Jacob Pieter van Braam, (Werkhoven, 27 oktober 1737 - Zwolle, 16 juli 1803) was een Nederlands admiraal.

Naar zee miniatuur|Schipbreuk van de Huis in't Bosch en terugkomst van de bemanning. Van Braam werd op 27 oktober 1737 geboren als zoon van de schout van Werkhoven Frans Thomas van Braam en Everharda Catharina van Nimwegen, die hem op 5 november 1737 lieten dopen. Hij trad in 1748 op tienjarige leeftijd als adelborst in dienst bij de Admiraliteit van Amsterdam, in navolging van zijn vijf jaar oudere halfbroer Willem van Braam, een zoon van zijn vader uit diens eerste huwelijk. Drie jaar later, in mei 1751, voer hij mee op een eskader van drie oorlogsschepen onder leiding van kapitein Pieter Hendrik Reynst dat voor de kust van Marokko moest kruisen om de onderhandelingen over een vredesverdrag met dat land kracht bij te zetten. De besprekingen werden door de Nederlandse consul in Gibraltar François Butler en zijn broer Louis gevoerd met een vazal van sultan Muley Abdallah, de pasja van Tétouan, die als voornaamste verantwoordelijke werd gezien voor de aanvallen van de Barbarijse Zeerovers op handelsschepen in de Middellandse Zee. Onderhandelen was moeilijk vanwege de voortdurende burgeroorlogen in Marokko. Het werd nog lastiger toen Jacobs schip, het fregat Huys in't Bosch onder kapitein-ter-zee Hendrik Cornelis Steenis met 132 man aan boord in december in een zware storm op de kust liep en in stukken brak. De bemanning wist op vijf na het strand te bereiken maar werd door de plaatselijke bevolking beroofd en meegevoerd. Enkele zieken die te zwak waren om te lopen werden doodgeslagen. De overigen werden tot slaaf gemaakt in Tétouan. Jacob werd hier door de pasja in huis genomen. In juli werden allen meegevoerd naar Fez, waar de sultan, 'zynde een Kleyn, Zwart en Maager Perzoon', kapitein Steenis benoemde tot 'Opzigter over de gevangenen Hollandsche slaaven, die tegenwoordig te Fez waaren'. Allen behalve Steenis werden te werk gesteld bij het sjouwen van zware stenen voor reparaties aan de stadsmuren, waarbij ze 'onmenschelyk geslaagen' werden. Pas op 21 november 1752 lukte het de Butlers vrede te sluiten en tegen betaling van losgeld en geschenken de 108 overlevende bemanningsleden van de Huys ín't Bosch en 142 andere Nederlandse zeelieden, die soms al tientallen jaren in slavernij hadden geleefd, vrij te krijgen.Een van de drie andere overlevende adelborsten was Damiaan Hugo Staring, de vader van de dichter Anthony Christiaan Winand Staring.

Carrière miniatuur|242x242px|Van Braams tekening van het linieschip Landscroon waar hij in 1762-1764 op diende. Op 25 februari 1753 werd Van Braam bevorderd tot luitenant-ter-zee, en in 1758, als twintigjarige, tot commandeur in de rang van kapitein-luitenant-ter-zee. Hij leerde in die tijd ook tekenen, en tekende op zijn reizen schepen, kustgezichten en plattegronden waarvan een aantal bewaard is gebleven. Hij voer die jaren onder diverse kapiteins op oorlogsschepen die kruisten op de Noordzee, het Kanaal, de Middellandse Zee en de Caraïbische Zee. In 1764 gooide hij het over een andere boeg. Hij nam, in overleg met de Admiraliteit, en weer in navolging van zijn broer Willem, dienst bij de VOC. Veel luitenants en onderofficieren deden dat omdat ze geen gage kregen doorbetaald als ze buiten dienst waren, wat in vredestijd vaak het geval was. Van Braam behield wel zijn rang bij de marine, en zou zelfs twee jaar later door de stadhouder benoemd worden tot extraordinair kapitein-ter-zee,Een extra-ordinaris kapitein was niet in vaste dienst en kreeg dus geen vast maandsalaris, in tegenstelling tot een ordinaris kapitein. Hij moest als reserve op afroep beschikbaar zijn. klaarblijkelijk vooruitlopend op zijn terugkeer.

