thumb|God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest door El Greco

Binnen het christendom is GodVolgens de spellingsregels dient het woord God met een hoofdletter te worden gespeld als het naar (de enige) God verwijst (God / god op onzetaal.nl. Gearchiveerd op 21 mei 2022). In religieuze teksten worden ook verwijzingen vaak met een hoofdletter gespeld, zoals Hij, Zijn en Hem. Zowel over het hoofdlettergebruik bij verwijzingen als de aanduiding als mannelijk is discussie (God als ‘Hij-met-hoofdletter’ roept blijvend verzet op op Nieuw Wij. Gearchiveerd op 7 februari 2023, Nieuwe Bijbel is te mannelijk: God blijft een hij en dan krijgt hij nog een hoofdletter ook! op trouw.nl. Gearchiveerd op 27 januari 2023) het eeuwig wezen, dat alle dingen schept en behoudt. De Bijbel en de christelijke traditie verwijzen naar God in persoonlijke termen, als iemand die is, spreekt, ziet, hoort, handelt en liefheeft. God wordt in de Bijbel beschreven als begaan met de mensen en hun heil.Frank Stagg (1962): New Testament Theology, Nashville, Broadman ()

De meeste christenen geloven dat God immanent is (wat betekent dat hij met en in alle dingen is), terwijl anderen geloven dat het plan van verlossing in de Bijbel aantoont dat hij later immanent zal zijn.Hierbij wordt verwezen naar 1 Korintiërs 15:28, Kolossenzen 1:19-20 en Efeziërs 1:10 De meesten geloven dat God gelijktijdig ook transcendent is. Dit betekent dat hij zich buiten ruimte en tijd bevindt en dus eeuwig is en niet veranderd kan worden door krachten in het universum.J. Gresham Machen (1998): God Transcendent, Banner of Truth publishers ()

Binnen een groot deel van het christendom is de Drie-eenheid een belangrijk dogma. Dit betekent dat er één God bestaat in drie goddelijke entiteiten: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest. Met name van belang is het standpunt dat Jezus God én mens is. Er zijn ook niet-trinitarische theologieën met een verschillende opvatting over de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Historisch was het arianisme hier een belangrijk voorbeeld van.

Vroege christendom De eerste fase van het vroege christendom wordt ook wel vroegchristelijk jodendom genoemd. De oergemeente in Jeruzalem bestond volgens Handelingen 2 vanaf het begin uit Joden en tot het jodendom bekeerde proselieten. Zij beschouwden zichzelf nog altijd deel van het jodendom en zij hielden zich aan de wet van Mozes en brachten offers in de Joodse tempel van Jeruzalem, de ontmoetingsplaats van de vroege christenen. Hun god was de God in het jodendom. Het verschil met de overige joden was dat de eerste christenen Jezus zagen als de messias.

Uit Paulus' theologie in het Nieuwe Testament spreekt zijn geloof in Jezus Christus als de goddelijke Zoon van God en de Verlosser van de mensheid. Zijn theologie was echter niet doorgewerkt inzake de bijzondere relatie tussen God en Jezus Christus en hij geloofde niet in een goddelijke Drie-eenheid.

In de vroeg-christelijke, heidens-christelijke fase kunnen twee grote groepen worden onderscheiden. Aan de ene kant waren er religieuze denkers die waren beïnvloed door het hellenisme, die een meer filosofisch opvatting van de nieuwtestamentische God hadden en die de menselijke rede als voldoende achtten om deze doctrines te begrijpen. Aan de andere kant waren er de gelovigen die zich ten minste gedeeltelijk baseerden op een aantal geherinterpreteerde joodse, en latere christelijke, openbaringen.John B. Cobb, Jr.: artikel God: God in Postbiblical Christianity, in Lindsay Jones (ed., 2005): Encyclopedia of Religion, Thomson Gale, Detroit, Band 5, blz. 3553–3560 ()

Gnostiek In de gnostiek is de hoogste God volledig transcendent. Hij is mannelijk noch vrouwelijk, persoonlijk noch onpersoonlijk. In de gnostiek waren ook de eerste mensen androgyn. Die God brengt zichzelf uit zichzelf voort en kan zich ontvouwen in andere goddelijke wezens. Deze God kan feitelijk alleen maar beschreven worden in termen van negatieve theologie, dus door te benoemen wat hij niet is. Dat gebeurde dan meestal in bewoordingen die kwaliteiten van God ontkennen zoals in termen dat hij on-zichtbaar, on-eindig en on-uitsprekelijk is. Deze god is in daad boven het aardse verheven. De mens kan tot hem opstijgen, maar hij bemoeit zich nauwelijks met aardse aangelegenheden.

