Natuurwet (van het Latijnse lex naturae) of natuurrecht (ius naturale) heeft een aantal uiteenlopende invullingen. In de theologie, de rechtsfilosofie en de ethiek staat dit begrip voor de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur.

Natuurwet of natuurrecht staat voor een geheel van principes en regels die universele geldigheid zouden hebben en mede daarom boven de regels van het positief recht zouden gaan. In de gangbare opvatting slaan deze termen uitdrukkelijk niet op de natuur in de zin van de planten- en dierenwereld, maar op de menselijke natuur, die gekenmerkt wordt door het verstand (de rede).

Dit natuurrecht speelde tot aan de invoering van de nationale codificaties eind 18e en begin 19e eeuw een grote rol in het Romeinse en Europese rechtsbewustzijn. Tegenwoordig is de natuurwet nog een belangrijk onderdeel van de katholieke theologie en ethiek, naast een kleine stroming van moderne natuurrechtsaanhangers.

In Engeland heeft het Romeinse recht nooit gegolden. Daarom kent men in het Engelse recht (de Common law) en in de landen die het Engelse rechtssysteem volgen geen natuurrecht, zoals dat vanuit de romeinsrechtelijke traditie in het continentale Europese recht een plaats kreeg.

Historische ontwikkeling Grieken

Bij de Grieken had het natuurrecht vooral een ethische en politieke betekenis. Aristoteles schreef in zijn Ethica Nicomachea, V, 7, 1134b: "Van het in een staat geldende recht berust een gedeelte op het natuurrecht en een gedeelte op wetten. Het natuurrecht is dat recht dat overal dezelfde rechtskracht heeft en onafhankelijk is van opinies; het wettenrecht is datgene waarvan het er in beginsel niet toe doet of het nu zo dan wel anders is, maar waar het verschil maakt wanneer het een keer is vastgesteld". Het natuurrecht werd door Aristoteles verder niet systematisch uitgewerkt. In elk geval zou zijn opvatting over rechtvaardigheid een belangrijk onderdeel van het natuurrecht worden.

Romeinen Bij de Romeinen werd onderscheid gemaakt tussen het recht dat ieder volk voor zichzelf maakt (ius civile) en het recht dat alle volkeren ter wereld gemeen hebben (ius naturale) en dat gebaseerd is op de natuurlijke aard der dingen, de naturalis ratio. Dit natuurrecht werd ook wel het recht der volkeren (ius gentium) genoemd, maar moet niet verward worden met het moderne volkenrecht.

Cicero zegt het in zijn De republica, III, XXII, 33 zo: "Er is een waarachtige wet, een rechte rede overeenkomstig de natuur, aanwezig in allen, onveranderlijk, eeuwig; zij roept de mens tot het goede door haar geboden en houdt hem af van het kwade door haar verboden" en "Eén God is er, heer en meester over allen. Hij is de maker van die wet, hij heeft haar afgekondigd en bekrachtigd".

Anders dan bij de Grieken, had het natuurrecht bij de Romeinen vooral betekenis voor het privaatrecht. Zo werden koop en verkoop, huur en verhuur als typisch natuurrechtelijke verbintenissen gezien. Een ander belangrijk onderdeel van het Romeinse natuurrecht was de rechtvaardigheid (iustitia). Die werd, in de klassieke formulering van Ulpianus, omschreven als de vaste en constante wil ieder het zijne toe te delen (constans et perpetua voluntas ius suum cuique tribuendi). Daar werd onder meer uit afgeleid dat de rechter de wet goed en billijk (bonum et aequum ) diende toe te passen. De hieruit voortkomende redelijkheid en billijkheid is nog altijd een basisprincipe van het privaatrecht.

Al deze principes en regels behoorden tot het natuurrecht omdat ze door de menselijke rede (naturalis ratio) van de beste Romeinse juristen geformuleerd waren. Toen keizer Justinianus I dit in de praktijk gegroeide recht systematisch codificeerde in het Corpus Iuris Civilis, werd daarmee een groot deel van het natuurrecht (ius naturale) tot positief recht (ius civile). Het Romeinse recht gold daarna eeuwenlang als het gepositiveerde natuurrecht (ratio scripta).

