De USS Wasp (CV-7) was een vliegdekschip van de United States Navy en was het achtste schip met die naam. Het was het enige schip uit zijn klasse, en gebouwd om het overgebleven tonnage voor vliegdekschepen volgens de verdragen van die tijd op te vullen. Daarom was het gebouwd op een verkleinde versie van de romp van de Yorktown-klasse

Ontwerp Wasp was een bijproduct van de Washington Naval Treaty. Met de constructie van de Yorktown en de Enterprise hadden de Verenigde Staten nog 15.000 ton vrij voor het uitbreiden van hun vliegdekschipvloot. De Navy probeerde een zo groot mogelijke luchtgroep op een schip te krijgen met bijna 25% minder waterverplaatsing dan de Yorktown-klasse. Om gewicht en ruimte te besparen werd de Wasp gebouwd met machines met een laag vermogen. Vergelijk de 75 000 pk-machines van de Wasp met de Yorktowns 120 000 pk, de Essex met 150 000 pk, en de Independence-klasse met 100 000 pk. Daarnaast werd de Wasp te water gelaten met vrijwel geen bepantsering, hoewel die opgewaardeerd kan zijn na het einde van de bouw. De Wasp bood ook totaal geen bescherming tegen torpedo's. Daarnaast was zijn tonnage ondergewaardeerd, en was zijn uiteindelijke deplacement bijna 20 000 ton.

Het eindresultaat was een schip met inherente ontwerpfouten. Deze fouten, samen met de slechte schadebeheersing in de begindagen van de oorlog, zouden fataal blijken te zijn.

Begindagen De kiel werd gelegd op 1 april 1936 bij de Fore River Shipyard in Quincy, Massachusetts. Het schip werd te water gelaten op 4 april 1939 na gedoopt te zijn door de vrouw van de assistent Secretary of the Navy en in dienst gesteld op 25 april 1940 bij de Army Quartermaster Base, Boston, Massachusetts.

Wasp bleef nog in Boston gedurende mei, voordat het vertrok op 5 juni 1940 voor het kalibreren van de radiorichtingzoekerapparatuur. Na verdere uitrusting in de haven van Boston voer het nieuwe vliegdekschip alleen uit naar Hampton Roads en kwam daar aan op 24 juni. Vier dagen later zette het koers naar de Cariben onder begeleiding van de Morris (DD-417).

Onderweg voerde het de eerste van vele vliegdekschipkwalificatietesten uit. Wasp kwam op tijd aan in Guantánamo Bay om mee te doen met de parade voor Independence Day.

De shakedown ging gepaard met tragedie. Op 9 juli crashte een van zijn Vought SB2U-2 Vindicators twee mijl van het schip. Wasp draaide bij om snel assistentie te verlenen, evenals de Morris. Boten van de laatste borgen spullen uit het bagagecompartiment, maar het vliegtuig zelf was verloren, evenals de tweekoppige bemanning.

Wasp verliet Guantánamo Bay op 11 juli en arriveerde in Hampton Roads vier dagen later. Daar nam het vliegtuigen van de 1st Marine Air Group aan boord en nam ze mee de zee op voor kwalificatietesten. Ze oefenden gedurende een hele week waarna de Mariniers in Norfolk weer van boord gingen en de Wasp naar Boston ging voor reparaties.

Terwijl het in Boston was, vuurde het een saluut af aan President Franklin Delano Roosevelt, wiens jacht, Potomac (AG-25), een korte stop maakte bij de Boston Navy Yard op 10 augustus.

Wasp verliet de Army Quartermaster Base op de 21e voor stuurdrills en testen op vol vermogen. Laat in de volgende ochtend, was het onderweg naar Norfolk. De volgende dagen diende de Ellis (DD-164) als vliegtuigwacht, terwijl de Wasp zijn vliegtuigen lanceerde en ontving: jagers van Fighter Squadron 7 (VF-7) en verkenningsbommenwerpers van Scouting Squadron 72 (VS-72). Het vliegdekschip voer Naval Station Norfolk binnen op 28 augustus voor reparatiewerk aan de turbines, wat het schip de volgende maand in het droogdok hield. Wasp rondde zijn laatste zeetesten af in Hampton Roads op 26 augustus 1940.

Met de vloot Klaar om zich bij de vloot te voegen en toegewezen aan Carrier Division 3 verruilde Wasp de Naval Operating Base, Norfolk op 11 oktober voor de Norfolk Navy Yard. Daar laadde het 24 Curtiss P-40 Warhawks van de Army Air Corps 8th Pursuit Group en negen North American O-47A's van het 2nd Observation Squadron, alsook zijn eigen reserveonderdelen en Grumman J2F Duck-vliegtuigen op de 12e.