Equipagemeester bij de VOC miniatuur|Fort Gustavus in Chinsura, Bengalen. Op 18 mei 1764 vertrok hij als schipper van het schip Amerongen van de VOC-Kamer Amsterdam naar Batavia, waar hij 29 december aankwam. Begin 1767 trouwde hij daar met de veertien jaar jongere Ursula Martha Feith. Zij was in Cochin geboren, waar haar vader voor de VOC werkte. Ze zouden samen vier zoons en vier dochters krijgen, waarvan een zoon en een dochter jong overleden. In augustus van datzelfde jaar vertrok hij als schipper van de Vrouwe Cornelia Hillegonda naar de VOC-factorij in Chinsura (ook wel Hougli genoemd) in Bengalen, waar hij equipagemeester werd. Hij was in die functie verantwoordelijk voor de toerusting van de factorij, maar was daarnaast ook actief in particuliere handel voor de firma van zijn vader F.T van Braam & N.J. van Baggen. In 1771 werd zijn zoon Jacob Andries van Braam geboren, die later als koopman carrière zou maken in de VOC en het tot Raad van Indië bracht in Nederlands-Indië. Twee jaar later volgde Willem Charles van Braam, die in 1812 met Herman Willem Daendels' dochter Petronella zou trouwen. In 1773 eindigde zijn contract, maar bleef hij nog drie jaar in Chinsura, vermoedelijk vanwege de particuliere handel. In juni 1776 kwam hij als schipper van de Jonge Lieve terug in de Republiek. Hoewel hij niet meer voor de VOC werkte was hij in Kaapstad als schipper benoemd omdat de oorspronkelijke schipper, Willem Ferret, onderweg was overleden.

Terug bij de marine Van Braam ging met zijn gezin in Gelderland wonen, waar hij het herenhuis de Engelenburg in Brummen kocht, 'een plaats van waarde' met 'schone plantagieën'. Hij zou het in 1781 weer verkopen aan Robert Jasper van der Capellen. Hij maakte in deze jaren voor de Admiraliteit kruistochten op de Noordzee en in het Kanaal, onder andere met de Venus, een fregat met een bemanning van 150 koppen en 26 stukken geschut. Op dit schip brak in augustus 1779 muiterij uit toen het al een half jaar op de rede van Texel lag. De bemanning, die al drie keer zo lang in dienst was dan was afgesproken, en bang was om geprest te worden om op andere schepen nog langer te blijven dienen, weigerde van boord te gaan als zij hun ontslag niet kregen.Het was indertijd erg moeilijk om bemanningen te krijgen voor de schepen. Ronselen zoals in Groot-Brittannië deed men niet, maar eenmaal geworven bemanningen probeerde men vaak zo lang mogelijk aan boord van de schepen te houden of hen over te plaatsen op andere schepen voordat ze de kans kregen aan wal te gaan. Van Braam zelf was toen al op de Engelenburg maar keerde terug aan boord,Kapiteins waren zelf verantwoordelijk voor het bijeen krijgen van een bemanning voor hun schip. waar 'Capiteijn Van Braam ter dier tijt zoo door matroosen als soldaaten zoodaanig was omsingelt dat hij nergens heen konde'. Uiteindelijk verscheen de Hoge Scheepskrijgsraad met een aantal oorlogsschepen bij de Venus. President van de krijgsraad was Reynst, inmiddels viceadmiraal. Het oproer werd onderdrukt en de leiders kregen in oktober diverse straffen: 'laarzen' (geseling), van de ra laten vallen en kielhalen. De rest kreeg gratie. Van Braams carrière liep geen schade op.

Oorlog miniatuur|Het linieschip Utrecht. In december 1780 brak de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog uit. De verwaarlozing van de vloot als gevolg van de jarenlange neutraliteitspolitiek brak de Republiek toen op. Tegenover de 122 Britse linieschepen stonden slechts 17 Nederlandse. Ook de VOC was niet voorbereid op oorlog. In totaal zouden elf Oostindiëvaarders door de Britten gekaapt worden, vaak omdat de bemanning nog niet wist dat het oorlog was en geen veilige haven had opgezocht. De scheepvaart lag daarna twee jaar vrijwel stil. Ook veel factorijen werden door de Britten ingenomen en geruïneerd. In oktober 1782 maakte Van Braam als vlagkapitein op de Utrecht deel uit van een eskader van schout-bij-nacht Jan Hendrik van Kinsbergen dat de retourvloot uit Azië en een konvooi uit de Oostzee vanuit Bergen in Noorwegen veilig naar huis moest begeleiden.Zie voor Van Braams verslag: Rapport aan zyne doorlugtige Hoogheid, den [...] Prince van Orange en Nassau [...] van den ondergeteekende Schout by Nagt van Hollandt en Westvriesland Jan Hendrik van Kinsbergen, 1782. Op deze door zware stormen geteisterde tocht verging het nieuwe schip de Unie met 450 man aan boord toen het in één keer omsloeg en naar de diepte zonk. Nadat ook de Zierikzee door zware schade naar Denemarken moest uitwijken (en daar schipbreuk leed) keerde het eskader onverrichter zake terug. Ook de Utrecht had het zwaar te verduren gehad. De retourvloot en het Oostzeekonvooi bereikten overigens op eigen kracht veilig de thuishaven.

