thumb|Bouwgeschiedenis van het kasteel van Versailles. thumb|Versailles in 1668 door Piere Pattel. Het perspectief is misleidend. De stallen en het cavaliershuis zijn groter dan hier wordt gesuggereerd. right|125px|thumb|Versailles in 1623. Het kleine kasteeltje van Lodewijk XIII. right|125px|thumb|Versailles in 1638. Lodewijk XIII bouwde op iedere hoek vier salons met mansardes. right|125px|thumb|Versailles in 1668. De eerste uitbreiding door Lodewijk XIV. Stallen, een driehoekige kennel en een "grot van Thetis" flankeren het kasteeltje. right|125px|thumb|Versailles in 1674. De grote zalenreeksen aan weerskanten verbinden het kasteel met de stallen en het cavaliershuis. Deze worden verbouwd tot woonruimten. De droge gracht is verdwenen. thumb|250px|right|Een toneelvoorstelling op het marmeren voorhof. Het centrale paviljoen heeft hier nog maar twee verdiepingen. Op de hoeken van het marmeren binnenhof zijn vergulde ronde vogelkooien aangebracht right|250px|thumb|Versailles in 1672. Reusachtige terrassen, een oranjerie en een zuid- of prinsenvleugel werden gebouwd. Rechts van het kasteel liggen grote reservoirs met water voor de fonteinen. right|250px|thumb|Versailles in de late jaren 70. De Noord- of edelenvleugel is gebouwd. Men bouwt aan de vleugels van de ministers. right|250px|thumb|Het terras van het corps de logis. right|250px|thumb|Rond 1680 waren ook de ministervleugels en de grote communs, dienstgebouwen, gereed. Op het zuiden ligt nog een terras ter hoogte van de bel-etage waar spoedig de spiegelzaal zal verrijzen. right|250px|thumb|Versailles in 1715. De spiegelzaal, let op de hoge daken die daarvoor nodig zijn, en de kerk zijn gebouwd. right|250px|thumb|Versailles in 1715. thumb|250px|De kapel gezien vanuit de Koninklijke Loge right|250px|thumb|Versailles werd door Lodewijk XV verbouwd. De trap van de ambassadeurs en de woning van de commandant van de lijfwacht in de oostvleugel werden vervangen door intieme vertrekken voor de koning. right|250px|thumb|Lodewijk XV liet Gabriel een nieuwe façade ontwerpen. Alleen dit deel (in groen) werd afgebouwd. Versailles kreeg ook een opera aan het einde van de noordvleugel.

Het kasteel van Versailles werd in fasen gebouwd en verbouwd. Niet alle verbouwingen zijn behoorlijk gedocumenteerd en ook de kenners zijn het over de volgorde en datering niet altijd eens. Aan het kasteel is door opeenvolgende generaties meer dan driehonderd jaar gebouwd. Bijzonder aan het gebouw is dat de opeenvolgende Franse koningen het gebouw eerder aanvulden dan grondig verbouwden. Lodewijk XIV heeft veel moeite gedaan om de gevels die door zijn vader waren gebouwd te bewaren. Dat de stijl van Lodewijk XIII niet meer mode was deed er voor hem niet toe. De onder Lodewijk XIV gebouwde tuinfaçade is meer dan 350 meter lang en werd door het nageslacht ongewijzigd bewaard. De gevels aan de stadskant zijn wél ingrijpend verbouwd maar Lodewijk XV en Lodewijk XVI bezaten niet de middelen om hun plan, naar ontwerpen van Gabriel, in hun geheel uit te voeren.

In het interieur is veel uit de regeringsperioden van Lodewijken bewaard gebleven. Aan deze vertrekken in de stijl van de barok, de rococo en het classicisme zijn tussen 1830 en 1848 nog zalen en galerijen in de stijlen van de vroege 19e eeuw toegevoegd. Er zijn in het gebouw quasi-middeleeuwse romantische en neogotische schilderijenzalen ingericht.

De verschillende restauratieopvattingen van de 19e en 20e eeuw hebben ook hun sporen nagelaten. De vele beelden van het nationalistische en educatieve museum dat Lodewijk Fillips in Versailles inrichtte zijn grotendeels verwijderd door latere conservatoren. Nu wordt het gebouw en het voorplein zo veel mogelijk teruggebracht in de toestand van 1789.