Wasp vervolgde zijn tocht richting Cuba in gezelschap van de Plunkett (DD-431) en Niblack (DD-431). De vliegtuigen van de Wasp voerden routinevluchten uit en oefenden met duikbommenwerpers en machinegeweren gedurende de volgende vier dagen. Bij aankomst in Guantánamo brachten de kanonnen een saluut aan Rear Admiral Hayne Ellis, commandant van het Atlantische Squadron, die aan boord was van de Texas (BB-35), op 19 oktober.

Gedurende de rest van oktober en november bleef Wasp trainen in het gebied rond Guantánamo Bay. Zijn vliegtuigen vlogen vliegdekschipklassificaties en trainingsvluchten, terwijl zijn kanonniers oefenden op doelen gesleept door de nieuwe vlootsleepboot USS Seminole (AT-65).

Toen zijn werk in de Cariben klaar was voer Wasp naar Norfolk en kwam daar kort na de middag op 26 november aan. Het bleef in de Norfolk Navy Yard gedurende Kerstmis 1940. Na eerst ontmagnetiseringstesten te hebben gedaan met de Hannibal (AG-1), voer het in zijn eentje naar Cuba.

Toen het arriveerde in Guantánamo Bay op 27 januari 1941 onderging Wasp een normale routine van vliegoperaties tot in februari. Met Walke (DD-416) als escorte opereerde Wasp vanuit Guantánamo en Culebra, waarbij het manoeuvres uitvoerde met een indrukwekkende lijst oorlogsschepen, waaronder de Texas, Ranger (CV-4), Tuscaloosa (CA-37), Wichita (CA-45) en een lijst aan destroyers. Wasp liep kanondrills en oefeningen, alsook routinetrainingsvluchten gedurende maart. Onderweg naar Hampton Roads op 4 maart, ondernam het vliegdekschip een nachtgevechtsoefening tot in de vroege morgen van de 5e.

Tijdens de passage naar Norfolk kwam er zwaar weer opzetten op de avond van 7 maart. Wasp stoomde op een standaardsnelheid van 17 knopen. Rond Kaap Hatteras spotte een uitkijk een rode lichtkogel om 22:45, en een tweede set lichtkogels om 22:59. Om 23:29, met hulp van zoeklichten, vond Wasp de vreemdeling in problemen. Het was de houten schoener George E. Klinck, onderweg van Jacksonville (Florida) naar Southwest Harbor (Maine).

Ondertussen verergerde de zeegang van kracht 5 naar 7. Wasp legde langszij om 00:07 op 8 maart. Op dat moment klommen vier man van de schoener via de touwladder, gegeseld door de windvlagen. Daarom liet Wasp, ondanks het slechte weer, een boot zakken om 00:16 en bracht de overige vier man aan boord.

Later die dag liet Wasp de geredde zeelieden van boord en ging meteen het droogdok in op de Norfolk Navy Yard. Het schip kreeg vitale reparaties aan de turbines. Patrijspoorten aan bakboordzijde werden dichtgelast voor betere waterdichtheid en stalen schilden werden om de 5 inch- en 1,1 inch-batterijen geplaatst. Na deze reparaties en veranderingen klaar waren, stoomde Wasp naar de Maagdeneilanden op 22 maart, en arriveerde in Saint Thomas drie dagen later. Het verplaatste al snel naar Guantánamo Bay en laadde marinevoorraden voor transport naar Norfolk.

Na terugkomst in Norfolk op 30 maart voerde Wasp routinevluchtoperaties uit in Hampton Roads over de volgende dagen tot in april. In gezelschap van Sampson (DD-394), voerde het een reddingsactie uit voor een neergestort patrouillevliegtuig in de buurt op 8 april. De rest van de maand opereerde Wasp tussen Newport (Rhode Island) en Norfolk met een aan boord genomen vlieggroep. Ze stoomde naar Bermuda halverwege mei en ging voor anker in Grassy Bay op de 12e. Acht dagen later ging het schip onderweg met de Quincy (CA-39), Livermore (DD-429) en Kearny (DD-432) voor oefeningen op zee, voor terugkeer naar Grassy Bay op 3 juni. Wasp keerde terug naar Norfolk drie dagen later met Edison (DD-439) als anti-onderzeebootscherm.

