thumb|De territoriale ontwikkeling van het Chinese Keizerrijk onder de verschillende dynastieën. De geschiedenis van China geeft een overzicht van de historische ontwikkeling van China. Dat land bezit een van de oudste beschavingen ter wereld, met een ononderbroken ontwikkeling van prehistorie tot heden. Zelf spreken de Chinezen graag van "5000 jaar geschiedenis en 7000 jaar cultuur" (wuqian nian de lishi, qiqian nian de wenhua (五千年的歷史,七千年的文化) . Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de schriftelijk gedocumenteerde geschiedenis die men traditioneel laat beginnen met de Gele Keizer en cultuur, die zou zijn begonnen met Fuxi of Youchao. De oudste geschreven Chinese historische bronnen zijn inscripties op zogenaamde "orakelbotten", het orakelbottenschrift dat dateert uit de 13e eeuw v.Chr.
Historiografie Chinese historiografie
Traditionele Chinese historiografie thumb|Sima Qian De oudste geschreven Chinese historische bronnen dateren van de 13e eeuw v.Chr. Het zijn inscripties op orakelbotten en koperen vaten. Vanaf de oostelijke Zhou-tijd werden gebeurtenissen aan het hof, genealogische lijsten en rituele gezangen opgeschreven. De gebeurtenissen aan het hof werden in strikt annalistische vorm genoteerd. Deze oudste teksten zijn later gecodificeerd als Boek der Documenten, Boek der Liederen en de Lente- en herfstannalen van de staat Lu.
De Shiji, de 'Optekeningen van de hofhistoriograaf', is het eerste Chinese boek dat de gehele Chinese geschiedenis behandelt, vanaf de mythische heerschappij van de Gele Keizer (Huangdi) tot en met de eerste eeuw van de Han-dynastie. Het werk is begonnen door Sima Tan en rond 90 v.Chr. voltooid door zijn zoon Sima Qian. Hij maakte gebruik van schriftelijke bronnen (waaronder de Confucianistische Klassieken) en de keizerlijke archieven van de Han en Qin, maar ook van mondelinge overleveringen. Door zijn opzet heeft de Shiji tot aan het eind van de 19e eeuw gegolden als model voor alle sindsdien geschreven officiële dynastieke standaardgeschiedenissen. Elke dynastie legde zichzelf de verplichting op een geschiedenis van de voorafgaande dynastie te schrijven. Vanaf de Tang-dynastie was dit een staatsaangelegenheid. De samenstelling gebeurde door hofambtenaren die gebruikmaakten van de officiële keizerlijke archieven, zoals de Dagboeken van activiteit en rust en de Ware optekeningen. Belangrijk doel was het legitimeren van de machtsovername door de nieuwe dynastie. Deze geschiedenissen staan sinds de Qing-dynastie bekend als de Vierentwintig Geschiedenissen. Kenmerkend is hun eenvormige, ambtelijke schrijfstijl, omdat de gebruikte documenten letterlijk werden geciteerd of werden geprafaseerd tot stereotiepe uitdrukkingen. Verder valt hun rijkdom aan details en hun nadruk op personen op. Daarbij ging het bij die personen uitsluitend om hun handelen binnen hun maatschappelijke rol en hun openbare leven en niet om privézaken. Verder werd slechts geschreven over kwesties die binnen de belangstelling van de politieke elite lagen. De val van de vorige dynastie werd steeds verweten aan de laatste keizer. Zijn regering werd daarom altijd als slecht beoordeeld, vaak slechter dan historisch kan worden gerechtvaardigd (zoals bij de laatste Ming-keizers).
Moderne Chinese historiografie Na de val van het keizerrijk in 1912 probeerden Chinese historici westerse methoden op de geschiedschrijving toe te passen. Dit liep uit op een richtingenstrijd over de historische authenticiteit van de oudste Chinese bronnen. De op de tradities gerichte School van het Geloof in de Oudheid (xingupai 信古派) stond tegenover een School van de Twijfel aan de Oudheid (yigupai 疑古派), gevormd rond de Chinese historicus Gu Jiegang (1893-1980) en de zevendelige Gushi bian. Hierin werd het traditionele beeld van de oudste Chinese geschiedenis, de periode van de Drie Verhevenen en de Vijf Oerkeizers verworpen.