In 2009 was een deel van de daken van het centrale "Corps de logis" opnieuw verguld. De vergulde smeedijzeren hekken tussen de "Cour d'honneur" en het voorplein zijn weer in ere hersteld en de bestrating van het voorplein is opnieuw gelegd. Het 19e-eeuwse ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV is verplaatst naar een plek buiten de hekken van het museum, dicht bij de stallen.

Van Jachtslot tot werelderfgoed Het "kleine kaartenslot" van Lodewijk XIII In het begin van de 17de eeuw was Versailles, de naam "Versailles-au-Val-de-Galie", is afgeleid van "versare", wat omgeploegd, gekeerd, land betekent, een boerendorp boven het moerassige dal van Galie. Lodewijk XIII ging graag jagen in het domein dat aan de familie Gondi toebehoorde. Wanneer het te laat werd viel aan terugkeer naar Saint-Germain-en-Laye te denken en de koning, de overnachtingen het vervallen jachtslotje van de familie Gondi en de plaatselijke herberg beu, bouwde in 1624 op de heuvel naast het dorp een klein jachtslot. Het kleine kasteel was, in de heersende stijl, opgetrokken in rode baksteen en stroken gele natuursteen. De architect was Philibert Le Roy. Om de gevels te verlevendigen werden er marmeren portretbustes op kleine consoles op de gevel geplaatst. Het gebouw was binnen een droge gracht gebouwd en alleen via de twee vaste bruggen te bereiken. In de bescheiden bijgebouwen, "communs" genoemd, was plaats voor de paarden en de kennel van de jachthonden. Het kasteel telde toen 26 vertrekken en de tuin mat ruim 50 hectare; de bescheiden kostprijs was ruim 10.000 livres.

In 1632 liet Lodewijk XIII het kasteeltje uitbreiden met acht salons op de vier hoeken van het kasteeltje. De kostprijs steeg gestaag naar 250.000 livres waarvan 40.000 bestemd waren voor de tuin. Lodewijk XIII verbleef hier vaak en liet de regering over aan Kardinaal de Richelieu. Gedurende de regeringsperiode van Lodewijk XIII was Versailles nog een rustig kasteeltje met ruimte voor niet meer dan een bescheiden hofhouding; de Hertog d'Enghien schrijft hierover: "Hier zijn bijna geen vrouwen en weinig mannen..." Een dubbelzinnige toespeling op Lodewijks voorliefde voor knappe jongens.

De eerste bouwcampagne van Lodewijk XIV Na de dood van Lodewijk XIII in 1643 werd het kasteel een tijdje verlaten. Lodewijk XIV bezocht Versailles pas in 1651 voor het eerst. De jonge koning had een hekel aan Parijs waar hij "La Fronde", een opstand, had meegemaakt. Ondanks de talrijke beschikbare residenties in en om Parijs, zoals Saint-Germain-en-Laye, het Louvre, Vincennes, de Tuilerieën en Fontainebleau wilde de vorst zijn intrek in Versailles nemen, maar stuitte hierbij op verzet van zijn politiek adviseurs, Mazarin, Colbert en Kanselier Séguier. Dat bleef zo totdat Lodewijk XIV in 1661 de politieke macht naar zich toetrok. Nadat Kardinaal de Mazarin in 1661 was overleden erfde de jonge Lodewijk niet alleen diens enorme vermogen, hij erfde ook een zin voor kunst en esthetiek, de Italiaanse smaak die Europa beheerste.

De jonge Lodewijk XIV was, net als zijn vader, een liefhebber van de jacht; een nieuw verblijf op enige kilometers van het drukke Louvre was dan ook een ideaal verblijf voor Lodewijk die Parijs verafschuwde. Lodewijk liet tussen 1655 en 1679 door architect Le Vau de eerste vergrotingswerken uitvoeren. Daarmee gaf hij het startsignaal voor een megalomaan project waaraan de Franse koningen tot in de 19de eeuw zouden blijven bouwen. In het hoofdgebouw lag de slaapkamer des Konings centraal. Rechts daarvan was het appartement van de koning en links dat van de Koningin. Op de begane grond waren de appartementen van de Dauphin (kroonprins) en zijn vrouw. Voor het hoofdgebouw, het "Corps de logis", verrezen twee identieke bijgebouwen. Zij waren elf traveeën breed en op de hoeken stonden paviljoens. Er was ruimte voor 56 paarden maar de hofhouding kreeg kleine, overvolle ruimten toegewezen. Het exterieur was in de kleurrijke Franse renaissance-stijl van Le Roy gehouden. Het nieuwe voorplein, het "Place d'Armes" was omgeven door een fraai smeedijzeren hek en twee royale portiersloges en voor dat hek stonden twee bakstenen obelisken. In een halve cirkel rond het voorplein werden twaalf "communs" gebouwd. Deze vierkante bakstenen gebouwen van drie verdiepingen boden ruimte aan de hofhouding.