In de gnostische mythologie wordt verhaald, dat in de goddelijke wereld, het pleroma, een breuk plaatsvindt. Een van de goddelijke krachten, meestal Sophia, ook wel Pistis Sophia, wil uit zichzelf iets voortbrengen zonder de wetenschap van haar paargenoot en de Vader. Het gevolg is de misgeboorte van de demiurg, vaak Jaldabaoth genaamd. Die wordt door Sophia buiten het pleroma gestoten en wordt in de gnostiek vereenzelvigd met JHWH, de Hebreeuwse God van het Oude Testament. Hij heeft veel kracht aan zijn moeder onttrokken en dat stelt hem in staat de wereld en de mens te scheppen. De goddelijke wereld is echter in staat de mens te bezielen met een goddelijke vonk. De demiurg en zijn handlangers, archonten, trachten die vonk gevangen te houden in zijn lichamelijk omhulsel. De meeste gnostici hadden dan ook een negatieve waardering van het lichaam. Dat leidde bij sommige gnostische stromingen tot het bepleiten van rigoureuze vormen van ascese en afwijzen van seksualiteit en voortplanting.

Proto-orthodoxie In hun geschriften beschrijven proto-orthodoxe kerkvaders zoals Tatianus, Athenagoras van Athene, en Theophilus van Antiochië God als transcendent en eeuwig, vrij van beperkingen door tijd of ruimte, en getooid met de grootste bovennatuurlijke macht en glorie.George L. Prestige (1952): God in Patristic Thought, S.P.C.K., Londen, blz. 3

De apologeet Justinus de Martelaar beschreef in zijn geschriften een transcendent begrip van God, dat deels werd beïnvloed door het Middenplatonisme. God is de eeuwige, onbeweeglijke, onveranderlijke bron en heerser van het universum, naamloos en onbeschrijfelijk, ongeschapen, ver weg in de hemel, Zijn schepselen aanschouwend, maar niet in staat met hen te communiceren. Tatianus en Athenagoras beschreven soortgelijke ideeën. Athenagoras vatte samen dat God "ongeschapen, eeuwig, onzichtbaar, ondoorgrondelijk, onbegrijpelijk en oneindig" is, en alleen toegankelijk via het verstand.Robert M. Grant (1986): Gods and the One God, Westminster Press, Philadelphia, blz. 88 ()

Theophilus benadrukte de transcendentie van God en wees erop dat alle andere betekenissen verwijzen naar Zijn eigenschappen en handelingen, maar niet naar Zijn wezen zelf. Een vergelijkbare opvatting werd gehuldigd door Albinos en in het Corpus Hermeticum.

Een nog onpersoonlijker leer van God was van Clemens van Alexandrië. Voor hem was God onlichamelijk, vormloos en zonder attributen. Hij stond boven ruimte en tijd, deugd en goedheid, en zelfs boven de monade. De menselijke geest kan God niet begrijpen; de beste manier om een idee van Hem te krijgen, is via het negatieve proces kat aphairesin. Kortweg betekent dit dat een juist begrip van God alleen te bereiken is door het wegdenken van alle contingentie, worden, vorm, beweging en plaats.Clemens van Alexandrië: Stromata, boek 5, hoofdstuk 11 Al deze uitspraken wijzen op parallellen met Philo, waarvan Clemens het werk kende, net als met het middenplatonisme en gnosticisme. In tegenstelling tot Plotinus' "Ene" was de God van Clemens een wezen met mentale vaardigheden, terwijl Plotinus' "Ene" de primaire bron van deze mentale vaardigheden is.Robert M. Grant (1986): Gods and the One God, Westminster Press, Philadelphia, blz. 90 ()

