thumb|Monarchvlinders.
Een trekvlinder is een vlinder die migreert over grote afstanden, naar gebieden waar hij zich niet blijvend kan vestigen. Trekvlinders zijn dus geen verwante groep van vlinders: de term heeft betrekking op soorten uit verschillende families, net als de term trekvogels. Trekvlinders worden op alle continenten van de wereld (met uitzondering van Antarctica) waargenomen, ze trekken vanuit of binnen subtropische en tropische gebieden. Het begrip trekvlinder is plaatsgebonden: alleen op plaatsen waar de vlinders zich niet blijvend kunnen vestigen zijn ze als trekvlinder aan te merken.
Door te trekken vermijden de vlinders ongunstige omstandigheden, zoals slecht weer, gebrek aan voedsel of overpopulatie. Net als bij vogels zijn er soorten vlinders waarvan alle individuen gaan trekken, maar ook soorten waarvan maar een deel van de individuen wegtrekt, net als deeltrekkers bij vogels. Deze vlinders zijn standvlinders in een deel van hun verspreidingsgebied.
Algemeen thumb|Vlindertrek. Een geheel eenduidige definitie van vlindertrek is er niet, en dit geldt ook voor voorstellen tot een indeling in klassen van trekvlinders. (1987) "De Nederlandse Pijlstaartvlinders" Wet. meded. KNNV, nr. 180. Gearchiveerd op 25 februari 2012.
Zo wordt het verschijnsel dat vlinders zich op eigen kracht verplaatsen over een flinke afstand ook wel met "trek" aangeduid als ze binnen hun bekende leefgebied blijven. Deze vlinders worden meestal zwervers genoemd. Een bekend voorbeeld is het groot koolwitje. Van deze soort wordt soms massale "trek" waargenomen, maar niet naar gebieden waar blijvend vestigen onmogelijk is. Anders dan de echte trekvlinders, gaat het hier om standvlinders.
De begrippen zwervers en trekkers overlappen elkaar in de praktijk soms; er zijn soorten trekvlinders die in Nederland wel kunnen overleven, maar in te kleine aantallen om zich permanent te kunnen handhaven. Anderzijds zijn er soorten die soms voor meer dan twee jaar een populatie vormen, en die worden niet tot de trekvlinders maar tot de zwervers gerekend, het zijn onregelmatige standvlinders. Pas als een soort in een gebied tien jaar een vaste populatie heeft spreken we van een standvlinder.
Extra verwarrend is dat de term zwerver ook gebruikt wordt als term voor een trekvlinder die niet jaarlijks wordt waargenomen, maar wel zo nu en dan. Daarnaast wordt de term dwaalgast gebruikt voor een vlinder die vrijwel nooit ter plaatse is gezien.
Adventief Vlinders die op onverwachte plaatsen opduiken (adventief) worden niet beschouwd als trekvlinders, omdat deze soorten niet op eigen kracht buiten hun leefgebied terechtkomen. Het kan bijvoorbeeld gaan om vlinders die als ei of als rups onbewust worden ingevoerd bij de import van planten of om exemplaren die ontsnapt zijn bij een kweker of verzamelaar. Een voorbeeld is de wasmot, die overal ter wereld wordt gekweekt als voedsel voor in gevangenschap gehouden vogels, reptielen of amfibieën. Soms is moeilijk te bepalen of aangetroffen soorten als adventief of op eigen kracht. Trekvlinders als de Turkse uil en de katoendaguil kunnen de Lage Landen in principe zelfstandig bereiken, maar worden ook veel aangetroffen in de glastuinbouw.
Seizoenstrek thumb|De Australische soort Agrotis infusa overzomert als imago in de Australische Alpen, en houdt zich soms ook massaal in gebouwen op. Het trekken van vlinders is veelal seizoensgebonden. Bij vlindersoorten waarvan alle individuen trekken, beweegt de populatie zich tussen verschillende gebieden voor zomer- en winterseizoen of voor droog en nat seizoen.
Bij vlindersoorten waarvan maar een deel van de individuen trekt is dit minder duidelijk. Zij kunnen zich in een deel van hun leefgebied permanent handhaven maar daarnaast bereiken ze gebieden waar zij zich niet blijvend kunnen vestigen, ze leven daar enkel in het gunstige seizoen. Onder deze vlindersoorten zijn er, waarvan een aanzienlijk deel van de individuen weer terugtrekken naar het gebied waar de soorten permanent worden gezien, en andere soorten waar dat niet of nauwelijks gebeurt.