Na een kort verblijf in Tidewater regio, keerde Wasp terug naar Bermuda op 20 juni. Wasp en zijn escorte patrouilleerden het stuk van de Atlantische Oceaan tussen Bermuda en Hampton Roads tot 5 juli, toen de neutrality patrol zones van de United States Atlantic Fleet oostwaarts werden uitgebreid. Het bleef een week in Grassy Bay liggen voordat het terugkeerde naar Norfolk op 12 juli in gezelschap van Tuscaloosa (CA-37), Grayson (DD-435), Anderson (DD-411) en Rowan (DD-405).

Opbouw voor de oorlog Na zijn terugkeer naar Norfolk op 13 juli 1941, voerden Wasp en zijn luchtgroep opfristrainingen uit bij de Virginia Capes. Ondertussen had de situatie in de Atlantische Oceaan een nieuwe complexiteit genomen. Waar de Amerikaanse deelname aan de Slag om de Atlantische Oceaan nog slechts een kwestie van tijd was, waren de Verenigde Staten nog een stap dichter bij betrokkenheid met de Britten. Om de Amerikaanse veiligheid te garanderen en Britse troepen te bevrijden die op andere plekken nodig waren, maakten de VS een plan om IJsland te bezetten. Hierbij speelde Wasp een belangrijke rol.

Laat in de middag van 23 juli, terwijl het vliegdekschip in Norfolk lag, meldden zich 32 vliegers van de United States Army Air Forces aan boord voor tijdelijke dienst. Om 06:30 de volgende dag werden 30 Curtiss P-40 Warhawks en drie Boeing-Stearman Model 75 trainers van het 33rd Pursuit Squadron aan boord gehesen. Drie dagen later kwamen er ook vier journalisten aan boord.

Het schip had de taak gekregen deze vitale legervliegtuigen naar IJsland te brengen vanwege een tekort aan Britse vliegtuigen om de Amerikaanse landingen te beschermen. De Amerikaanse P-40's zouden een defensief jachtscherm neerleggen om de Amerikaanse belegeraars te beschermen. Op 28 juli koerste Wasp naar zee, met O'Brien (DD-415) en Walke als escorte. De Vincennes (CA-45) voegde zich er later op zee bij.

Na een paar dagen voegde de groep van Wasp zich bij de grotere Task Force 16, bestaande uit de Mississippi (BB-41), Quincy, Wichita, vijf torpedobootjagers, Semmes (AG-24), American Legion (AP-35), Mizar (AF-12) en Almaack (AK-27). Deze schepen waren ook onderweg naar IJsland met de eerste bezettingstroepen aan boord. OP de ochtend van 6 augustus verlieten Wasp, Vincennes, Walke en O'Brien Task Force 16, waarna Wasp zijn vliegtuigen liet opstijgen. Terwijl de P-40s en trainers naar IJsland vlogen keerden ze terug naar Norfolk, waar ze aankwamen op 14 augustus.

Op 22 augustus was Wasp alweer onderweg voor kwalificaties en opfrislandingen voor de kapen van Virginia. Twee dagen later verplaatste schout-bij-nacht H. Kent Hewitt zijn commandovlag van de Savannah (CL-42) naar de Wasp. Samen met de Savannah, Monsen (DD-436) en Kearny ging Wasp verder met vluchtoperaties. Het vliegdekschip ging nog actief op zoek naar de Duitse zware kruiser Admiral Hipper, die volgens geruchten in de westelijke Atlantische Oceaan op zoek was naar prooien. De geruchten werden voor velen werkelijkheid op de 30e, toen het Britse slagschip HMS Rodney werd gezien, op zo'n 20 mijl afstand, op dezelfde koers als de Amerikanen.

In elk geval, als ze al op zoek waren naar een Duitse kruiser, maakten ze er geen contact mee. Wasp en zijn escorte gingen voor anker in de Golf van Paria, Trinidad, op 2 september, waar Admiraal Hewitt zijn vlag terugverplaatste naar de Savannah. Het vliegdekschip bleef in de haven tot 6 september, toen het weer op patrouille ging om de neutraliteit van de Verenigde Staten kracht bij te zetten.

Terwijl het op zee was, kreeg het schip het nieuws dat een Duitse U-boot zonder succes een poging had gedaan om de destroyer Greer (DD-145) aan te vallen. De Verenigde Staten werden meer en meer betrokken in de oorlog. Amerikaanse oorlogsschepen voeren nu in konvooien met Britse koopvaarders de halve Atlantische Oceaan over tot het "mid-ocean meeting point".