Het Ius Gentium was het Romeinse recht dat de Romeinen gemeen hadden met de haar omringende volkeren. Het waren privaatrechtelijke regels die werden toegepast tussen burgers die afkomstig waren uit verschillende rechtssystemen. Dit ter onderscheiding van het Ius Civile dat alleen gold voor Romeinse burgers, ongeacht waar zij zich bevonden. (J.E. Spruit, Enchiridium, Deventer: Kluwer 1994, p. 55 en 76)

Katholicisme Al in de late oudheid namen christelijke denkers de Griekse en Romeinse concepten van het natuurrecht, als boven het positieve recht staande regels, over. Omdat in de christelijke opvatting de menselijke rede door God geschapen is, is in die visie ook het daaruit voortkomende natuurrecht van goddelijke oorsprong.

De kerkvader Augustinus (354-430) schreef dat er in de mens een ingeboren natuurlijk recht is, dat alle mensen kennen. Andere christelijke denkers uit die tijd wijzen er op dat deze kennis van de natuurlijke orde verduisterd werd door de zonde, maar weer duidelijk gemaakt werd in de bijbel en door de kerk. In de middeleeuwen wordt dan het natuurrecht gezien als de orde die het verstand voorschrijft, nadat het verstand in de menselijke natuur heeft ontdekt wat nodig is om rechtschapen te leven.

In de middeleeuwen was het natuurrecht nauw verbonden met het canoniek recht van de Rooms-Katholieke Kerk. Zo werd in het Corpus Iuris Canonici, de belangrijkste verzameling van kerkrechtelijke bepalingen, bepaald dat de rede (dat wil zeggen het natuurrecht) voorrang had boven zowel het gewoonterecht als het positieve recht. De natuurrechtelijke billijkheid kreeg hierdoor een zo belangrijke plaats in het kerkelijke recht, dat gesproken werd van de canonieke (kerkrechtelijke) billijkheid (aequitas canonica).

Thomas van Aquino (ca. 1225-1274) neemt het idee over dat de natuurwet de door het verstand erkende orde is. Die orde bestaat uit de eerste beginselen van het praktische verstand, dat deze beginselen inziet op grond van aangeboren, natuurlijke neigingen. Thomas benadrukt dat de natuurwet niet zonder meer of volledig is ingeboren, maar dat slechts het beginsel ervan met de menselijke natuur gegeven is. Omdat de natuurwet dus uit het menselijke verstand voortvloeit, zijn de beginselen ervan voor alle mensen hetzelfde, doch kunnen de concrete uitwerkingen verschillen. De gewone, positieve wetten mogen volgens Thomas niet in strijd zijn met het natuurrecht, maar inhoudelijk onrechtvaardige wetten moeten wel nageleefd worden om ergernis of wanorde te voorkomen. Pas wanneer zo'n wet in strijd komt met het zogenaamde goddelijk goede (bonum divinum), mag zij niet meer worden nageleefd en kan uiteindelijk ook de omverwerping van een tiran geoorloofd zijn.

De Spaanse katholieke geleerde Francisco Suárez (1548-1617) erkende dat het natuurrecht samenvalt met het verstand, maar stelde dat er pas sprake kon zijn van een echte natuurwet, wanneer er ook sprake was van een werkelijke gezagsdrager die deze wet uitvaardigde. Als die gezagsdrager werd God gezien.

Het natuurrecht of de natuurwet is sindsdien een belangrijk onderdeel van de katholieke theologie en ethiek gebleven. Zo is deze klassieke, op Thomas van Aquino teruggaande, opvatting terug te vinden in de nieuwste Catechismus van de Katholieke Kerk, onder nummer 1954 e.v.

Protestantisme In de reformatorische traditie is men uiterst kritisch over de natuurwet. In navolging van Luther vonden de protestanten dat de mens te zondig, of in elk geval niet in staat was om met zijn verstand eigenmachtig goede regels te kunnen formuleren. Men diende zich slechts aan de normen uit de Bijbel te onderwerpen.

