Polacanthus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs behorend tot de Ankylosauria, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Groot-Brittannië.
De eerste fossielen van Polacanthus werden gevonden in 1843 op het eiland Wight. Het dier kreeg zijn naam, die 'veeldoornige' betekent, toen in 1865 de typesoort Polacanthus foxii benoemd werd. Daarna werden nog drie soorten in het geslacht benoemd, maar daarvan denken de geleerden tegenwoordig dat het om P. foxii gaat of om andere geslachten. In 1865 werd de achterkant van een skelet ontdekt en daarna zijn er nog wat losse botten gevonden. Veel van de bouw van het dier is dus nog onduidelijk.
Polacanthus werd zo'n vijf meter lang en twee ton zwaar. Zijn lichaam was bedekt met pantserplaten, stukken verbeende huid. Een groot heupschild bedekte de achterkant van zijn brede platte romp. Op de staart stonden rijen lange stekels. De achterkant van de staart was stijf om aanvallers een felle slag mee te kunnen toebrengen. Misschien stonden er ook rijen stekels op de voorkant van de romp en de nek.
Polacanthus had relatief lange poten vergeleken met zijn mogelijke verwanten, de Nodosauridae. Polacanthus at lage planten die met een hoornsnavel werden afgebeten. Na verder verknipt te zijn door tanden werd het voedsel in de enorme buikholte verteerd.
Vondst en naamgeving Vroege vondsten In 1843 werden door John Edward Lee drie beenplaten beschreven, bij Sandown Bay op de oostkust Wight gevonden, waarvan tegenwoordig begrepen wordt dat die aan Polacanthus moeten hebben toebehoord. De vondst raakte echter in vergetelheid. Eén osteoderm bestaat wellicht nog, specimen NHMUK PV R643, de andere gingen verloren toen ze in een rijtuig van Lee naar James De Carle Sowerby werden vervoerd, samen met een beschrijving en een illustratie door Lee. Lee had echter al een tekening laten maken door de graveur Charlesworth. Uit diens gravure wordt duidelijk dat een van de stukken een rosette betrof, een grote centrale ovale bolle plaat, omringd door ringen kleine hoekige beenplaatjes met putjes. Zulke rosettes zijn typisch voor het heupschild van nodosauriden. left|thumb|Zicht op Barne's High, achter de rotsblokken; door erosie is de locatie van de vindplaats van het holotype allang onder de golven verdwenen In 1859 meldde de geoloog Ernest P. Wilkins dat zich in zijn verzameling talrijke schubben, stekels en platen bovenop wervels bevonden afkomstig van Wight, waarvan later werd vermoed dat die van Polacanthus waren maar die hij zelf toewees aan Hylaeosaurus. Zijn collectie verhuisde na zijn dood naar een reeks opeenvolgende instituten en tijdens dat proces moeten de ankylosaurische fossielen kwijt zijn geraakt. Een uitzondering is wellicht een linkeropperarmbeen, specimen NHMUK R1106.
Het holotype van Polacanthus foxii thumb|Fox maakte Richard Owen tot de officiële naamgever Een heel skelet van Polacanthus werd in 1864 of, waarschijnlijker, begin 1865 door dominee William Fox ontdekt in de Barne's Chine, ook wel Barnes High genoemd, een rotswand aan de zuidwestkust van het eiland Wight. Wellicht werd de vondst in maart gedaan, als laagtij de stranden toegankelijker maakt. Het moet hem vele dagen gekost hebben de resten te verwijderen, zeker het zware en kwetsbare heupschild. Fox was een belangrijke amateurpaleontoloog die verschillende nieuwe soorten zou ontdekken. Eerst meende hij een reusachtige schildpad gevonden te hebben; pas later begreep hij dat het om een dinosauriër ging.
Op 23 juli 1865 plaatste Fox de beenderen, die zorgvuldig in papier en dozen waren verpakt om te voorkomen dat hun fragmenten vermengd zouden raken, in hun natuurlijke positie op de achtertuin van zijn Myrtle Cottage. Hij had de paleontoloog Richard Owen uitgenodigd ze te bekijken. De bijeenkomst werd ook bezocht door de dichter Alfred Tennyson en diens vrouw Emily, die ook op Wight woonden. Tennyson had Fox op zijn opgraving van het fossiel vergezeld, oude balladen ovder draken zingend. Owen was onder de indruk van de vondst en erkende dat het een nieuw taxon betrof. Daarna lijken alle drie de mannen de vindplaats te hebben bezocht.