Verschil met trekvogels Een belangrijk verschil met vogeltrek is dat een individuele vlinder in zijn leven in het algemeen één kant op trekt, terwijl vogels in hun leven vaak meerdere keren heen en weer trekken. Dit heeft te maken met het korte leven als imago van de meeste vlinders. Waar vlindersoorten heen en weer trekken, gebeurt dit in het algemeen door individuen van verschillende generaties. Er zijn wel uitzonderingen, bijvoorbeeld: De beroemde trek van monarchvlinders in Noord-Amerika. De monarchvlinder trekt in twee jaar in meerdere generaties heen en weer. De imago wordt geboren in Noord-Amerika en trekt naar Mexico, Florida of Californië en overwintert daar. Na de overwintering trekt de vlinder weer wat naar het noorden en plant zich voort. In de volgende generaties trekt de monarchvlinder weer noordwaarts tot aan Canada. De trek van Agrotis infusa in Australië. Deze vlinder uit het zuidoosten van Australië trekt in de zomer naar de Australische Alpen om de hitte te ontvluchten. Na het overzomeren keert de vlinder weer terug en plant zich "thuisgekomen" weer voort.
Vlieggedrag thumb|Ook de kleine koolmot is een trekvlinder die tot op meer dan 100 meter hoogte wordt waargenomen en meer dan 3000 kilometer kan afleggen. Trekvlinders zijn over het algemeen uitstekende vliegers en soorten als de atalanta kunnen ook behoorlijke tegenwind trotseren. Dan vliegen ze meestal laag, maar doelgericht. (1989) Actie voor Vlinders, zo kunnen we ze redden, Weert : M&P. Tijdens de trek zijn de vlinders echter ook op grote hoogten, tot wel twee kilometer, te zien. (1981) "Altitudes attained by migrating monarch butterflies, Danaus p. plexipus (Lepidoptera: Danaidae), as reported by glider pilots", Canadian Journal of Zoology, vol. 59, 571-572, . (2003) "The Red Admiral butterfly (Vanessa atalanta, Lepidoptera: Nymphalidae) is a true seasonal migrant: an evolutionary puzzle resolved?" European Journal of Entomology, jrg. 100, nr. 4, pp. 625-626, . Zeker voor een dagvlinder als de atalanta is dat opmerkelijk, omdat de luchttemperatuur op deze hoogten laag is en dagvlinders om te gaan vliegen meestal afhankelijk zijn van opwarming van buitenaf. Kennelijk produceert de atalanta echter in de trekvlucht voldoende lichaamswarmte. Overigens is de atalanta ook 's nachts trekkend gezien.
Trekvlinders laten zich graag meevoeren op de wind, zoals is gebleken bij bestudering van de trek van de distelvlinder van Afrika naar Spanje. (2007) "Migration of the painted lady butterfly, Vanessa cardui, to north-eastern Spain is aided by African wind currents" Journal of Animal Ecology vol. 67, no. 5, pp. 888-898, . Trekvlinders gaan daarbij actief op zoek naar de gunstigste wind.
Dat trekvlinders goede vliegers zijn, wil niet altijd zeggen dat het grote robuuste vlinders zijn. Ook de kleine koolmot is een trekvlinder, die tot op meer dan 100 meter hoogte wordt gevonden (2003) "Vertical-Looking Radar, A New Tool for Monitoring High-Altitude Insect Migration" BioScience vol. 53, no.5, pp. 503-511, . en meer dan 3000 kilometer kan afleggen. (1986) "The Migration of Diamondback Moth" in: Diamondback Moth Management, Proceedings of the First International Workshop, Tainan, Taiwan, 11-14 March 1985. Shanhua: The Asian Vegetable Research and Development Center. Inhoud.
Navigatie Om over grote afstanden te kunnen migreren, moeten vlinders goed kunnen navigeren. Er zijn verschillende manieren waarop zij dit doen.
Landschapskenmerken: Om zich boven land te oriënteren, gebruiken vlinders kustlijnen, bergen en bergpassen, maar ook door de mens aangelegde wegen. Boven zee is ook gezien dat, zolang landschapskenmerken aan de kust zijn te zien, de trekrichting veel nauwkeuriger blijft, dan wanneer deze kenmerken niet meer zichtbaar zijn. In het bijzonder maken vlinders gebruik van landschappelijke elementen in de juiste trekrichting.
