Een handelsverdrag is een verdrag dat gesloten wordt tussen twee of meer landen ter bevordering van de wederzijdse of internationale handel met onder meer afspraken over douanerechten en niet-tarifaire belemmeringen. Kenmerkend van een handelsverdrag is dat de inhoud van het verdrag zich richt op handel tussen de staten en inwoners van de staten.
In meer complexe handelsakkoorden wordt ook onderhandeld over een gemeenschappelijke markt, investeringen en zelfs belastingen.
Overwegingen Er zijn verschillende overwegingen die kunnen bijdragen aan de motivatie om een handelsverdrag te sluiten. Dit kan vanuit een economische, politieke en juridische motivatie, waarbinnen ook weer onderverdelingen zijn te maken. Een motivatie zal verschillen met de grootte van de economie, de militaire macht, de vorm van bestuur en de kwaliteit van de instituties en daarom zal er over het algemeen sprake zijn van een combinatie van motivaties. Die motivaties hebben ook invloed op hoe verdragen tot stand komen, verdragontwerp en hoe de samenwerking daarna verloopt.WTO 2007
Volgens het Weens Verdragenverdrag (VCLT) moet bij de geschillenbeslechting van een verdrag rekening worden gehouden met het doel van dat verdrag. Dit geldt ook voor geschillen die behandeld worden door de Beroepsinstantie van de Wereldhandelsorganisatie. Afgezien daarvan dient de doelstelling bij elke academische discussie duidelijk te zijn:
Any scholar criticizing efficiency or effectiveness of a trade agreement, and/or laying out an agenda for reform should reveal his or her understanding of the treaty's central objectives. Failure to do so may mean that the agreement is discussed in a logical vacuum.
Economische benaderingen In tegenstelling tot de andere benaderingen zijn wederzijdse voordelen bij het economische perspectief het uitgangspunt. Er zijn meerdere benaderingen, waarvan de meesten echter alleen een verklaring kunnen bieden voor preferentiële handelsovereenkomsten. De ruilvoetbenadering en de verbintenisbenadering doen dat ook voor multilaterale overeenkomsten.
Ruilvoetbenadering De ruilvoetbenadering stelt dat protectionisme door verschuivingen van productiemogelijkhedencurves leidt tot een verlies van rendement bij de specialisaties van landen. Handelsverdragen moeten dit prisoner's dilemma opheffen door elkaar weer markttoegang te bieden. Deze traditionele received theory heeft een beperkte reikwijdte. Het geeft een onderbouwing voor grote economieën om overeenkomsten met elkaar af te sluiten, maar niet waarom die dat ook met kleine economieën zouden doen. Markttoegang is bij deze benadering een belangrijke onderhandelingsmacht. Door marktmacht kan een grote economie externaliteiten afwentelen op andere landen, terwijl kleinere economieën niet in staat zijn tot kostenverschuivingen, aangezien zij geen invloed hebben op de prijzen op de wereldmarkt. Door uiteenlopende producten op de markt te brengen, kunnen echter ook kleinere landen enige marktmacht verkrijgen.
Het principe van de meest begunstigde natie maakt handelsverdragen ook voor kleine economieën aantrekkelijk, doordat afspraken tussen andere landen ook ver hen gelden als zij zich aansluiten bij het verdrag. Die aantrekkelijkheid beperkt zich volgens de ruilvoetbenadering echter tot het niet verliezen van marktaandeel en levert geen extra voordeel op.
Politieke economie Waar traditionele economische benaderingen politieke druk en lobbyen niet meenemen als relevant voor besluitvorming, neemt politieke economie ook de invloed mee van belangengroepen of demandeurs die belangrijk zijn voor herverkiezing. Economische verbeteringen zullen dan specifieke groepen betreffen. Unilaterale verdragen zullen dan een combinatie zijn van de ruilvoetbenadering en het effect van de resulterende distributie-effecten op de politieke steun.