September 1865 gaf Fox een lezing voor de British Association waarin hij meldde dat Richard Owen de soort benoemde als Polacanthus Foxii: op die manier werd wellicht de moeilijkheid omzeild dat Fox de soort niet direct naar zichzelf kon vernoemen. Dezelfde informatie werd vlak daarna gepubliceerd in anonieme artikelen in het blad van de Geological Association en op 16 september in een krant, de Illustrated London News, vergezeld van een houtsnede van hoge kwaliteit die de belangrijkste beenderen afbeeldde. Pas in 1866 werd de lezing gepubliceerd. De publicaties maken Owen de formele naamgever volgens artikel 50.1.1 van de ICZN. Deze gang van zaken heeft veel verwarring gesticht omdat latere auteurs geen overeenkomende publicatie van Owen uit 1865 konden vinden; soms werd daarom Thomas Huxley (1867) als naamgever van de geslachtsnaam en John Whitaker Hulke (1881) als naamgever van de soortaanduiding aangewezen.
De geslachtsnaam betekent 'veelstekelig', vanuit het Klassiek Grieks πολύς, polys, 'veel' en ἄκανθα, akantha, 'doorn', een verwijzing naar de stekels van het beenpantser; de soortaanduiding eert de ontdekker. Op 23 juli schijnt Fox zijn goede kennis en de toenmalige Britse poet laureate Tennyson voorgesteld te hebben een naam te verzinnen, waarop deze Euacanthus Vectianus opperde, de 'welgedoornde van Wight', althans zoiets maakte diens zoon Hallam Tennyson in 1897 op uit de dagboekaantekeningen van zijn moeder. Owen zegde toe dit te overwegen maar moet er uiteindelijk van hebben afgezien, wellicht omdat euacanthus een veelgebruikte soortaanduiding was bij allerlei stekelige planten. left|upright|thumb|Hulke beschreef de soort als eerste in detail In 1881 werd het specimen voor het eerst in enig detail door Hulke beschreven. Daaruit trekt men meestal niet de conclusie dat de geslachtsnaam tot dat jaar een nomen nudum was. Hulke betreurde in 1881 de amateuristische wijze van opgraven, die tot veel beschadigingen had geleid, en stelde dat hij haast had gemaakt met een beschrijving uit vrees dat het slecht opgeslagen exemplaar wellicht totaal verloren zou gaan; hij trof het volledig uit elkaar gevallen aan. Vermoedelijk was oorspronkelijk het hele skelet nog aanwezig maar had Fox het voorste deel niet kunnen veiligstellen voordat het door storm werd weggespoeld. Het werd met de Fox Collection als geheel na Fox' dood in 1881 aangekocht door het British Museum of Natural History. Daar werd het beenpantser, toen het stuk in 1882 daadwerkelijk in het museum aankwam, door preparateur Caleb Barlow weer in elkaar gezet, hoewel Hulke dat in 1881 nog een hopeloze onderneming genoemd had. De stukken werden verbonden door canadabalsem. Dit stelde Hulke in staat het stuk in 1887 aanvullend te beschrijven. Bij deze gelegenheid werden ook professionele lithografieën van de botten gepubliceerd; in 1881 had Hulke de tekst ook wel begeleid laten gaan van illustraties maar die waren toen door hemzelf, met hulp van William Henry Wesley, tamelijk amateuristisch met touche op de lithografische steen geschilderd. In 1905 werd de vondst nog eens beschreven door baron Franz Nopcsa toen het stuk voor het eerst door het museum werd opgesteld in een glazen vitrine. Daarbij werd het heupschild compleet gemaakt met gips. In het midden van de twintigste eeuw werden de beenderen opgeslagen in de kelder.
