Johannes (Jan) de Hartog (Haarlem, 22 april 1914 – Houston, 22 september 2002) was een Nederlandse schrijver van romans, toneelstukken en filmscenario's die in de eerste plaats naam heeft gemaakt met romans over de scheepvaart.
Als hoofdzakelijk vertellend romancier kon hij tot zijn aanvankelijke teleurstelling niet bogen op algemene literaire erkenning, maar dat heeft met wereldwijd miljoenen verkochte boeken zijn populariteit onder het publiek geen kwaad gedaan. Sinds 1943 had hij niet meer zijn hoofdverblijf in Nederland; na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich met onderbrekingen in de Verenigde Staten en schreef hij zijn werken voortaan in het Engels.
Levensloop Ouders en milieu De vader van Jan de Hartog was de hervormd theoloog Arnold Hendrik de Hartog (1869-1938), die ten tijde van Jans geboorte predikant was in Haarlem. In 1917 werd Arnold de Hartog predikant in Amsterdam. Nadien werd hij benoemd tot hoogleraar in de theologie aan achtereenvolgens de Universiteiten van Utrecht in 1926 en Amsterdam in 1931. Zijn grootvader, Arnold Hendrik de Hartog sr., was eveneens predikant en hoogleraar theologie, maar grootvader Arnold was gereformeerd. De Hartog sr. was nauw verbonden aan de Doleantie van Abraham Kuyper en diens Vrije Universiteit.
De moeder van Jan de Hartog was Lucretia de Hartog-Meyjes (1882-1961), afkomstig uit een geslacht van zeilmakers, scheepsbouwers en cargadoors, opgegroeid in het buitenland. Zij doceerde middeleeuwse mystiek.
Jonge jaren (1914-1934) De Hartog woonde zijn eerste vier jaren in Haarlem, en groeide daarna op in Amsterdam-Oost, waar het gezin woonde aan de Tweede Oosterparkstraat, later aan de hoek Nicolaas Witsenkade - Pieter Pauwstraat. Over zijn jeugd in de stad schreef hij het boek Herinneringen aan Amsterdam (1981). Het gezin De Hartog telde twee zoons, waarvan Jan de jongste was en Frans (Franz) de oudste. Het maakte deel uit van de maatschappelijke bovenlaag en leefde in betrekkelijke welvaart.
Toen De Hartog tien jaar oud was kreeg zijn moeder tuberculose. Zij werd meer dan een jaar lang opgenomen in een sanatorium. Vader kon de kinderen niet verzorgen, dus die werden ondergebracht; Frans bij een lerarengezin, en Jan bij familie Bout in Huizen. Dat hij naar Huizen ging had een bijzondere aanleiding. Wijgert Bout uit Huizen ventte regelmatig met vis in Amsterdam Oost. Hij kwam ook bij het gezin van dominee de Hartog. Vanwege dat regelmatige contact is Jan aan Wijgert toevertrouwd en kwam hij in Huizen terecht. Daar woonde hij ongeveer een jaar op het adres Schipperstraat 13. Het vissershuis met rieten dak waar in de winter op zolder de netten werden uitgehangen en geboet, staat nog steeds in het oude dorp van Huizen. Vanwege zijn verblijf in het gezin van Wijgert Bout gaf Jan de machinist Hollands Glorie, de achternaam Bout.
De vloot van het vissersdorp fascineerde Jan en op een dag werd hem door een visser gevraagd of hij mee wilde varen. Dat wilde Jan wel. Zijn ervaringen heeft hij in 1967 opgeschreven als Herinneringen van een bramzijgertje.In dat verhaal komt ook een "leugenaar' voor: een verteller die aan boord kwam om in ruil voor eten en drinken met het nodige aplomb sterke verhalen te vertellen. Als het bramzijgertje thuis zijn avonturen verhaalt merkt hij dat de toehoorders aan zijn lippen hangen. "Dat was het ogenblik waarop ik voor het eerst besefte dat ik een geboren Leugenaar was."
Scheepvaart werd een levenslange fascinatie. Herhaaldelijk ging De Hartog uit varen, of hij mocht of niet. Als vijftienjarige mocht hij mee op het koopvaardijschip van de Stoomvaart-Maatschappij Oostzee. De ervaringen die hij op zee op deed brachten hem herinneringen die als materiaal dienden voor de verhalen die hij zijn leven lang zou blijven optekenen.Als zestienjarige behaalde hij middels een stoomcursus bij het instituut Lier zijn MULO-B diploma, en vervolgens monsterde hij als lichtmatroos aan bij Hospitaal-kerkschip De Hoop.Gezien het kerkelijke karakter van dit schip kwam hij daar wellicht terecht met hulp van zijn familie.