Zo wees ook de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) de natuurwet radicaal af, omdat ethische normen volgens hem niet zijn af te leiden uit de natuur, maar alleen uit de openbaring van Jezus Christus. De eveneens Zwitserse protestantse theoloog Emil Brunner (1889-1966) benadrukte daarentegen de betekenis van het menselijke verstand, als middel tot (natuurlijke) godskennis en tot het formuleren van fundamentele normen. Daarmee sloeg hij een brug tussen de protestantse en de katholieke opvattingen.

In Nederland verwierp Herman Dooyeweerd (1894-1977) het natuurrecht vanuit de calvinistische rechtsopvatting en stelde er zijn leer van de rechtsbeginselen voor in de plaats. In die leer zijn de beginselen van het recht niet, zoals in het klassieke natuurrecht, afgeleid uit een universeel basisprincipe, maar variëren ze per soevereine wetskring.Paul Cliteur, Natuurrecht, Cultuurrecht en Conservatisme, Groningen 2005, p. 320 e.v.

School van Salamanca

De School van Salamanca werd gevormd door een groep Spaanse denkers in de 16e eeuw die allen doceerden aan de Universiteit van Salamanca. Hun leer wordt vaak aangeduid als Spaanse laat-scholastiek.

De juridische doctrine van de School van Salamanca betekende het einde van middeleeuwse rechtsbegrippen, met een herbevestiging van vrijheid die in die tijd niet gebruikelijk was in Europa. De natuurlijke rechten van de mens kwamen op de een of andere manier in het middelpunt van de belangstelling te staan, waaronder rechten als recht op leven, economische rechten zoals het recht op eigendom en spirituele rechten (het recht op vrijheid van denken en de menselijke waardigheid).

De School van Salamanca herformuleerde het concept van de natuurwet: wet die voortkomt uit de natuur zelf, waarbij alles wat in de natuurlijke orde bestaat in deze wet deelt. Hun conclusie was dat, aangezien alle mensen dezelfde natuur delen, ze ook dezelfde rechten op leven en vrijheid delen. Dergelijke opvattingen vormden een noviteit in het Europese denken en druisten in tegen de opvattingen die destijds in Spanje en Europa overheersten, namelijk dat de inheemse bevolking van Amerika dergelijke rechten niet had.

Diego de Covarrubias en Luis de Molina ontwikkelden een subjectieve theorie van waarde en prijzen en prijzen, die beweerde dat het nut van een goed van persoon tot persoon verschilde, zodat rechtvaardige prijzen zouden voortvloeien uit wederzijdse beslissingen in de vrije handel, behoudens de verstorende effecten van monopolie, fraude of overheidsingrijpen. Om dit in de huidige termen uit te drukken, verdedigden de aanhangers van de School de vrije markt, waar de eerlijke prijs van een goed zou worden bepaald door vraag en aanbod.

Verlichting thumb|right|Graf ontwerp Hugo de Groot (1663) Hugo de Groot (1583-1645) stelde in zijn beroemde boek Van 't regt des oorlogs en vredes dat er, hypothetisch, ook natuurrecht zou zijn, als God niet zou bestaan. Daarmee brak hij met de heersende katholieke opvatting, waarin het natuurrecht als van God gegeven werd gezien. Volgens hem kon louter met behulp van de menselijke rede een volledig (natuur-) rechtsstelsel opgesteld worden. Sindsdien geldt Hugo de Groot als "vader van het natuurrecht" (pater iuris naturae) en "vader van het volkenrecht". Hugo de Groot formuleerde in dit boek een versie van het non-agressieprincipe, inclusief het recht op zelfverdediging:

In de 17e eeuw begon men ook in te zien dat het Romeins recht niet meer de meest redelijke positivering van het natuurrecht was, omdat het was behept met culturele en historische invloeden. In lijn met het Rationalisme gingen natuurrechtsgeleerden als Samuel von Pufendorf, Christian Thomasius en Christian Wolff in de 18e eeuw louter door middel van rationele deductie volledige wetboeken opstellen. Deze vorm van natuurrecht wordt, vanwege het overwegend Duitse karakter, ook wel Vernunftrecht genoemd.

Een invulling van de notie 'natuurwet' zonder ethische connotatie wordt gehanteerd door Thomas Hobbes (1588-1679), die de natuurwetten bepaalt als de regels die iemand volgt in zijn eigen belang. Dit krijgt vorm in zijn boeken Leviathan en De cive.