Zon en andere hemellichamen: Van dagvlinders is bekend dat zij zich kunnen oriënteren door gebruik te maken van de zon. Zij kunnen bovendien navigeren op gepolariseerd licht. De polarisatie van het zonlicht verandert met de hoek van inval, en daardoor kunnen de vlinders zelfs bij bewolkte hemel richting bepalen. Er zijn aanwijzingen dat vlinders in staat zijn correcties te maken voor de tijd van de dag. Zo vliegen distelvlinders rechte trajecten en niet in een vaste hoek ten opzichte van de zon. (1992) "Direction Of Spring Migration Of Vanessa cardui (Nymphalidae) In Colorado" Journal of Research on the Lepidoptera vol. 31, no. 1-2, pp. 16-23. Er zijn testen gedaan met het ontregelen van de interne klok door vlinders in het donker te houden, en dan te zien of zij kiezen voor aangepaste vliegrichting. Het bleek dat sommige soorten de richting aanpasten, andere niet. (1996) "Evidence for the use of a solar compass by neotropical migratory butterflies" Bulletin of the Ecological Society of America nr. 775, p. 332. Voor nachtelijke vliegers is zonlicht niet bruikbaar. De meeste nachtvlinders moeten het doen met de maan en de sterren.
Aardmagnetisch veld: Een aantal soorten (nacht-)vlinders oriënteren zich waarschijnlijk met behulp van het aardmagnetisch veld, zoals studie naar de zwerver gewone worteluil (1987) "Integrated use of moon and magnetic compasses by the heart-and-dart moth, Agrotis exclamationis" Animal Behaviour vol. 35, pp. 94–101, . suggereert. Studie naar trekgedrag van gamma-uilen liet zien dat deze, ook als ze op hoogte vliegen, hun koers kunnen corrigeren bij veranderende wind, en vooral kiezen te vliegen bij gunstige wind, wat in elk geval een sterk richtinggevoel suggereert.Scientists make compass discovery in migrating moths, University of Greenwich, 2008. De trekvlinder Aphrissa statira in Panama verliest zijn navigatiecapaciteiten wanneer hij eerst aan een sterk magnetisch veld is blootgesteld, wat wijst op oriëntatie met behulp van magnetisme. (2005) "Experimental evidence for a magnetic sense in Neotropical migrating butterflies (Lepidoptera: Pieridae)" The British Journal of Animal Behaviour (), nr. 71, pp. 183-191, . (PDF-bestand)
Vindplaatsen Trekvlinders migreren in of vanuit tropische en subtropische gebieden op alle continenten. Aan de noordkant zijn trekvlinders tot in Spitsbergen aangetroffen, dus ver boven de poolcirkel. Enkele trekvlindersoorten hebben zich over vrijwel de gehele wereld verspreid. Daaronder zijn enkele soorten die zich kunnen manifesteren als plaaginsecten, zoals de koolmot, de katoendaguil en de ni-uil.
Trekvlinders in de wereld thumb|Een in India gefotografeerde distelvlinder. Trekvlinders komen over de gehele wereld voor, dit zijn enkele voorbeelden: Op het Indisch Subcontinent is vlindertrek voorafgaand aan de moessons een bekend verschijnsel, dat is beschreven bij niet minder dan 250 vlindersoorten. (1930) The Migration of Butterflies Oliver & Boyd: Edinburgh. (2005) "Mukurthi National Park: A migratory route for butterflies" J. Bombay. Nat. Hist. Soc. vol. 102 nr. 2 pp. 241-242. PDF-bestand Op Madagaskar is van Chrysiridia rhipheus bekend, dat die trekt tussen verschillende populaties van vier soorten planten uit het geslacht Omphalea (wolfsmelkfamilie), de waardplanten voor deze vlindersoort. De drie westelijke soorten Omphalea leven in droog naaldbos, in het oosten komt de vierde soort juist voor in nat regenwoud en dit is de enige die het hele jaar groen is. (1991) "Foodplants of the Uraniinae (Uraniidae) and their Systematic, Evolutionary and Ecological Significance" The Journal of the Lepidopterists' Society vol. 45 nr. 4 pp. 296–347. PDF-bestand De roodstreepspanner is een vlinder die als vast leefgebied Afrika, grote delen van Azië en Zuid-Europa heeft. De soort trekt zo nu en dan naar het noorden en bereikt Centraal en Noord-Europa. Ook in Nederland en België wordt hij weleens waargenomen. Van de roodstreepspanner is niet bekend dat die weer terug trekt.