thumb|Stele van de Codex van Hammurabi (Louvre). Het Babylonisch recht is een van de oudste rechtssystemen in de wereld en is voornamelijk gebaseerd op het ius talionis-principe ("vergeldingsrecht"). Vooral de opeenvolgende "codificaties" zijn kenmerkend alsook het sterk ontwikkelde verbintenissenrecht.

Bronnen Het bronnenmateriaal betreffende de studie naar het Babylonisch recht is buitengewoon uitgebreid. Er zijn duizenden zogenoemde "contracten", waaronder een grote verscheidenheid aan akten, overdrachtsakten, contracten, ontvangstbewijzen, rekeningen, en het belangrijkst van allen, de daadwerkelijke wettelijke beschikkingen die door de rechters in de gerechtshoven werden uitgesproken. Historische inscripties, koninklijke oorkondes en decreten, officiële verslagen, privébrieven en de algemene literatuur geven ons welkome aanvullende informatie. Zelfs grammaticale en lexicografische werken bevatten vele fragmenten of korte zinnen die betrekking hebben op de wet of op gewoonte. Het zogenoemde "Sumerische familierecht" is op deze manier bewaard gebleven.

thumb|left|Bovenste gedeelte van de Codex Hammurabi. De ontdekking van het inmiddels beroemde Wetboek van Hammurabi (of Codex Hammurabi, hierna genoemd “Codex”) heeft een meer systematische studie mogelijk gemaakt dan door classificatie en interpretatie van ander bronnenmateriaal mogelijk was geweest. Er bestaan fragmenten van een later wetboek, die ook gepubliceerd zijn; maar er zijn nog steeds vele punten waarop geen bewijsmateriaal voorhanden is.

right|400px Dit bronnenmateriaal dateert van de vroegste geschiedenis tot aan het begin van het christelijke tijdperk. Bewijsmateriaal over een bepaald onderwerp kan overvloedig zijn in de ene periode, en vrijwel geheel ontbreken in de andere. De Codex vormt de basis voor het schetsmatige beeld dat hier wordt gereconstrueerd. De fragmenten hiervan die verkregen zijn uit de bibliotheek van Assur-bani-pal in Niniveh en latere Babylonische exemplaren tonen aan dat het materiaal werd bestudeerd, in hoofdstukken ingedeeld, een titel kreeg (Ninu ilu sirum, naar de openingswoorden) en gedurende vijftienhonderd jaar of meer steeds opnieuw werd gekopieerd. Het overgrote deel ervan bleef van kracht, zelfs gedurende de Perzische, Griekse en Parthische veroveringen, die het privéleven in Babylonië slechts minimaal beroerden. Het is zelfs zo lang van betekenis geweest dat het Syro-Romeinse recht en later het islamitische recht in Mesopotamië erdoor beïnvloed kon worden.

De wetten en gewoonten die aan de Codex voorafgingen, zullen we “vroeg” noemen; die van het Neo-Babylonische keizerrijk (evenals het Perzische, Griekse etc.) noemen we “laat”. De Assyrische wetgeving is een afgeleide van de Babylonische, maar heeft vroege kenmerken behouden, lang nadat die elders verdwenen waren.

Stammeninvloeden Toen de Semitische stammen zich vestigden in de steden van Mesopotamië, werden hun stamgewoonten overgenomen in de stedelijke wetgeving. De vroege geschiedenis van het land is het verhaal van een strijd tussen de steden met als doel superioriteit. Een metropool eiste financiële bijdragen en militaire steun van zijn onderworpen steden, maar liet hun cultuur en gewoontes onaangetast. De gebruiken en rechten van de steden werden door zowel koningen als veroveraars alom geëerbiedigd.

Pas in de tijd dat Assurbanipal en Shamash-shum-ukin de troon bestegen, gingen de Babyloniërs een beroep doen op hun stadswetten die voorschreven dat groepen vreemdelingen tot een aantal van twintig tegelijkertijd de stad mochten ingaan; dat een buitenlandse vrouw, wanneer ze getrouwd was met een Babylonische man, niet tot slavin kon worden gemaakt; en dat zelfs niet een hond, die de stad inkwam, kon worden gedood zonder een proces.

