De Duitse opmars door België tijdens de Eerste Wereldoorlog, in uitvoering van een Duits Schlieffenplan voor een offensief in het westen, begon op 4 augustus 1914. De opmars en dus ook de bewegingsoorlog kwam tot stilstand op 22 november 1914. Daarop volgde een algemene loopgravenoorlog en bezetting van België. Vier jaar later kwam een eind aan de krijgsverrichtingen met een geallieerd eindoffensief en, op 11 november 1918, de wapenstilstand.

Voorspel In 1897 volgde Alfred von Schlieffen Waldersee op als chef van de Duitse Generale Staf. Onder zijn impuls en toezicht werd het militair – strategisch plan opgesteld dat zijn naam draagt, het Schlieffenplan. Wanneer Duitsland zou geconfronteerd worden met de dreiging van een oorlog op twee fronten moest eerst Frankrijk uitgeschakeld worden, nadien Rusland. Volgens het Schlieffenplan zouden Duitse legers oprukken doorheen Nederland, België en Luxemburg om dan, zwenkend naar het zuiden en zuidoosten, het Franse leger aan de Frans-Duitse grens te verpletteren.Bij de uitvoering van het plan zullen de Duitse legers het Nederlands grondgebied niet betreden. Dat België bij zijn ontstaan door vijf grote wereldmogendheden, waaronder Pruisen, gewaarborgde neutraliteit was opgelegd, zag Duitsland niet als een beletsel. Duitsland verwachtte dat België onder koning Leopold II vrije doortocht zou verlenen of ten hoogste symbolisch weerstand zou bieden en snel capituleren. miniatuur|Standbeeld van keizer Wilhelm II te Doorn

In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog waren in België vermoedens gerezen omtrent Duitse en Franse plannen voor een opmars doorheen België. Koning Albert I en de legerleiding drongen aan op een verhoging van militaire inspanningen. Onder leiding van regeringsleider Frans Schollaert en minister van Oorlog generaal Joseph Hellebaut werd de legerhervorming voorbereid. De persoonlijke dienstplicht, beperkt tot één zoon per gezin, werd op 1 december 1909 van kracht. De militaire dienst duurde voor de infanterie 15 maanden, voor de cavalerie 24 maanden.

De Belgische koning, in november 1913 op staatsbezoek in Berlijn, vernam daar van keizer Wilhelm II dat het rijk binnen zeer afzienbare tijd een oorlog met Frankrijk verwachtte.Sophie de Schaepdrijver p. 49 Verderop aan tafel hoorde hij de chef van de Duitse Generale Staf Helmuth von Moltke praten over de dwaasheid van België als dit verzet zou bieden bij een Duitse doortocht. Koning Albert besloot nogmaals naar Frankrijk en Duitsland te reizen om de Belgische neutraliteit te bepleiten en om te waarschuwen voor verzet bij oorlog tussen de twee landen.Beide beweringen stonden al in de vorige versie van dit artikel, zonder bronvermelding. Een zoektocht naar een bron had geen resultaat. Op 28 mei 1913 voerde de Belgische minister van Oorlog, Charles de Broqueville, de veralgemeende dienstplicht in, om de legersterkte van 180.000 man naar 340.000 te verhogen. Dit getal zou echter nooit worden gehaald. De hervormingsplannen van Charles de Broqueville riepen heel wat weerstand op. Wanneer het Duits ultimatum van 2 augustus door de kroonraad verworpen was, stond niettemin gans politiek België en de ganse bevolking achter de beslissing de invaller ernstig weerstand te bieden.Sophie de Schaepdrijver p. 64-70

België mobiliseert Op 23 juli 1914 kondigde de Belgische regering een gedeeltelijke en op 31 juli de algemene mobilisatie af.Luc de Vos p. 29 Het Belgische leger bestond uit een veldleger en een vestingleger en werd geleid door het “Grand Quartier Général”, in het Nederlands GHK, Groot Hoofd Kwartier. Twee andere gewapende machten, de Rijkswacht en de Burgerwacht maakten formeel geen deel uit van het leger maar zouden wel een rol spelen in de komende gebeurtenissen.