Christelijke denkers ontdekten al snel de consequenties van de ondoorgrondelijkheid van God. Origenes wees duidelijk op de tegenstelling tussen de steeds negatieve theologie en positieve taal van de Bijbel en kwam tot de conclusie dat alle plaatsen waarin God wordt beschreven met antropomorfe kenmerken - zoals Zijn lijden, Zijn angst en Zijn woede - allegorisch moeten worden opgevat. Origenes begint zijn verhandeling De principiis met kritiek op degenen die geloven dat God een lichaam heeft. God is onbegrijpelijk en het is onmogelijk om zich een voorstelling van Hem te maken. Hij is een onzichtbare intelligentie die geen ruimte nodig heeft, net als de menselijke intelligentie geen ruimte nodig heeft. In zijn latere commentaar op Matteüs wijzigt Origenes zijn interpretatie. Hij schreef daarin over de goddelijke Logos, die leed en van mensen hield. In die zin is God in staat om menselijke emoties te voelen als Hij zich met menselijke aangelegenheden bezighoudt.Robert M. Grant (1986): Gods and the One God, Westminster Press, Philadelphia, blz. 91 () Hoewel Origenes in een later geschrift de ondoorgrondelijkheid van God weer verwierp, bepaalde deze leer de christelijke theologie tot in de 20e eeuw.

Drie-eenheid

In het Nieuwe Testament komt de term 'Drie-eenheid' niet voor. In het vroege christendom gingen het debat in belangrijke mate over de verhouding tussen God en Christus en tussen een goddelijke Christus en de historische Jezus, wat later christologie werd genoemd. In de eerste eeuwen van het christendom was er geen duidelijk of eenduidig omschreven theologie. Toch werden er al vroeg grenzen gesteld aan extreme variaties van christologie zoals het adoptianisme (Jezus werd bij de doop door God geadopteerd) of docetisme (Jezus was puur goddelijk en verscheen alleen als mens). Onder de verschillende experimenten, bevonden zich er enkele - zoals adoptionisme en modalistisch monarchianisme (de Vader en de Zoon zijn "slechts" verschillende verschijningsvormen van één God) - die door vooraanstaande Kerkvaders unaniem werden verworpen als ketterij.

Athenagoras was de eerste christelijke auteur die zich specifiek met het probleem van de doctrine van de Drie-eenheid bezighield. Hij verdedigde de leer van de eenheid van God. De Zoon van God is "de Logos van de Vader in volmaakte vorm (idea) en kracht (energeia)", en de Heilige Geest is een emanatie van God. De eerste overgeleverde boek over de Drie-eenheid is geschreven door Novatianus.Robert M. Grant (1986): Gods and the One God, Westminster Press, Philadelphia, blz. 157 ()

Tijdens het Concilie van Nicaea (325) werd de gelijkwaardigheid van de Vader en de Zoon vastgelegd. In de Geloofsbelijdenis van Nicea wordt de Griekse term ὁμοούσιον (homoousios, "één in wezen") gebruikt om de relatie tussen Christus en God de Vader te beschrijven op een manier die aan de ene kant de goddelijkheid van Jezus Christus benadrukte en aan de andere kant de eenheid van God bewaren moest. De Heilige Geest werd kort vermeld om het geloof te bevestigen dat dit een van de Vader en Zoon gescheiden goddelijke entiteit is.

In 381 op het Concilie van Constantinopel I werd de Heilige Geest aan deze goddelijke gelijkwaardigheid toegevoegd en het geloof in de Drie-eenheid officieel bevestigd. De doctrine van de Drie-eenheid werd opnieuw bevestigd in de tussen 381 en 428 geschreven Geloofsbelijdenis van Athanasius. Op het Concilie van Chalcedon in 451 werd vastgesteld dat Jezus zowel God als mens was. Tussen het idee dat er drie verschillende goden zouden zijn (tritheïsme) en dat er drie verschillende aspecten van één God zijn (monarchianisme), werd een middenweg als compromis gevonden.H. P. Owen (1971): Concepts of Deity, Macmillan, Londen, blz 13 ()

Niet alle christelijke stromingen ondersteunen deze visie. Het arianisme, een christelijke stroming in de 4e eeuw wees de eenheid van Vader en Zoon al af; tegenwoordig wijzen onder meer de Jehova's getuigen en de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen de leer af.

God de Vader

Het eerste aspect van God is de 'Hemelse Vader', de schepper van hemel en aarde. Volgens het christendom komt dit aspect van God overeen met de Oud-Testamentische God van het jodendom. De mensen zijn geschapen 'naar Zijn beeld'; de mensheid wordt gezien als 'kinderen van God'.

Jezus Christus, de Zoon