Johannes Jacobus (Han) Voskuil was een Nederlandse volkskundige en schrijver van literaire kritieken, romans en korte schetsen.
Biografie Voskuil was de oudste zoon van Klaas Voskuil (1895-1975), bij leven hoofdredacteur van Het Vrije Volk, die vooral bekendheid genoot door zijn VARA-radiorubriek Socialistisch Commentaar, en Antonetta Fenna Trijntje (Anneke) Lubbers (1900-1953).Toen zijn moeder overleed, spraken minister-president Willem Drees en haar zwager J.J.B. Voskuil aan het graf, terwijl haar man Klaas Voskuil, bevriend met Drees, namens de familie het dankwoord sprak; zie: Het vrije volk, 7 september 1953. J.J. Voskuil is vernoemd naar zijn grootvader Johannes Jacobus Voskuil (1861-1931), die bakker was te Zwolle.Voskuil zou in zijn wetenschappelijke loopbaan over bakkers en broodgerelateerde onderwerpen publiceren, onder andere: Twaalf bakkers en twee bakkersdochters in gesprek met J.J. Voskuil. Wageningen/Arnhem, 1978. Zie voorts: Doelman (1988). Een broer van hem was de jurist Bert Voskuil (1929-2019), en zij hadden nog een broer Jan Voskuil (1934-2016). Zijn grootvader was in 1892 getrouwd met een Duitse, Johanna Francisca Vortanz (1861-1920), die als gouvernante in dienst was getreden van mr. Jan Arend Frederik baron de Vos van Steenwijk genaamd van Essen tot Windesheim (1851-1905); vervolgens hadden zij elkaar leren kennen bij het Leger des Heils in Zwolle. Volgens de schrijver werd bij dit sociaal bewogen echtpaar de kiem gelegd voor zijn 'socialistische jeugd', waarin de 1 meivieringen, de bijbehorende feesten en de voorbereidingen op verkiezingen, die gericht waren op propaganda voor de SDAP, een rol speelden.J.J Voskuil, 'Een socialistische jeugd', in: Onvoltooid verleden 11 (maart 2001), p. 7-38, later opgenomen in Onder andere.
Tijdens zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam was hij in 1948 praeses van de studievereniging voor Neerlandici H.E.L.I.O.S.,Zie: Tromp, p. 57. In dat jaar maakten ook zijn studievrienden Jan Voorhoeve en Suze Hoven deel uit van dat bestuur. Zijn studie rondde hij cum laude af bij W. Gs Hellinga. Als student publiceerde hij voor het eerst literaire stukken in Propria Cures.Zie: Heymans, Lam naast leeuw, p. 224. Aanvankelijk woonde hij in Amsterdam op kamers bij zijn achterneef, de kunstschilder Jo Voskuil (1897-1972) en zijn echtgenote Dora Paulsen, een kinderloos echtpaar.Tromp noemt hem een "oom" van Voskuil, maar dat is onjuist: zijn vader Klaas Voskuil en Jo Voskuil waren volle neven: hun vaders waren broers, maar beide neven waren dus wel van dezelfde generatie; zie: Tromp, p. 76. Na zijn studie werkte Voskuil bij Sticusa, daarnaast als vertaler bij de EGKS in Straatsburg, in het schooljaar 1955/56 als leraar aan een kweekschool in de stad Groningen en vervolgens bij de P.C. Hooft-commissie, waar Hellinga voorzitter van was. Als docent Nederlands gaf hij, volgens sommigen, op een ongebruikelijke maar inspirerende manier les.Zie hiervoor met name: Jelle Folkeringa, 'Voskuil en de Kweekschool in Groningen', in: Tirade 52 (2008) 424 (september), p. 55-58. In de jaren 1956-1960 publiceerde hij ook besprekingen van (buitenlandse) literaire werken.Zie: Heymans, Lam naast leeuw, p. 224-226, later gebundeld in Ik ben ik niet. Op 1 juli 1957, tevens zijn verjaardag, trad hij in dienst bij het later geheten Meertens Instituut, als adjunct-wetenschappelijk medewerker, waaraan hij exact 30 jaar verbonden zou blijven, laatstelijk als hoofd van de afdeling Volkskunde, en wat hem inspireerde