De sinds 1949 in de Volksrepubliek officieel geldende marxistische geschiedsopvatting gaat uit van een wetmatig, lineair verloop van de wereldgeschiedenis. De maatschappelijke ontwikkelingslijn loopt van een periode van oercommunisme, via een slavenhoudersperiode, een feodaal tijdvak en een kapitalistische periode naar een socialistisch tijdvak. Die laatste periode zou ten slotte moeten uitmonden in de periode van het wereldcommunisme. Dit schema leidde onder Chinese historici tot veel discussie over de positie van de Chinese geschiedenis binnen het geheel van de wereldgeschiedenis, maar vooral over periodebegrenzingen van de verschillende fasen. Dit geldt met name voor het einde van de slavenhoudersmaatschappij en een mogelijke onderverdeling van het meer dan 2500 jaar lange feodale tijdperk. De verklaring voor de overgang van feodalisme naar kapitalisme via een semi-koloniaal tijdvak is een Chinese verbijzondering van de marxistische theorie. Sinds het einde van de Culturele Revolutie wordt de marxistische ontwikkelingslijn minder zichtbaar toegepast, maar is nog steeds aanwezig in de vorm van het kenmerkende jargon. Verder blijft men in de Volksrepubliek (en ook op Taiwan) uitgaan van de traditionele onderverdeling in dynastieën, met de nadruk op de periodes van eenheid. De (volks)republiek ziet men als de logische voortzetting van dat keizerlijke eenheidsrijk, waarbij de huidige grenzen naar het verleden worden teruggeprojecteerd.
De enorme omvang van de Chinese historische bronnen, de wijze waarop ze zijn samengesteld en de precisie waarmee ze zijn overgeleverd houdt het gevaar in van een sinocentristische kijk op de geschiedenis. De beïnvloeding van de Chinese geschiedenis en cultuur door andere volkeren, staten en culturen wordt niet meer opgemerkt. De Chinese geschiedenis wordt als een geïsoleerde opeenvolging van ontwikkelingen gebracht. Deze tendens wordt nog versterkt door nationalistische motieven, waardoor een interpretatie van de bronnen (en daarmee van de geschiedenis) tot stand kan komen die sterk, of zelfs primair ideologisch is bepaald.
Westerse historiografie over China
De eerste berichten over China waren reisverslagen zoals die van Marco Polo (hoewel het waarheidsgehalte van zijn verslag wordt betwist). Het reisverslag van de Spaanse monnik Martín de Rada, die in 1575 Fujian bezocht, was het eerste verslag dat een overzicht van de Chinese geschiedenis bevatte.
thumb|150px|Matteo Ricci Gedurende de 17e eeuw trok een groot aantal jezuïeten als missionarissen naar China. De bekendste was Matteo Ricci die er tussen 1583 en 1610 verbleef. Hij beschouwde de Chinese riten als uitingen van respect en verering en zag ze daarom niet in strijd met het christendom. De jezuïeten benadrukten in hun werken dan ook sterk de Chinese ideeën over God, geloof en moraal. Uit hun geschriften kwam een ideaalbeeld van China tevoorschijn, waarin het confucianisme vanaf het begin leek te zijn verankerd in een statische maatschappij. Dit beeld heeft de Europese historiografie over China in belangrijke mate bepaald, zeker toen onder invloed van de Verlichting vanaf het begin van de 19e eeuw het idee van vooruitgang in de Europese historiografie steeds meer nadruk kreeg. Volgens de toenmalige Europese historici had de Europese ontwikkeling als doel een steeds verdere vooruitgang. Dat doel werd bereikt via een weg die, historisch gezien, rechtstreeks en onomkeerbaar was en geen herhalingen kende. In de Chinese geschiedenis constateerde men echter voortdurende herhalingen. China werd daarom beschouwd als een land zonder vooruitgang, als een versteend fossiel. Dit beeld bleef tot in de eerste helft van de 20e eeuw bestaan. Slechts een beperkt aantal sinologen analyseerde de Chinese geschiedenis vanuit de eigen bronnen. Een eerste voorbeeld hiervan is de Duitse sinoloog Otto Franke (1863-1946).