Vervolgens werd De Hartog aangenomen bij de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam. Daar beviel het spartaanse regime hem echter slecht en binnen drie maanden hield hij het voor gezien. Later verklaarde hij dat hij van school was gestuurd vanwege aangetroffen aantekeningen die door de school werden uitgelegd als "voorbereiding voor chantage". De school zou nog een briefje hebben meegegeven met de verklaring dat men daar geen piraten wenste op te leiden. Deze episode verwerkte hij met een aantal andere herinneringen in Ave Caesar (1936), op basis van zijn dagboekaantekeningen.
Vroege schrijverschap (1934-1940) Nog steeds geobsedeerd door zee en scheepvaart kwam De Hartog hierna in dienst bij de havenpolitie van Amsterdam, waar hij tot 1932 bleef werken. Naar eigen zeggen hield hij zich daar hoofdzakelijk bezig met koper poetsen, thee zetten en 's nachts wakker blijven. Tegelijkertijd volgde hij het avondgymnasium, dat hij ook wist te voltooien. Tijdens de nachtwachten op het IJ begon hij met schrijven over gebeurtenissen van romantische aard, die hij De geheimen van het IJ noemde. Ook schreef hij in deze periode korte stukjes die door het Algemeen Handelsblad werden geplaatst onder de kop De korte golf.
In een poging om serieuze kunst te scheppen schreef hij Het huis met de handen (1934) dat door Menno ter Braak ongunstig werd besproken en dat door De Hartog zelf later een onleesbaar ding werd genoemd.
De avonturen die hij bij de havenpolitie had meegemaakt vormden vervolgens de basis voor vijf detectiveromannetjes die sinds 1934 verschenen, over de lotgevallen van commissaris Wiebe Poesiat en inspecteur Gregor Boyarski bij de hoofdstedelijke recherche. Deze werken schreef hij onder het pseudoniem F.R. Eckmar, een naam die niet toevallig klinkt als "verrek maar" en die kan worden opgevat als zijn houding ten opzichte van het kunst-establishment van die tijd.
Naar aanleiding van De Hartogs verhaaltjes in het Algemeen Handelsblad trok de Amsterdamsche Tooneel-vereeniging hem in 1938 aan als adviseur over de scheepvaart voor de opvoering van een Duits toneelstuk waar zeelui een rol in speelden. Hij bleef als vrijwilliger aan dit gezelschap verbonden, vertolkte op het toneel nog een rol als Finse zanger en droomde van een grote carrière als acteur. Zijn talent was echter geringer dan zijn ambitie, en geleidelijk ging De Hartog over tot het schrijven van toneelstukken. Daarnaast regisseerde hij wat en bleef hij figurantenrolletjes aannemen.
Een medefigurant was Lydia van Schagen, zeven jaar ouder dan hij, kunstschilderes. In 1934 trouwden zij. Van enig inkomen was nog nauwelijks sprake, en omdat De Hartog nu ook voor zijn vrouw moest zorgen, ging hij weer terug naar de havenpolitie, als invaller-stoker. Het huwelijk begon al gauw barstjes te vertonen. Van samenwonen was al gauw geen sprake meer. In 1937, Lydia was zwanger van hun dochter Sylvia, was De Hartog haar voor het eerst ontrouw. Uit het huwelijk volgde ook nog een zoon, Arnold, maar het huwelijk liep definitief op een mislukking uit. In 1938 overleed zijn vader.
In die tijd begon De Hartog met het schrijven van zijn in Nederland bekendste werk, Hollands Glorie. Hij woonde in Schoorl, vlak bij zijn literaire mentor Herman Robbers, in die tijd een zeer invloedrijk man in de literatuur. Ook de schrijver en essayist Menno ter Braak had in die tijd veel invloed. De Hartog kende hem persoonlijk doordat hij les had gegeven op het avondgymnasium. Van een warme band met Ter Braak was echter geen sprake. De Hartog bleef schrijven, en leerde geleidelijk zijn stijl en thematiek vorm te geven. Tegelijkertijd maakte hij steeds meer connecties in het hoofdstedelijke culturele leven, zoals met zijn huisgenoot de toneellegende Albert van Dalsum en met de oudere Ludwig Berger, met wie zich een vriendschap ontwikkelde.