De bevolking van Babylonië bestond uit vele volkeren van de oudheid en het onderlinge contact tussen de steden was veelvuldig. Elke stad kende een grote groep vreemdelingen als bewoners. Deze vrijheid van onderlinge contacten tussen steden moet hebben geleid tot overname en aanpassing van de gebruiken en gewoontes. Het was echter te danken aan de genialiteit van Hammurabi die van Babylon zijn hoofdstad maakte en een enorm rijk smeedde door een uniform stelsel van wetten.

Bijna alle sporen van tribale gewoontes waren reeds verdwenen uit de wetten van de Codex. Het was de staatswet; de zelfhulp, bloedvetes, huwelijk door gevangenschap, waren allen afwezig; behalve het wetboek van familiesolidariteit, districtsverantwoordelijkheid, beproeving, lex Kham-murabi, ius talionis waren primitieve elementen die bleven bestaan. De koning was een welwillende autocraat, gemakkelijk toegankelijk voor al zijn onderdanen, die zowel de mogelijkheid als de wil bezat om de zwakken te beschermen tegen de hoog-geplaatste onderdrukkers. De koninklijke macht, echter, kon slechts gratie indien de persoonlijke wrok opzij werd gezet. De rechters stonden onder strak toezicht, en beroep aantekenen was toegestaan. Het hele land was bezaaid met feodale landgoederen, belastingsambtenaren, politie, etc. Er was een regulier postsysteem. De Pax Babylonica was in een dergelijk grote mate veilig gesteld dat individuele personen niet aarzelen om in hun rijtuig van Babylon naar de kust van de Middellandse Zee te rijden. De positie van de vrouw was vrij en gerespecteerd.

De Codex bevat niet alleen eigentijdse gebruiken of behoudende oude wetten. Het is waar dat de eeuwen van respectabele en gerechtelijke gewoontes, in de tempelarchieven van elke stad, enorme hoeveelheden gewoonten in oude akten en verslagen van gerechtelijke besluiten, en dat die betrekkingen de stadsgebruiken hadden geassimileerd. De universele gewoonte van het schrijven, en de eeuwige toevlucht tot geschreven contracten, bepaalden nog meer de primitieve gebruiken en oude precedenten.

Op voorwaarde dat de partijen akkoord konden gaan, liet de Codex hen, in de regel, vrij om contracten aan te gaan. Hun akte van overeenkomst werd opgesteld door een publieke notaris in de tempel, en werd bevestigd met een eed "bij god en de koning." Het werd in het openbaar verzegeld, in het bijzijn van professionele getuigen, en door wederzijds geïnteresseerde partijen. De wijze waarop dit werd uitgevoerd kan voldoende waarborg zijn geweest dat de bepalingen niet respectloos of onwettig waren. Het gebruik en de publieke opinie zullen zonder enige twijfel ervoor gezorgd hebben dat er geen verkeerde contracten werden afgesloten. "In het geval van geschil, behandelden de rechters eerst het contract. Zij zouden het aanmoedigen, maar als de partijen het niet betwistten, waren zij vrij om het te onderzoeken. Het besluit van de rechters zou, echter, kunnen betekenen dat zij de zaak doorverwezen. Vele contracten bevatten de voorwaarde die, in geval van een toekomstig geschil, de partijen zich zouden neerleggen bij het "besluit van de koning". De Codex maakte, in een groot aantal zaken, bekend wat die beslissing zou zijn, en veel zaken, waarin een beroep werd gedaan op de koning, gingen terug naar de rechters met het bevel om een beslissing te nemen die in overeenstemming was met de wet. De Codex zelf werd zorgvuldig en logisch gerangschikt, en de orde van de afdelingen werd vastgesteld op basis van hun onderwerp. Desondanks is de orde niet dat van moderne wetenschappelijk verhandelingen, zodat is een enigszins verschillende orde van beide het geschiktst is voor ons doel.

Drie klassen Het wetboek deelt de bevolking op in drie klassen: amelu, muskinu en ardu.