Het Belgische leger Effectieven Het staande leger bestond uit beroepsofficieren, beroepsonderofficieren en, bij de laagste rangen, beroepsvrijwilligers en vooral dienstplichtigen. De dienstplichtigen waren tot 1909 aangeduid door loting en vanaf 1909 jongeren die aan de persoonlijke dienstplicht onderworpen waren. Na de algemene mobilisatie bedroeg de getalsterkte van het leger zowat 200.000 man: 14.000 beroepsmilitairen, dienstplichtigen in actieve dienst en wederopgeroepen dienstplichtigen. Daarbij kwamen vanaf 2 augustus 1914 ongeveer 18.000 oorlogsvrijwilligers en 18.000 manschappen van de lichting 1914 die in september opgeroepen werd.Luc de Vos p. 21 en 25 De wederopgeroepen troepen behoorden tot vijftien opeenvolgende lichtingen. De oudste lichtingen waren lotelingen, drie lichtingen waren dienstplichtigen die vielen onder de wet op de persoonlijke dienstplicht.Luc de Vos p. 25

Opleiding, training en voorkomen De aan de Koninklijke Militaire School opgeleide jonge artillerie- en genieofficieren behoorden tot de best gevormde in heel Europa. Ze waren gedreven door een groot idealisme, iets waaraan het weleens ontbrak bij de oudere generatie.Luc de Vos p. 26 In tegenstelling tot het Duitse leger kende het Belgische leger geen traditie van militaire operaties te velde. Een beperkt aantal enkelingen hadden ervaring met inzet in Afrika in koloniale situaties. De troepen werden opgeleid op de kleinere oefenpleinen bij de kazernes en uitgestrekte oefenterreinen zoals Brasschaat en Beverlo. Afgezwaaide militieklassen werden weder opgeroepen om te leren omgaan met nieuwe bewapening.

De troepen waren, naar de gewoonten van die tijd, gekleed in kleurrijke uniformen met per regiment fantasierijke hoofddeksels. Na tien weken van gevechten, bombardementen, lange marsen en ontberingen, zouden de troepen er bij hun aankomst achter de IJzer niet bepaald fraai uitzien. Ze waren amper klaar om deel te nemen aan een parade, maar ze zouden er wel de Duitse opmars definitief stoppen.

Grand Quartier Général Koning Albert I nam op 2 augustus het opperbevel over het Belgische leger op zich. Hij werd bijgestaan door een aantal stafofficieren. Zijn hoofdkwartier, het GQG of Grand Quartier Général bestond uit een peloton telegrafisten, een luchtvaartcompagnie met een dertigtal vliegtuigen, een detachement gendarmerie en huishoudelijke steunelementen.

Het veldleger Na mobilisatie telde het veldleger 117.000 manschappen. Het bestond uit zes legerdivisies of legerafdelingen (LA) (infanteriedivisies), één cavaleriedivisie en legertroepen. De vredestijd garnizoenen van de divisies waren onder meer in functie van de politieke situatie van België bepaald, de verplichting tot neutraliteit. De keuze hield rekening met een mogelijke bedreiging uit alle richtingen. De 1ste divisie in Gent was naar het Verenigd Koninkrijk gericht; de 2de divisie in Antwerpen naar Nederland; de 3de divisie in Luik, naar Duitsland; de 4de divisie in Namen en de 5de divisie in de streek rond Bergen naar Frankrijk. De 6de divisie en de cavalerie lagen in Brussel.

Na mobilisatie telde een Belgische legerafdeling of divisie 25.000 tot 30.000 manschappen. De cavaleriedivisie telde 4500 ruiters. Een divisie bestond uit drie of vier gemengde brigades, een regiment cavalerie, een regiment artillerie (36 mm, 75 mm en 150 mm kanonnen), een bataljon genietroepen een afdeling veldtelegrafisten, een vervoerkorps en desgevallend een detachement van de spoorwegcompagnie. Het vervoerkorps verzekerde logistieke en medische steun voor alle eenheden van de divisie. Voor elke divisie was een depot ingericht en een divisiepark met artilleriematerieel.Luc de Vos p. 21

De gemengde brigade telde één regiment infanterie dat bij de mobilisatie in twee gesplitst werd, een mitrailleurcompagnie, een veldartilleriegroep met in totaal 12 snelvurende 75 mm kanonnen en 36 caissons en een peloton gendarmerie.