Hoewel de consument nadeel ondervindt van protectionisme, kan deze voordelig uitpakken voor sectoren die concurreren met import, waarbij die laatste over het algemeen beter georganiseerd is. Door wederkerige afspraken te maken, kan een verdrag wel de benodigde politieke steun opleveren, doordat de export-afhankelijke industrie gebaat is bij een grotere markttoegang. De benadering vanuit uit de politieke biedt een verklaring voor hoe handelsverdragen werkelijk tot stand zijn gekomen: Het liberaliseringsproces is geleidelijk verlopen. Er is vooral sprake van liberalisering bij producten met een tweerichtingsverkeer. Uitvoerheffingen worden over het algemeen niet verboden.
De new trade theory verklaart dat als het liberaliseringsproces eenmaal is ingezet, het aandeel bedrijven dat concurreert met import zal dalen en het aantal exporterende bedrijven zal stijgen. Daarmee stijgt de politieke steun voor verdere liberaliseringen, het juggernaut-effect. Dit verklaart de geleidelijkheid van het liberaliseringsproces als de sectoren verschillende producten betreft. Problematisch bij deze benadering is dat liberalisering vooral in de intra-industriële handel is opgetreden, waar een grotere afzetmarkt in het buitenland gepaard gaat met meer concurrentie in het binnenland. De new-new trade theory stelt dat dit te verklaren is doordat vooral grote bedrijven in staat zijn om de vaste kosten te dragen die gepaard gaan met buitenlandse vestigingen en dat kleinere bedrijven zich op het binnenland richten. Die kleinere bedrijven komen bij verdergaande liberalisering onder druk te staan, wat de liberalisering weer kan versterken. Die grotere bedrijven verenigen zich vervolgens met grote bedrijven uit andere sectoren om te lobbyen voor minder protectionisme. Dit verklaart ook dat hoewel uitvoerheffingen niet verboden zijn, ze vrijwel niet worden ingezet.
Vanuit de politieke economie kan een bilaterale of regionale handelsovereenkomst ook een manier zijn om protectionisme toe te passen. Producenten die weinig competitief zijn op de wereldmarkt, maar wel op de regionale markt, zullen lobbyen voor preferentiële overeenkomsten. Door de heffingen zullen de meest efficiënte producenten op de wereldmarkt minder aantrekkelijk worden ten gunste van de regionale producent. Politiek gezien kan deze handelsverlegging daarmee gunstig zijn, al hoeft dit voor consumenten niet het geval te zijn.
De eer opstrijken Bij een vermindering van tarieven treden zowel directe als indirecte effecten op. Die laatste zijn door beperkte rationaliteit minder duidelijk toe te wijzen aan de overheid in het geval van unilaterale verminderingen. Door de indirecte effecten op te nemen in een handelsverdrag worden deze zichtbaar en kan dit betekenen dat het overheidsbeleid meer steun krijgt. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het gegeven dat ook landen zonder marktmacht verdragen afsluiten.
Verbintenisbenadering Bij moeilijke beslissingen kan een tijdsinconsistentie optreden doordat na de aankondiging daarvan een herziening optreedt. De aankondiging moeilijke beslissing zou tot hervormingen in de betreffende sector kunnen leiden waardoor die om kan gaan met de beslissing, maar als dit niet gebeurt kan een beslissing op het beoogde moment van uitvoering dusdanige problemen opleveren, dat alsnog wordt afgezien van de invoering. Als de betreffende sector dit verwacht en daarop anticipeert, dan kan deze door geen actie te ondernemen een beslissing traineren. Een verbintenis (commitment) kan hierbij als extern anker fungeren, omdat deze de overheid kan verhinderen om terug te komen op de beslissing. De verbintenisbenadering legt dus de nadruk op de kwaliteit van de eigen instituties als motivatie om een verdrag te sluiten. Daar waar die geloofwaardigheid ontberen doordat een overheid zich te veel vrijheden heeft veroorloofd, kan een multilateraal verdrag de binnenlandse private sector overtuigen.
