Dit is een overzicht van de opstanden in Gent door de eeuwen heen. In de 14e en 15e eeuw stonden Gentse burgers er om bekend zich niet neer te leggen bij in hun ogen onrechtvaardig bestuur van de stad door de adelstand en graven. De bewoners hadden de steden tot economische bloei gebracht en ze stonden op voor hun rechten en vrijheden. Vanuit het perspectief van de adel en de graven sprak men van een rebels karakter.
Inleiding De veertiende eeuw wordt door historici gezien als een periode met een hoog opstandig klimaat in West-Europa en Italië.M. Mollat en P. Wolff, Ongles bleus, Jacques et Ciompi: les révolutions populaires en Europe aux XIVe et XVe siècle. Paris, Calmann-Lévy, 1970, p. 54. De directe aanleiding moet gekaderd worden in het toen geldende leenstelsel en een structureel conflict tussen de naar autonomie strevende stedelijke bevolking en het streven van de graven naar centralisatie van het bestuur. Leenheren die maatregelen namen om de stedelijke autonomie te beperken en eerder overeengekomen stedelijke privileges naast zich neerlegden, riepen weerstand op.
Er was sprake van politiek gemotiveerde opstanden, op sociale leest geschoeide opstanden en conflicten uit economische belangen. De tegenstellingen binnen de zich economisch sterk ontwikkelende steden waren groot. Aan de ene kant grote groepen mensen die onder uiterste zware omstandigheden thuis of in kleine neringen in de vervaardiging van lakenstoffen werkten en hoopten op verbetering van hun sociale toestand.R. De Muynck, “De Gentse oorlog (1379-1385). Oorzaken en karakter.” In: HMGOG, 1951, p. 312. Aan de andere kant een kleinere maar invloedrijke groep mensen die in ambachten, handel en andere beroepen werkten en in de organisatie van stad en beroepsgroep (gilden) of die tot de lage adel behoorden. Zij hadden een vorm van onderwijs genoten en waren er financieel en sociaal beter aan toe. De verschillende beroepsgroepen konden ook sterk verschillende eisen hebben; de ene was bijvoorbeeld afhankelijk van de lokale markt, terwijl de andere afhankelijk was van internationale in- en uitvoer.M. Boone en H. Brand, “Vollersoproeren en collectieve actie in Gent en Leiden in de 14de-15de eeuw”, p. 168-192.
In het veertiende-eeuwse Vlaanderen waren collectief geweld en opstand schering en inslag. Het verloop van opstanden vond plaats tussen verschillende belangengroepen: strijd van stad tegen vorst, zoals in Gent, strijd tussen steden onderling, zoals Gent tegen Brugge en interstedelijke conflicten tussen burgergroepen met verschillende belangen zoals de volders tegen de wevers. Het ging vaak om grootschalige protesten gedurende een periode van relatief lange duur.M. Mollat en P. Wolff, op. cit., p. 139, en S.K. Cohn, Lust for Liberty, The Politics of Social Revolt in Medieval Europe, 1200-1425. London, Harvard University Press, 2006, p. 205. Het economische en politieke klimaat kan gezien worden als grondlegger voor de uitbraken van collectieve opstanden. De Vlaamse steden wonnen in de dertiende eeuw aan economisch belang en konden zich, mede doordat burgers gingen opkomen voor hun rechten tegenover het gezag, in de veertiende eeuw ontpoppen als lokale machtscentra die tegenhangers van het centrale bestuur door de leenheren werden. Sinds de akte van Senlis uit 1301 zag het Gentse stadsbestuur er zodoende volledig anders uit. Zo werden ambachtsorganisaties toegelaten om deel te nemen aan het bewind, waarmee de absolute macht van de viri heriditarii – machthebbers door erfopvolging – was doorbroken. Verschillende belangengroepen probeerden hun eisen door te drukken door samenwerking en via collectieve actie, waar de zwakkere Vlaamse graven onvoldoende weerwerk tegen kon bieden.Dries Merlevede, De Gentse opstand (1379-1385): ‘Le commun se esmeut’. Een onderzoek naar de leidersfiguren en de opstandige massa in de verhalende bronnen. (masterproef), Universiteit Gent, 2008-2009. Gearchiveerd op 9 juni 2023.