De opkomst van Japan en de radicale veranderingen in het China van de eerste helft van de 20e eeuw waren gebeurtenissen die in het westen tot een ruimere wetenschappelijke belangstelling voor de Chinese geschiedenis hebben geleid. Historici als Oswald Spengler, Arnold Toynbee en sociologen als Max Weber gebruikten gebeurtenissen uit de Chinese geschiedenis om hun eigen theorieën te onderbouwen. Bijkomend effect was wel dat aspecten van de Chinese geschiedenis zo onder een groter publiek bekend raakten. Pas sinds de Tweede Wereldoorlog en vooral sinds de opkomst van China als wereldmacht is er een werkelijk brede belangstelling voor de Chinese geschiedenis ontstaan. Chinese historische bronnen worden vertaald in westerse talen en vaak tot in detail geanalyseerd door westerse historici, sociologen, etnologen, politieke wetenschappers en economen. Wel bestaat het gevaar dat deze interpretaties, al dan niet impliciet, dienen ter bevestiging van eigen, in westerse wetenschappelijke tradities verankerde leerstellingen. Zij kunnen zo leiden tot het door Edward Said (1935-2003) beschreven Oriëntalisme. Van de andere kant kan een kritiekloos gebruik van de enorme hoeveelheid Chinese bronnen leiden tot een sinocentristische wij-cultuur tegenover een zij-barbarenkijk op de Chinese geschiedenis of tot een nationalistische interpretatie van het verloop van die geschiedenis met de binnen de huidige grenzen gelegen eenheidsstaat als onvermijdelijk einddoel.
Periodisering
Traditionele Chinese periodisering: dynastieke cycli en het Hemels Mandaat De traditionele Chinese geschiedschrijving kende geen lineaire (doorlopende) chronologie. De kalender werd per dynastie opnieuw vastgesteld, om zo aan te geven dat de nieuwe dynastie de rechtmatige opvolger van de voorafgaande dynastie was. Jaren werden geteld per regeerperiode, waarbij steeds werd begonnen met het jaar volgend op het jaar waarin de voorganger stierf of werd afgezet. Elke regeerperiode (of deelperiode) kreeg een eigen "jaartitel" (nianhao). Dit was een regeermotto met een positieve betekenis. Dit en de annalistische vorm van de Chinese geschiedschrijving bevorderden de periodisering en het historisch denken in dynastieën.
De historische ontwikkeling van de dynastieën werd in de traditionele Chinese geschiedschrijving beschreven volgens een vast patroon, een steeds terugkerende dynastieke cyclus. De eerste keizer verkreeg wegens zijn deugdzaamheid het Hemels Mandaat, de instemming van de Hemel. Zijn opvolgers bezaten steeds minder kwaliteiten en uiteindelijk werd de laatste keizer als gevolg van wanbestuur afgezet. Hij verloor het Hemels Mandaat aan de eerste keizer van de nieuwe dynastie, die daarmee de nieuwe Zoon des Hemels (天子, Tianzi) werd. Deze ontwikkelingsgang is voor het eerst toegepast onder de Zhou-dynastie. Zij wilden daarmee hun overwinning op de Shang-dynastie rechtvaardigen. De doctrine van het Hemels mandaat als rechtvaardiging voor een geslaagde opstand tegen de bestaande regering is door elke volgende dynastie overgenomen. Deze legitimatie vond zijn neerslag in officiële dynastieke standaardgeschiedenissen, waarbij elke dynastie zichzelf verplichtte een geschiedenis van de voorafgaande dynastie samen te stellen.