Hiermee zou de overheid de lobbygroepen van zich kunnen vervreemden, maar het kan lonen om hier toch voor kiezen. Zo kan een sector die geen comparatief voordeel weet te bemachtigen, door de bescherming van een tariefmuur groeien en daarmee investeringen weghouden bij vitale sectoren. Op de lange termijn is het daarom voordelig om deze sector af te bouwen, maar op korte termijn leidt dit tot onder meer werkloosheid. In een handelsverdrag kunnen voorwaarden worden opgenomen om dit nadeel zo klein mogelijk te laten zijn. Ook kan zo voorkomen worden dat er wordt geprobeerd om de sector kunstmatig op te blazen tot een grootte die de overheid wel moet beschermen.
De nadruk ligt bij deze benadering dus op de verhouding tussen een overheid en de private sector binnen hetzelfde land en niet op overheden onderling. Deze benadering geeft dan ook geen verklaring waarom landen die wel over geloofwaardige instituties beschikken een verdrag aan zouden gaan met een land dat daar niet over beschikt en ook niet waarom een land met een geloofwaardigheidsprobleem zijn tarieven zou verlagen na zich te hebben aangesloten bij een multilateraal verdrag.
Kleine economieën Vooral voor kleine economieën kunnen handelsverdragen een manier zijn om hun marktgrootte te vergroten en ook om toegang te krijgen tot directe buitenlandse investeringen, vooral met preferentiële toegang. Voor grote economieën is deze motivatie van ondergeschikt belang en daarom zullen kleinere economieën vaak concessies op andere vlakken moeten doen. Marktgrootte kan ook een motivatie zijn om met andere kleine economieën een vrijhandelszone overeen te komen.
Vooral voor kleinere landen kan een verdrag ook als verzekering dienen. Door een preferentiële overeenkomst af te sluiten met een groot land dat als knooppunt fungeert, kunnen zij profiteren van een hub-and-spoke-systeem, een veelvoorkomende regionale handelsovereenkomst. Ook kunnen zij met andere kleine landen een multilaterale liberalisering overeenkomen.
Samenwerking tussen kleine economieën kan ook hun onderhandelingsmacht tegenover grote economieën vergroten. Dit lijkt onder meer een belangrijk argument voor de Caricom, waar economische integratie relatief weinig voordeel oplevert, maar waar samen onderhandelen met andere landen wel voordelen biedt. Om succesvol te zijn, moeten de lidstaten niet te veel tegengestelde belangen hebben waarmee onderhandelingspartners de lidstaten tegen elkaar kunnen uitspelen. De meest succesvolle samenwerkingen zijn dan ook gebaseerd op dezelfde producten, zoals de Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) en de Cairns-groep met respectievelijk aardolie en landbouwproducten.
Onderhandelingsmacht kan ook een argument kan zijn voor een groot ontwikkelingsland om samen met kleinere ontwikkelingslanden met ontwikkelde landen te onderhandelen.
In onderhandelingen met een multinational kan een regionale handelsovereenkomst de positie van een individueel land zelfs verslechteren, doordat de markttoegang in elk aangesloten land gegarandeerd is, waardoor de multinational de aangesloten landen tegen elkaar kan uitspelen. Deze race to the bottom is alleen te vermijden als belastingbevoegdheden worden gedelegeerd naar het samenwerkingsverband.
Benaderingen vanuit internationale betrekkingen Internationale betrekkingen heeft vier grand theories met het neorealisme, het neoliberaal institutionalisme, het liberalisme en het constructivisme. De eerste twee zijn rationele benaderingen – gericht op maximalisatie van het verwachte nut of vooruitzicht – de laatste twee meer sociologisch. De eerste twee zijn ook statisch, uitgaande van de staat als actor, wat ook geldt voor de sterk cognitivistische vorm van constructivisme. De zwak cognitivistische vorm van constructivisme en het liberalisme zijn niet-statisch en kijken ook naar de binnenlandse dynamiek.