De tweede bouwfase onder Lodewijk XIV De architecten drongen erop aan het slecht gefundeerde kleine jachtslot te slopen, zodat zij vrij hun gang konden gaan. Alleen dan kon een harmonieus en doelmatig ingedeelde residentie worden gebouwd, naar de modernste opvattingen uit die tijd. De minister van Financiën, Colbert, wees de koning op de mogelijkheden die het Louvre bood. De reusachtige plannen voor de uitbreiding van het Louvre dat met enorme vleugels met de Tuilerieën verbonden zou moeten worden zouden het gehele beschikbare bouwbudget opeisen. Lodewijk negeerde de waarschuwing van zijn minister en wees sloopplannen resoluut van de hand. De pogingen om een groot en luisterrijk paleis te combineren met de bouwkundige kern die uiteindelijk niet meer dan een jachtslotje is, hebben de architecten van het kasteel zeer gehinderd.

De koning kwam na 1665 wekelijks de werken inspecteren vanuit Saint-Germain-en-Laye. Hij wandelde dan door de tuin en hing een paar schilderijen op.

Aan de tuinzijde van het kasteeltje werd een uitgebreide uitbouw, de zogenaamde "enveloppe", een reeks grote vertrekken, gebouwd. In de zomers van de jaren 60 liet de nog jonge koning een reeks schitterende feesten, met carrousels, balletvoorstellingen, gemaskerde bals en vuurwerk, houden in het park van Versailles. Het voorplein, de "Cour d'Honneur", leende zich uitstekend als toneeldecor. De koning trad zèlf op in de balletvoorstellingen en stelde dan Apollo, de zonnegod voor. Aan deze feesten dankt Lodewijk zijn bijnaam van "zonnekoning" en het motief van de zon of Apollo werd overal in het huis en in de tuinen herhaald.

Men schat dat er in deze periode ongeveer 300 hovelingen waren.

De derde bouwfase onder Lodewijk XIV Het kleine jachtslot werd dus de kern van een reusachtig bouwwerk en dat had consequenties voor de indeling van het paleis. Er is geen logische volgorde in de zalen en de ramen zitten vaak op de verkeerde plaatsen. Het ontbrak en ontbreekt het paleis ook aan representatieve en logisch aangebrachte trappen. Versailles kende lange tijd ook geen balzaal, geen eetzaal en geen vaste kapel.

Colbert schreef in 1670 in een memorandum aan zijn koning dat "alles wat in Versailles gebouwd wordt lapwerk is omdat de koning grillige opdrachten geeft en er geen visie aan de plannen ten grondslag ligt". De eigenzinnige koning trok zich de kritiek niet aan en liet een deel van de eerste bouwfase weer slopen. Aan de campagne van na 1670 danken we de spiegelzaal, die de plaats van een groot marmeren terras innam, en de grote zijvleugels.

Het nageslacht kan in de voorgevel van Versailles een stijlkaart van de Franse bouwkunst zien. De kenmerkende bouwstijl van de vroege 17e eeuw, de late 17e eeuw en die van het midden van de 18e eeuw zien we, dankzij de beslissing van de Zonnekoning om de kern van het oude kasteel te bewaren, op de gevels langs het erehof naast elkaar.

Het kleine slot lag op een heuvel boven een drassig gebied. Het uitbreiden van het kasteel en de aanleg van tuinen met werkende fonteinen was daarom een grote en kostbare uitdaging. Er was geen water voor de fonteinen en de grond was ongeschikt voor tuinaanleg. Het kasteel lag op een plateau 162 meter boven het niveau van de Seine en in de omgeving was weinig water te vinden. Om de tuinen van water dat onder voldoende druk stond te voorzien liet Lodewijk met de "Machine de Marly", een ingewikkeld raderwerk, water uit de Seine oppompen. Grote aquaducten brachten het water naar Versailles, maar het resultaat was onbevredigend. Tijdens de regering van de Zonnekoning konden niet alle fonteinen tegelijk werken en was het water groenig, troebel en onwelriekend.