De vermaarde regisseur Berger, als Jood gevlucht uit Duitsland, vroeg hem om te helpen bij het scenario voor de film Ergens in Nederland, over de zee, de mobilisatie en de Koninklijke Marine. Berger wist niets van de scheepvaart en De Hartog stond nog altijd bekend als zeeman. De beoogde hoofdrolspeler, Paul Storm, viel uit vanwege de mobilisatie, en De Hartog kreeg zijn debuut als speelfilmacteur, als tegenspeler van Lily Bouwmeester, met wie hij een romance beleefde. Het zou zijn enige filmrol blijven. De film zou in première gegaan zijn op de dag van de Duitse inval, 10 mei 1940.
De bezetting (1940-1943) Een paar maanden voor de Duitse inval had de Hartog een tijdelijke betrekking aangenomen in de sleepvaart, bij Wijsmuller in IJmuiden, maar daar kwam al snel een eind aan toen de sleepboot door de bezetter werd buitgemaakt. De Hartog had noodgedwongen weer alle tijd voor het schrijverschap en voltooide onder druk van zijn uitgever Hollands Glorie, een boek over de sleepvaart, geïnspireerd op de geschiedenis van de rederijen Wijsmuller en Smit. In een tijd dat Nederlanders zich door de bezetting sterk bewust waren van hun identiteit sloeg de nationalistische titel meteen aan, en de thematiek van onderdrukking was voor een goede verstaander ook toepasselijk. De roman werd een groot succes en werd ook door de critici lovend ontvangen. De bezetter had ook geen bezwaren. Sterker nog: de onderliggende kritiek op kapitalistische uitbuiting en ook het nationalisme pasten goed in het ideologische straatje der nationaalsocialisten. Totdat De Hartog in 1942 weigerde om lid te worden van de Kultuurkamer maakte hij dan ook weinig bezwaar tegen de omhelzing door de bezetter. Door deze weigering echter, onder meer ingegeven door zijn afkeer van de antisemitische maatregelen die de bezetter trof, verviel De Hartog vrijwel meteen in ongenade. Hollands Glorie werd verboden, hij werd overal gedwarsboomd, en er was zelfs al sprake van deportatie naar Duitsland.
Met zijn vriend de acteur Jan Teulings tikte hij een oude tjalk op de kop, met als doel een clandestien theatergezelschap op te zetten, tevens dekmantel voor verzetsacties. Om poolshoogte te nemen bezeilden zij de voormalige Zuiderzee en probeerden zij tegelijkertijd onderdak te vinden voor Joodse kinderen in de aanliggende vissersplaatsen. Van de goede bedoelingen om een ondergronds theater op te richten kwam echter niets terecht. Wel vormde het de inspiratie om zijn verhaal Schipper naast God, dat gaat over een schipper die een lading Joodse vluchtelingen redt, te bewerken voor toneel. Door de steeds intensievere Duitse controles voelde De Hartog zich echter niet veilig meer, en hij besloot onder te duiken, en uiteindelijk in april 1943 met hulp van de illegaliteit het land te ontvluchten.
Per trein reisde hij naar Moeskroen, aan de grens met Frankrijk, waar hij valse papieren kreeg. Hij reisde per trein door op weg naar Delle, op de grens met Zwitserland. Onderweg werd hij niet vertrouwd en werd hij ondervraagd in het station van Nancy. Hij mocht door na een telefoontje met de burgerlijke stand die zijn valse identiteit wonderlijk genoeg bevestigde. In Zwitserland werd hij over de grens gesmokkeld en vervolgens door de Zwitserse autoriteiten geïnterneerd. Tegen diens eigen advies in, heeft de Nederlandse consul in Zwitserland hem geholpen om weg te komen naar Engeland. Met hulp van de Franse Maquis nam hij de trein naar Foix en werd hij de Pyreneeën in geleid, waar hij met een groep vluchtelingen onder leiding van een gids de bergen in trok.De Hartog werd meegenomen door een patrouille en vervoerd naar Zaragoza om bij de nonnen verpleegd te worden. Hij werd ontvangen door de Britse consul die hem in een juten zak in het ruim van een vrachtschip liet laden, naar Gibraltar. Vanaf Gibraltar reisde hij door naar Engeland.
Engeland (1943-1949) thumb|Jan de Hartog (1943)