Het holotype, BMNH R175, is gevonden in een laag schalie met plantenresten van de bovenste Wessexformatie die dateert uit het Barremien, rond de 128 miljoen jaar oud. Het bestaat uit de achterzijde van een skelet. Bewaard zijn gebleven: vijf achterste ruggenwervels; elf dorsosacrale en sacrale wervels, ongeveer tweeëntwintig voornamelijk voorste staartwervels, verbeende pezen, elf ribben, drie chevrons, een volledig bekken, beide dijbeenderen, een linkerscheenbeen, een linkerkuitbeen, een linkersprongbeen, twee middenvoetsbeenderen, een klauw, een twintig tot dertig stekels en evenveel beenplaten. Fox gaf in 1865 en 1869 afwijkende opgaven van de aantallen beenderen. Hulke wees er in 1881 op dat hij verschillende elementen daarvan niet kon terugvinden, waaronder schaambeenderen en zitbeenderen, en betwistte de indeling van de wervelkolom. Zijn beschrijving van 1887 moest echter de opgaven van Fox grotendeels bevestigen. In 1905 concludeerde Nopcsa dat een stuk achterhoofd, een halswervel en een schaambeen die door Fox of Seeley in 1892 in het materiaal aangegeven waren, in feite botten van Iguanodontia vertegenwoordigden. Daarnaast waren er fragmenten van krokodilachtigen in het omvattende gesteente aanwezig.
Verdere vondsten thumb|Dergelijke beenplaten uit Engeland worden meestal aan Polacanthus toegewezen Later zouden er talrijke losse beenderen, stekels en beenschubben aan Polacanthus foxii toegewezen worden. Bij veel daarvan gaat het om materiaal uit een stuk oudere of jongere formaties, samen bijna het hele Onder-Krijt beslaand, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het inderdaad om dezelfde soort gaat. Reeds in 1891 beschreef Harry Govier Seeley een schaambeen van Polacanthus dat naar huidige inzichten aan een andere dinosauriër toebehoorde, vermoedelijk een lid van de Euornithopoda.
Van de modernere vondsten werd een deel in de bovenste Wessexformatie van Wight gedaan zodat het plausibel is dat het Polacanthus betreft, als we tenminste aannemen dat er maar één nodosauride van de fauna deel uitmaakte. Op 16 februari 1974 vond David Kemp bij Barnes High een stekel die opgenomen werd in de collectie van het Gosport Museum in Hampshire met het inventarisnummer GM 981.45.
In de middag van 29 maart 1979 werd door William T. Blows bij Compton Bay bij laagtij een tweede gedeeltelijk skelet van een onvolwassen exemplaar geïdentificeerd, specimen NHMUK R9293, met behalve een bekken, wervels en beenplaten ook schedelelementen. Hiervan bleken vanaf 1876 verschillende elementen geborgen te zijn; pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw wist Blows het hoofdgedeelte veilig te stellen, waarbij de opgravingen tot 1984 voortgezet werden toen de uitgeholde kuil zo diep was geworden dat hij zelfs bij laagtij helemaal met water gevuld was. Het is gemeld dat de doornuitsteeksels van de staartwervels een andere vorm hebben dan die van het holotype, wat suggereert dat het hier om een apart taxon gaat. In 2020 werd dit bevestigd door de aanwezigheid van diepe groeven aan de zijden van de voorste gewrichtsuitsteeksels van de staartwervels, die bij Polacanthus ontbreken. left|thumb|De Chilton Chine In de Chilton Chine werd in 1994 een volgend exemplaar ontdekt. Het omvat onder andere drie halswervels en twee ruggenwervels. Het werd in 1996 gedeeltelijk in de collectie van het Dinosaur Isle Museum opgenomen onder het inventarisnummer IWCMS 1996.153. Het was in 2020 nog niet beschreven. Een ander deel is nog in handen van de ontdekkers. In 1996 werd een hersenpan beschreven, specimen CAMSM X.26242, ook in de Chilton Chine aangetroffen, door David Cooper. Dezelfde vond op de zuidkust van Wight een losse ruggenwervel, specimen NHMUK PV R36821. In 1987 en 2015 werd door Blows uit de Whale Chine een synsacrum gemeld, opgegraven in het midden van de jaren zestig, specimen NHMUK R9950. thumb|De Whale Chine In het begin van de eenentwintigste eeuw is er een groot aantal nieuwe vondsten gedaan, vaak door amateurpaleontologen. Die zijn nog niet beschreven, maar schijnen het oude materiaal in veel elementen te kunnen aanvullen. Zo is er in 2010 en 2012 in Compton Bay een bekken met heupschild opgegraven, door Kail Bailey gevonden in het voorjaar van 2010, dat eerst bewaard werd en daarna is aangekocht door het Dinosaur Expeditions, Fossil Conservation and Palaeoart Centre bij Brighstone. Het was in 2020 nog onbeschreven.