De amelu was een patriciër, het hoofd van de familie, wiens geboorte, huwelijk en dood werd geregistreerd; met voorouderlijke landgoederen en in het bezit van het volle burgerrecht. Hij had aristocratische voorrechten en verantwoordelijkheden, en recht op de vereiste vergelding voor lichamelijke verwondingen, maar was onderworpen aan een zwaardere straf voor misdaden en misdrijven, hogere prijzen en boetes. Tot deze klasse behoorden de koning en het hof, de hogere ambtenaren, de beroepen en de vaklieden. De term werd in de loop van de tijd een zuivere hoffelijkheidstitel, maar bezat oorspronkelijk een zekere status. Reeds in het wetboek, toen status niet betrekking had op, werd het gebruikt om "iedereen" aan te duiden: "Er was geen eigendomskwalificatie, noch schijnt de termijn raciaal te zijn."

Het is zeer moeilijk om aan te geven wat een muskinu precies is. De term kreeg in de loop van de tijd de betekenis van "bedelaar", en is met die betekenis via het Aramees en Hebreeuws terechtgekomen in veel moderne talen. Hoewel het wetboek hem niet noodzakelijkerwijs als arm beschouwt, bezat hij waarschijnlijk geen land. Hij was vrij, maar moest financiële compensatie accepteren voor lichamelijke verwondingen, betaalde lagere tarieven en boetes, en hoefde zelfs minder offergaven te schenken aan de goden. Hij woonde in een afgescheiden wijk van de stad. Er is geen reden om hem te beschouwen als iemand die een speciale binding had met het hof, als een koninklijke beschermeling, noch als deel van het grootste deel van de bevolking. De bijzonderheid van, om het even welke verwijzingen naar, hem in eigentijdse documenten maakt van verdere specificatie giswerk.

De ardu was een slaaf, het bezit van zijn meester, en maakte aldus deel uit van een grote klasse. Hij kon wel bezit verwerven en zelfs andere slaven houden. Zijn meester kleedde en voedde hem, en betaalde de rekening van zijn arts, maar kreeg alle compensatie die betaald werd voor zijn verwondingen. Zijn meester zocht voor hem gewoonlijk een slavin als vrouw (de kinderen waren dan geboren slaven), gaf hem een huis (met landbouwbedrijf of handel) en nam eenvoudigweg jaarlijks pacht in ontvangst. Anders zou hij een vrije vrouw kunnen huwen, (de kinderen waren dan vrij) die een bruidsschat zou kunnen meebrengen, waarop zijn meester geen recht kon doen gelden, en bij zijn dood, de helft van zijn bezit naar zijn meester ging als erfgenaam. Hij kon zijn vrijheid krijgen zich vrij te kopen van zijn meester, vrijgelaten worden om in dienst te worden gesteld van een tempel of zelfs worden geadopteerd, als hij een amelu, en niet een muskinu, werd. Slaven werden geworven het buitenland door middel van aankoop, van gevangengenomen tegenstanders, of vrije mannen die zich sociaal verlaagd hadden door schulden of misdaad. Een slaaf liep vaak weg. Wanneer hij gepakt werd was, was de overmeesteraar gebonden om hem aan zijn meester te overhandigen, en de wet bepaalde dat een beloning van twee sjekels aan de overweldiger moest worden betaald aan de overweldiger. Dit was ongeveer één tiende van de gemiddelde waarde. Voor het achterhouden of herbergen, enz., mocht een slaaf als straf worden gedood. Dit was een poging om hem ertoe te brengen om de stad te verlaten. Een slaaf droeg een identificatieteken, die alleen door een chirurgische operatie kon worden verwijderd, en dat later bestond uit de naam van zijn eigenaar die op de arm werd getatoeëerd of gebrandmerkt. Op de grote landgoederen in Assyrië en diens onderworpen provincies waren vele slaven, meestal van een onderworpen ras, gesettelde gevangenen, of voormalige slaven; gebonden aan de grond die zij bewerkten, en verkocht met het landgoed, die nu de mogelijkheid hadden om zelf land en eigendom te bezitten. Er zijn weinig sporen van slaven in Babylonië, tenzij de muskinu werkelijk een slaaf was.

Burgers: huurders van goden De god van een stad werd oorspronkelijk beschouwd als de eigenaar van zijn land, dat omgeven werd met een binnenring van irrigeerbaar akkerland en een buitenring van weiland, en de burgers waren zijn huurders. De god en zijn mederegent, de koning, waren lang opgehouden met het ontregelen van de pacht, en stelden zich tevreden met vastgestelde pacht in de vorm van natura, voorraad, geld of diensten.