Het waren vooral de burgers van Gent die het niet eens zijn met het bestuur van de graaf, in tegenstelling bijvoorbeeld tot de stad Brugge die meer graafgezind was. Dat lag niet zozeer aan het karakter van de Gentse burgers, maar aan politieke en economische omstandigheden en uiteenlopende belangen. Zo werden bijvoorbeeld lange tijd spanningen tussen beide grote steden aangejaagd door het graven van een kanaal, de Brugse Leie, dat Brugge zou verbinden met de vaarwaters van Gent.M. Vandermaesen, e.a. De Witte Kaproenen: de Gentse opstand (1379-1385) en de geschiedenis van de Brugse Leie. Gent, Kultureel jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen (10), Gent, 1979, p. 13 Brugge kreeg toelating voor de graafwerken, maar dit was in strijd met het stapelrecht op graan dat Gent had verkregen in 1358, dus de beslissing van de graaf werd in Brugge wel, maar in Gent niet in dank afgenomen. De Gentse schippers, brouwers en de handel zagen zich bedreigd en kwamen in verzet.
Zo kunnen voor elke opstand (gerechtvaardigde) belangen worden gedetecteerd voor zowel de opstandige groep als de groep waartegen men zich verzet.
1128: verzet tegen Clito Na de moord op graaf Karel de Goede door de Erembalden duidde koning Lodewijk VI van Frankrijk de Normandische vorst Willem Clito aan als opvolger. Het vestigen van zijn gezag verliep vrij vlot tot een rivaal met Engelse steun opdook in de persoon van Diederik van de Elzas. Dit ‘kandidaatje van de Gentenaars’, zoals Galbert van Brugge hem wrevelig omschreef, kreeg in februari 1128 steun van de edelman Iwein van Aalst, die namens de poorters van Gent openlijk tegen Clito sprak.Raoul Van Caenegem, "De Gentse Februari-Opstand van het jaar 1128", in: Spiegel Historiael, 1978, p. 478-483 Ook Sint-Omaars keerde zich tegen hem, snel gevolgd door Brugge en Rijsel. Clito sneuvelde in juni bij Aalst voor hij de Gentenaars kon bedwingen. Met steun van de rebellerende steden werd Diederik van de Elzas de nieuwe graaf.
1275-1281: het gemeen tegen de XXXIX Stakingen in de textielsector culmineerden in 1275 in het aan de kant schuiven van de 39 Gentse schepenen. Waarschijnlijk werd dit oligarchische stadsbestuur vervangen door een rivaliserende factie patriciërs die steun genoot onder de ambachtsklasse.Frans Blockmans, Het Gentsche stadspatriciaat tot omsteeks 1302, 1938, p. 247-250 en 357-359 Gravin Margaretha kwam naar Gent om dit tijdelijke bestuur te installeren, dat tot 1277 moet hebben gezeteld. Het is slechts gekend uit een brief die het stuurde aan koning Filips de Schone om de machtsovername te legitimeren. Nadien sluimerde het conflict voort, om in het revoltejaar 1280 weer aan de oppervlakte te komen. De stedelijke belastingheffing leidde tot onlusten. Opnieuw vond het gemeen een bondgenoot in de grafelijke macht en het patriciaat in de koning: Gwijde van Dampierre zette in 1280 de XXXIX af, maar het volgende jaar deed het Parlement van Parijs zijn beslissing teniet.
