreed en draagt drie tandachtige uitsteeksels. Bij het mannetje is het tibium smaller en heeft slechts twee uitsteeksels. Het laatste segment wordt de tarsus of voet genoemd (6). De tarsus bestaat uit vijf delen en aan het uiteinde zijn de klauwtjes aanwezig. Hiermee houdt de kever zich vast aan de ondergrond.
Achterlijf Het achterlijf is donker tot zwart van kleur, de segmenten van het achterlijf hebben aan de zijkanten ieder een driehoekige witte vlek. De drie lichaamsdelen corresponderen niet helemaal met de schilden aan de bovenzijde van de kever zodat de verdeling het beste te zien is aan de onderzijde van de kever. Aan de bovenzijde wordt de kop beschermd door het kopschild of de vertex (1).Helemaal aan de achterzijde is het uiteinde van het achterlijf zichtbaar, dat uitsteekt onder de dekschilden. Dit wordt het achterlijfspunt of pygidium (5) genoemd en het verlengde, flesvormige uitsteeksel is karakteristiek voor de soorten die tot het geslacht Melolontha behoren. Bij mannetjes is het altijd duidelijk langer dan bij vrouwtjes, zodoende dat het een belangrijk geslachtsonderscheid is.
Onderscheid met andere soorten