Het beursjargon is een jargon dat wordt gebruikt onder handelaren op de effectenbeurs. Voor de standaardbegrippen met betrekking tot het sluiten van transacties zijn veel verschillende variaties in omloop. De verschillende beursfondsen worden vaak afgekort omdat het de snelheid en de duidelijkheid verbetert. Niet alle jargonnamen zijn even gangbaar, maar met name de grote fondsen worden nauwelijks meer met de volledige naam aangeduid.
A Aan jou: aan iemand verkopen Aanlappen: verkopen
B Banken: aandelen ABN AMRO Bear scenario: in een Bear scenario is iemand negatief over de beurs Bears: beleggers die inzetten op een daling van de beurs Bestens order: een effectenorder zonder prijslimiet Bieden: de prijs waarop de handelaar wil kopen Bluechip: aandelen van grote gerenommeerde bedrijven Buy'm: van iemand kopen Bull scenario: in een Bull scenario is iemand positief over de beurs Bulls: beleggers die inzetten op een stijging van de beurs
C Chinese wall: de scheiding binnen banken tussen de handelsafdeling en afdelingen met koersgevoelige informatie Cyclische aandelen: Cyclische aandelen zijn sterk afhankelijk van de ontwikkelingen van de economie. Voorbeelden zijn de uitzendbrache of de staalsector. Op bepaalde momenten in een economische cyclus zie je dat dit soort aandelen het beter of slechter dan gemiddeld doen.
D Dead cat bounce: een aandeel is snel en fors omlaag gegaan en veert een klein beetje op, maar men is het vertrouwen kwijt in het bedrijf Diamonds: populaire benaming voor de tracker op de Dow Jones Industrial Index
E F de Fed: Amerikaanse centrale bank de Federal Reserve System Flauw zijn: verwachten dat een aandeel zal dalen Flippen: aandelen kopen en verkopen op korte termijn om hieruit winst te halen; ook aandelen Philips Footsie: Engelse beursindex de FTSE 100
G Geven: verkopen Glad zitten: geen positie hebben (dus niet long of short)
H I J K Klemmen: aandelen KLM Krach: beurscrisis (crash)
L Laten: de prijs waarop de handelaar wil verkopen Lappen: verkopen Liften: kopen Longpositie: effecten hebben waardoor men profiteert van een stijging van de koers
M Majoreren: bij een emissie op meer aandelen inschrijven dan je wilt hebben, omdat men verwacht maar een percentage te krijgen van de aandelen waarop men inschrijft Market maker: handelaar die door de beurs is aangewezen om voor eigen rekening de markt in een fonds te onderhouden met koop- en verkooporders Market order: een effectenorder zonder prijslimiet (ook: bestens) Mine (Engels): van iemand kopen
N O Offer: de prijs waarop iets te koop staat Offreren: iets in de verkoop hebben Olies: aandelen Royal Dutch Shell
P Q Quote: de bied- en laatprijs waarop men kan handelen (bijvoorbeeld 14,20 - 14,30)
R S Shortpositie: een positie die winst geeft bij een beursdaling Short gaan: geleende aandelen verkopen om te speculeren op een beursdaling Short squeeze: een stijging van de beurs waardoor partijen met shortposities gedwongen worden hun positie te liquideren Sold: aan iemand verkopen SP'tjes: belangrijke futures op de Amerikaanse S&P 500 index, spreek uit als spietjes Stukken: aandelen
T U Uitnemen: kopen Unies: aandelen Unilever
V Van jou: van iemand kopen Vast zijn: verwachten dat een aandeel zal stijgen (ik ben vast op DSM)
W Wokkels: aandelen Wolters Kluwer
X Y Yours (Engels): aan iemand verkopen
Z
Externe link Valutajargon
Categorie:Beleggen Categorie:Jargon beurs