1297-1302: verzet tegen Filips de Schone
Gwijde van Vlaanderen zette in 1297 opnieuw het Gentse stadsbestuur af. De graaf bekocht zijn opstandigheid met gevangenschap en zag koning Filips de Schone in 1301 Vlaanderen annexeren. Gent behoorde tot de steden in het grafelijke kamp die de koning weerstonden. Aan het hoofd van zijn leger kwam Filips naar Vlaanderen en ook naar Gent, dat verdedigd werd door een garnizoen onder Robrecht III van Bethune. Op 8 mei gaf de stad zich na onderhandelingen over. De koning herstelde de XXXIX in ere, maar zorgde ervoor dat het orgaan niet langer gemonopoliseerd werd door enkele families. Hierdoor nam Gent het volgende jaar niet deel aan de Guldensporenslag, al bracht Jan Borluut nog een behoorlijke delegatie in het veld.
1337-1349: Jacob van Artevelde Het begin van de Honderdjarige Oorlog had onmiddellijk gevolgen in de tweede grootste stad benoorden de Alpen. Koning Eduard III van Engeland legde de wolexport naar Vlaanderen lam in reactie op het handelsembargo waarmee graaf Lodewijk van Nevers zijn leenplicht tegenover Filips VI van Frankrijk invulde. Gent belegde eind 1338 een volksvergadering, waarna het stadsbestuur werd vervangen door vijf hoofdmannen geleid door Jacob van Artevelde. Hij voer een neutrale koers die door Frankrijk en Engeland werd aanvaard, zodat de wolhandel weer op gang kwam. Artevelde verkreeg de steun van Brugge en Ieper en wierp zich op als feitelijk leider van Vlaanderen. Met zijn Witte Kaproenen onderdrukte hij de textielnijverheid van de kleine steden en het platteland, die tevergeefs steun zochten bij Lodewijk van Nevers. De vernederde graaf vluchtte naar Parijs. Artevelde verving hem door een ruwaard, Simon de Mirabello, en schaarde zich nu voluit in het Engelse kamp. Eduard liet zich in 1340 als koning van Frankrijk huldigen op de Gentse Vrijdagmarkt. Met Vlaamse hulp won hij de Slag bij Sluis en sloeg hij het Beleg van Doornik, dat echter op niets uitliep. Vlaanderen zag de Engelse troepen vertrekken en had te lijden onder het graanembargo ingesteld door Filips VI. Niettemin wist Artevelde zijn anglofiele beleid nog een aantal jaren aan te houden. Bij afwezigheid van de graaf bakenden de drie grote Vlaamse steden in 1343 elk formeel hun 'kwartier' af waarin ze administratief en fiscaal de plak zwaaiden. Hij kon niet verhinderen dat de Gentse wevers en volders, die zijn machtsbasis vormden, elkaar in 1345 te lijf gingen op quaden maendach vanwege een loonconflict. Weversleider Geraard Denijs negeerde zijn matigende tussenkomst, liet de volders afslachten en doekte het bewind van de hoofdmannen op. Te midden deze interne strijd heetten Oudenaarde, Geraardsbergen en Dendermonde de graaf terug welkom. Voor hen was de uitbouw van het Gents kwartier tot een stadstaat geen wenselijke evolutie. Hoewel niet langer opperhoofdman, ging Artevelde in Sluis met de Engelsen onderhandelen om de Zwarte Prins graaf te maken. Het kwam hem in Gent, waar de droom van de stadstaat nog leefde, op beschuldigingen van verraad te staan. Een bijl in zijn hoofd maakte een einde aan zijn bewind. Nochtans zetten de wevers, die de macht in de stad overnamen, de pro-Engelse politiek voort. Aan de chaos en willekeur waarin hun bewind ontaardde, kwam een einde in 1349, toen de volders wraak namen voor de slachting van vier jaar tevoren. Op Goede Disendach 13 januari zetten ze de poorten open voor een legertje ballingen en haalden ze de bovenhand in een treffen met de wevers. Het nieuwe regime dat ze aan de macht brachten in Gent, erkende het gezag van de graaf Lodewijk van Male, die in naam reeds drie jaar was aangetreden. Op de machtswissel volgde een uittocht van vele honderden wevers, wat tot problemen leidde voor de hele textielsector.
1359-1360: weversopstand