tot de zevendelige romancyclus Het Bureau;Zie over de relatie tussen de romanwerkelijkheid en die van het instituut met name: Gerard Rooijackers, ' 'Is dit mijn leven?' Fiction en faction in Het Bureau ', in: De discipline van het dagelijks leven, p. 127-145, en: Rob van Ginkel, ' 'Antropologen deugen niet'. Voskuils visie op vakbroeders uit een zusterdiscipilne', in: idem, Volkscultuur als valkuil, p. 99-120. Zie voorts: Ingrid Harms, 'Het Bureau slaat terug. De personages van J.J. Voskuil over hun auteur', in: Vrij Nederland, 23 november 1996, p. 40-51, en: Jeroen Vullings, 'Wat waren ze kwaad. De uitwerking van Het Bureau op de daarin beschreven werkelijkheid', in: Nog even een ommetje, p. 228-244. per 1 juli 1987 trad hij uit dienst, gebruik makend van de VUT-regeling. In de eerste jaren werkte Voskuil, volgens Van Heest, halve dagen bij Meertens, zodat hij kon werken aan zijn roman over zijn studententijd, Bij nader inzien.Zie over Voskuils studenten- en latere tijd met name: Detlev van Heest, ' 'Het mislukte leven' ', in: J.J. Voskuil, Ik ben ik niet, Amsterdam, 2014, p. 7-103, gebaseerd op diens ontmoetingen en interviews met Lousje Voskuil na het overlijden van haar man. Hoe betrouwbaar deze herinneringen meer dan 60/70 later uit de jaren 1940 en 1950 zijn, is onduidelijk: zo werkte Voskuil bijvoorbeeld volgens de toenmaals 86-jarige geïnterviewde vanaf 1957 bij het instituut maar zou hij ook nog tussen 1956 en 1959 werkzaamheden voor de P.C. Hooft-commissie uitgevoerd hebben, en inkomsten hebben moeten genereren door zijn literaire kritieken.
Voskuil was in 1950 getrouwd met Lousje M.E.M. Haspers (1926), die hij kende uit Den Haag; beiden hadden schilders in de familie (zijn overgrootvader, haar grootvader aan vaders kant). Beiden waren dierenbeschermers. In 1997 richtte Voskuil de dierenwelzijnsorganisatie Stichting Varkens in Nood op, gesteund door onder anderen de schrijver Koos van Zomeren. Veel elementen uit het persoonlijke leven van het echtpaar, zoals het niet willen bezitten van een auto, het hebben van katten, het wonen aan de Lijnbaansgracht nr. 84-hs (1956-1969) en de Herengracht nr. 60 (1969-2008) in Amsterdam en hun wandelvakanties in Auvergne, staan beschreven in zijn boeken.
Na een langdurige ziekte besloot Voskuil tot euthanasie. Hij stierf thuis op 1 mei 2008, Dag van de Arbeid. Op 8 mei 2008 werd hij begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag.
Wetenschappelijk werk Per 1 juli 1957 trad Voskuil in dienst van het latere Meertens-instituut, gevraagd door P.J. Meertens, nadat hij daar al eerder had gewerkt als student-assistent. Het lag in de bedoeling dat Voskuil ook Meertens zou opvolgen als directeur van het instituut. Dat laatste gebeurde niet, onder andere omdat hij weigerde een proefschrift te schrijven en sommige leden van de commissie van toezicht op het instituut dat een onoverkomelijk bezwaar achtten. Daarom werd het hoofd van de afdeling Dialectologie, Dick Blok, in 1965 aangewezen als directeur en opvolger van Meertens. Onder het bewind van Voskuil groeide wel de afdeling Volkskunde, waarvan hij het hoofd werd. Aanvankelijk bleef hij nog enige tijd na zijn vervroegde uittreding lid van verscheidene commissies totdat op een gegeven moment opvolgers voor hem waren benoemd. Toen hem duidelijk was gemaakt dat na zijn vertrek zijn aanwezigheid op het instituut als ongewenst werd beschouwd, kwam hij er niet meer, en enkele jaren later begon hij aan het schrijven van zijn romancyclus Het Bureau.