Naar Indië miniatuur|Schipbreuk van de Unie. In december 1782 werd Van Braam benoemd tot kapitein-commandeur van een eskader van vier linieschepen (waaronder de Utrecht) en twee fregatten,De schepen waren de Utrecht (68 stukken, kapitein Van Braam), de Wassenaer (66 stukken, Gerardus Oorthuys), de Goes (54 stukken, Johan Splinter Stavorinus), de Prinses Louisa (56 stukken, Frederik Rudolph Carel Graaf van Rechteren) en de fregatten Monnickendam (36 stukken, Marcus Kuyper) en Juno (36 stukken, Cornelis Michael de With). De laatste strandde op de terugreis op het eiland Wight. dat het Nederlandse imago in Azië weer wat op moest vijzelen en de VOC bijstand moest verlenen, zoals bij het heroveren van Trincomalee in Ceylon. Hij werd tevens tot Raad van Indië benoemd. Het eskader mocht 'de brede wimpel' in de top van de mast van de Utrecht voeren. Door herstelwerkzaamheden aan dit schip vertrok het eskader pas op 14 maart. Het werd een moeizame reis geplaagd door ziektes. 136 bemanningsleden stierven al voor het bereiken van de Kaap de Goede Hoop. Aan de Kaap moest men lang blijven wachten op instructies. Intussen was Trincomalee al heroverd door de Franse bondgenoot, zodat het eskader doorvoer naar Batavia. Na een kort bezoek aan Bantam, waar de oorlogsschepen, de soldaten en de kanonnen veel indruk maakten op de sultan en de rest van de bevolking (de VOC had zelf slechts bewapende handelsschepen, die een stuk kleiner waren) kwam men op 4 maart 1784 in Batavia aan. Het was de eerste keer dat de marine van de Republiek in de regio verscheen. Tot dan toe had de VOC nooit een beroep op de marine hoeven doen.De VOC had in haar nadagen groot gebrek aan mensen en materieel. Alle vijf Admiraliteiten hebben vanaf 1783 oorlogsschepen naar Azië gestuurd om Oostindiëvaarders te begeleiden en de positie van de VOC in Azië te helpen verdedigen. Na van Braam vertrok een eskader van acht schepen onder Willem Sylvester (die in Malakka stierf aan oedeem) en in 1989 nog een eskader van vier schepen onder Anthony Staringh, naast een tiental oorlogsschepen die alleen of met zijn tweeën opereerden. - Dutch Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries, Appendix V. Naval vessels sent out to Asia 1783-1794, Rijkskundige Publicatiën, Huygens Instituut.

De expeditie naar Malakka en Riouw miniatuur|Eskader Van Braam en de landing op de kust van Malakka. Inmiddels was de oorlog met de Britten al weer afgelopen, tot teleurstelling van Van Braam, maar na overleg met gouverneur-generaal Alting kon hij met de schepen eind april vertrekken naar Malakka. Die stad werd belegerd door de vorst van Riouw, de Boeginees radja Hadji, bijgestaan door het ook door een Boeginees geregeerde sultanaat Selangor. De hele zuidwestkant van de stad was geplunderd en in brand gestoken. De Boeginezen, oorspronkelijk afkomstig uit Sulawesi, hadden zich in de 18e eeuw meester gemaakt van het eiland Bintan, de haven van het sultanaat Johor. De sultans hadden zij op het tweede plan gezet. Riouw/Johore en de VOC waren oude bondgenoten, maar de recente kaping van het Britse opiumschip Betsy in de haven van Riouw door het VOC-schip Mars en de St. Thérèse van de Franse kaper Mathurin Barbaron had roet in het eten gegooid. Gouverneur De Bruyn van Malakka, Barbaron en radja Hadji hadden hierbij samengewerkt maar radja Hadji kreeg zijn aandeel in de buit niet. Hij had daarop Malakka met zijn leger aan de landzijde ingesloten om genoegdoening te krijgen. Batavia was zo onverstandig partij te kiezen voor De Bruyn en oorlog te voeren tegen radja Hadji.