Het vestingleger Het vestingleger bestond in vredestijd uit een beperkt aantal militairen die de fortengordel rond Antwerpen, de forten rond Luik en de forten rond Namen bezetten. Na mobilisatie werd het versterkt met gemobiliseerde manschappen en telde het 65.000 manschappen. Die gemobiliseerden behoorden tot de zeven oudste militieklassen van 1899 tot en met 1905. Het waren dus hoofdzakelijk lotelingen of hun plaatsvervangers die de wapensystemen in de diverse forten bemanden.

Bewapening en uitrusting Het leger beschikte over 37.600 paarden, 2600 wagens en 1500 auto's. Het veldleger beschikte over 93.000 geweren, 6000 sabels, 324 kanonnen en 102 machinegeweren. De infanterie was in reorganisatie en beschikte daardoor niet over voldoende zwaar geschut. Krupp had de bestelde – en betaalde – kanonnen niet geleverd, wat achteraf gezien maar al te logisch was.Sophie de Schaepdrijver p. 62 Het Belgische leger had geen zware artillerie zoals de 420 mm houwitsers van de Duitsers. Die kanonnen waren op vraag van de Duitse Generale Staf ontworpen en gebouwd als belegeringsartillerie, wat niet van pas kwam in het Belgische defensieconcept.

De Rijkswacht De Rijkswacht was een nationale politiemacht van 19000 man met beperkte militair-operationele mogelijkheden.

De Burgerwacht De burgerwacht was het geheel van stedelijke milities zonder onderlinge samenhang. De 45.000 burgerwachten behoorden tot de burgerij. De burgerwacht zou de eerste weken van de oorlog een kleine en veelal verwarrende rol spelen en op 13 oktober 1914 gedemobiliseerd worden en van elke militaire verplichting ontslagen om te vermijden dat de vijand de "Garde civique" als vrijschutters zou beschouwen.Luc de Vos p. 21 en 51

Het defensieplan miniatuur|België 1914 Het defensieplan steunde op de vestingen en het veldleger. Het voorzag de vereniging van het veldleger in het centrum van het land in de vierhoek Tienen, Leuven, Waver, Perwijs. Met de vestingen Antwerpen, Luik en Namen als operatiebasissen kon het veldleger optreden in alle richtingen en de flank van een agressor aantasten van waar die ook mocht komen. Indien nodig kon het veldleger zich verschansen in de vestingstad Antwerpen, het Nationaal Reduit, in afwachting van hulp van de garanderende mogendheden.Robert Gils, p. 9

In de zomer van 1914 was het duidelijk geworden dat de agressie uit het oosten zou komen en kon het defensieplan bijgestuurd worden. Over de opstelling van de divisies werd er in de legerleiding hevig gediscussieerd. Luitenant-generaal Selliers de Moranville wou het veldleger van bij de aanvang samentrekken binnen de vesting Antwerpen terwijl de vestingtroepen in Luik en Namen de Duitse opmars moesten belemmeren. Kolonel baron Louis de Ryckel wou daarentegen het veldleger positie laten innemen tussen de Ourthe en de Duitse grens, met later eventueel terugtrekking tot Antwerpen.Luc de Vos, p. 25

Uiteindelijk werd beslist de 3de divisie te Luik op te stellen, de 4de divisie te Namen en de vier andere infanteriedivisies tussen de Gete en de Dijle. De cavaleriedivisie tussen de Maas en de Gete zou als dekking dienen voor het veldleger wanneer Luik was gevallen.Koning Albert I had de 3de divisie willen verplaatsen naar Tongeren want hij vreesde een inval via Nederlands Limburg, maar de minister van oorlog Charles de Broqueville wou deze divisie in Luik houden. Koning Albert nam de minister zijn tussenkomst kwalijk omdat hij ervan overtuigd was dat hij als enige de militaire beslissingen moest nemen.

miniatuur|Albert I

Duits ultimatum