Volkskunde-atlas In de dertig jaar dat Voskuil zich bezighield met volkskunde, onderging dit vak een ontwikkeling waarin hijzelf een rol speelde.Het eerste wetenschappelijke werk betrof overigens diens Het Nederlands van Hindoestaanse kinderen in Suriname. Onderzoek naar de invloed van de moedertaal bij het aanleren van een vreemde cultuurtaal. Amsterdam, 1956. Dit was een taalkundig onderzoek op instigatie van Voskuils leermeester W. Gs Hellinga en betrof de analyse van 195 opstellen van Surinaamse Hindoestanen als toelatingsexamen voor de MULO in 1949. Zie aldaar: 'Inleiding', p. 1-9.Zie over die ontwikkeling van het vak en Voskuils rol, met name: Volkskundig bulletin 14 (1988) 1 (mei) [afscheidsnummer voor J.J. Voskuil]. De discipline van het dagelijks leven [themanummer van:] Volkskundig bulletin 25 (1999) 2/3 (december) [afscheidsnummer voor Ton Dekker]. Rob van Ginkel, Volkscultuur als valkuil. Over antropologie, volkskunde en cultuurpolitiek. Amsterdam, 2000. Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie. Nijmegen, 2000.Volkskunde was met name door het nationaalsocialisme en mensen als Dirk Jan van der Ven en Jan de Vries in een kwaad daglicht komen te staan; zie hiervoor met name: Barbara Henkes, Uit liefde voor het volk. Volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit 1918-1948. Amsterdam, 2005; ook Voskuil wordt in dit werk genoemd en aangehaald, met name zijn artikel over de midwinterhoorn en zijn 'Geschiedenis van de volkskunde in Nederland. Portret van een discipline' (1984). In die periode schreef hij 5 monografieën, 58 artikelen en 221 recensies van boeken en tijdschriftartikelen.Zie: Doelman (1988). Daarbij dient te worden opgemerkt dat sommige recensies eerder beschouwd kunnen worden als polemische artikelen over het vakgebied dan louter besprekingen van de betreffende publicaties. De eerste opdracht die hij kreeg van zijn superieur P.J. Meertens was het schrijven van het commentaar bij de eerste aflevering van de Volkskunde-atlas voor Nederland en België, toenmaals het enige volkskundige project van het bureau.Zie voor de geschiedenis van deze atlas met name: 'Inleiding', in: Volkskunde-atlas voor Nederland en België. Commentaar. Aflevering I. Antwerpen/Amsterdam, 1959, p. 5-14. Die atlas had tot doel (historische) cultuurgebieden en -grenzen te reconstrueren voor onderwerpen uit de volkscultuur op zogenaamde verspreidingskaarten, aan de hand van vragenlijsten die (voor Nederland) vanaf 1934 waren rondgestuurd naar de zogenaamde correspondenten; voor de eerste vragenlijst betrof dit 2040 antwoorden van respondenten.Zie onder andere: 'Het dwaallicht', in: Volkskunde-atlas voor Nederland en België. Commentaar. Aflevering I. Antwerpen/Amsterdam, 1959, p. 15-27. Voorafgaand aan dit commentaar had hij overigens al twee kortere artikelen gepubliceerd over de kinderschrik (1958) en de nageboorte van het paard (1959).Zie: Doelman (1988). Deze eerste aflevering van de atlas kreeg kritiek, met name omdat er geen verklarend commentaar werd geleverd, maar het zich beperkte tot een samenvatting van de antwoorden van de respondenten. In de tweede aflevering van de atlas, die in 1965 verscheen, werd dit anders aangepakt. Voskuil gaf in de inleidingen van de commentaren op de verschillende verspreidingskaarten, onder andere over de korenschrik, een samenvattend overzicht van de hem bekende literatuur over deze verschijnselen.J.J. Voskuil, 'Kinderschrik in het korenveld', in: Volkskunde-atlas voor Nederland en België. Commentaar. Aflevering II. Antwerpen/Amsterdam, 1965, p. 139-191. Na deze twee atlassen met commentaar zouden er nog maar twee verschijnen: de derde in 1968, geheel verzorgd door Maurits De Meyer, en de vierde in 1969, geheel verzorgd door Voskuil, over de nageboorte van het paard. Dat hieraan een einde kwam had mede zijn oorsprong in de ontwikkeling in het denken over deze, maar met name de internationale Etnologische Atlas (EA).Zie hiervoor met name: H.L. Cox, 'De Etnologische Atlas van Europa en de aangrenzende landen: alleen een generatieconflict?', in: Volkskundig bulletin 14 (1988) 1 (mei), p. 25-44.
Europese etnologische atlas