De Qing-dynastie (), ook wel Mantsjoe-dynastie, was de laatste keizerlijke dynastie van China. Zij volgde de Ming-dynastie in 1644 op en werd zelf vervangen door de Republiek China in 1912.

De oorsprong van de dynastie lag in Mantsjoerije bij de Aisin Gioro, een van de vele clans die in het gebied leefden. Onder Nurhaci (1559–1626) wist de clan door verovering en allianties de dominante te worden van alle stammen van de Jurchen en overige stammen ten noordoosten van het Chinese rijk. Nurhaci wist die te verenigen in een confederatie. In 1616 benoemde hij zijn dynastie als de Latere Jin. Onder zijn zoon Hong Taiji (1592–1643) kwam de multi-etnische coalitie tot stand die hij in 1635 als Mantsjoes benoemde. In 1636 hernoemde Hong Taiji de dynastie en gaf die de naam Qing. (Helder). In 1644 veroverden de Mantsjoes Peking. Na de inname van Peking zou het nog veertig jaar duren voordat de Qing hun macht in het gehele land daadwerkelijk hadden geconsolideerd.

De Qing vormden het grootste Chinese rijk ooit. De omvang van het rijk werd vergeleken met dat van de Ming meer dan verdubbeld. Het aantal inwoners van het rijk aan het eind van de dynastie was met ruim 500.000.000, het dubbele van het aantal in het begin van de dynastie. Met name vanaf de achttiende eeuw waren er in het rijk groepen aanwezig die daarvoor nooit deel hadden uitgemaakt van een Chinese staat, zoals Tibetanen, Oeigoeren, sommige groepen Mongolen, Birmezen en inheemse groepen op Taiwan. Het rijk van de Qing had een veel multi-etnischer karakter dan het rijk van welke dynastie daarvoor ook. Er is onder westerse historici ook wel een debat geweest of de Mantsjoe-keizers hun rijk nu als een Chinees rijk zagen of als een Qing-rijk waarvan China wel de verreweg belangrijkste maar niet de enige component was. Die laatste opvatting werd door Chinese historici fel bestreden. De huidige Volksrepubliek legitimeert huidige grenzen en aanspraken op betwist gebied op basis van ontwikkelingen tijdens deze dynastie. Ook de republiek China deed dat tussen 1912 en 1949.

Om een rijk met die omvang te kunnen regeren creëerden de Qing nieuwe en meer effectieve vormen van bestuur en communicatie. Tijdens de bloeiperiode van de dynastie, eind zeventiende tot eind achttiende eeuw, werd een productieniveau en welvaart bereikt dat aanzienlijk hoger was dan in welke dynastie daarvoor. De gemiddelde levensstandaard tijdens de achttiende eeuw was in China vermoedelijk hoger dan in West-Europa.

Aan het eind van de achttiende eeuw zijn er echter ook al tekenen dat het systeem begint te falen en onvoldoende in staat is problemen op te lossen. De contacten en handel met Europa speelden in strategisch opzicht lang slechts een marginale rol in de periferie. Pas vanaf de Eerste Opiumoorlog van 1839–1842 gaan gebeurtenissen in China voor een deel bepaald worden door westerse interventie en imperialisme. De dynastie is dan al ernstig verzwakt en overleefde de Taipingopstand van 1850–1864 nauwelijks. Vanaf de periode na deze opstand waren er facties aanwezig, die zich de noodzaak van hervormingen realiseerden. Het doel van de Zelfversterkingsbeweging was de introductie van westerse militaire technologie en het starten van een industriële ontwikkeling naar westers model juist om de Qing-dynastie te laten overleven en traditionele confuciaanse waarden te handhaven. Een aantal elementen hadden ook wel enig succes.

Meer in het algemeen was er toch te weinig blijvend resultaat vanwege het ontbreken van een op nationaal niveau consistent uitgevoerd moderniseringsbeleid. Er was daarnaast bij aanzienlijke groepen in de samenleving de opvatting dat zelfs een beperkte modernisering al gelijk stond aan cultureel verraad waardoor er uiteindelijk onvoldoende draagvlak was voor het consequent invoeren en toepassen van technologische en wetenschappelijke veranderingen. Na de Bokseropstand van 1899–1900 vond een herleving van een aantal hervormingen plaats die bekendstaat als De Nieuwe Politiek. Het zouden juist de instituten zijn, die gecreëerd waren door De Nieuwe Politiek vanaf 1901, zoals nieuw gevormde legerkorpsen, Kamers van Koophandel en provinciale assemblees die zouden zorgen voor de val van de dynastie.

Ontstaan van de dynastie thumb|250px|Nurhaci De oorsprong van de dynastie was in wat nu het uiterste noordoosten van China is, het gebied wat aangeduid wordt met de naam Mantsjoerije. In de periode van de Ming-dynastie werd alleen het zuidelijk deel van dat gebied door hen beheerst. Er waren vele bevolkingsgroepen in dit deel van China. Enkele daarvan hadden wel linguïstische en genetische overeenkomsten, zoals bij de Jurchen, maar er bestond geen overkoepelende etnische identiteit voor de clans en stammen in dit gebied. Een van die clans was de Aisin Gioro. Aisin betekent goud en wordt in het Chinese schrift geschreven met het karakter Jin. Dat was de dynastieke naam van die Jurchen die als de Jin-dynastie tussen 1115 en 1260 het noorden van China hadden beheerst. De clan claimde van die dynastie af te stammen. Vanaf het eind van de zestiende eeuw wist de leider van de clan, Nurhaci (1559–1626) door veroveringen en sluiten van allianties de dominante leider te worden van de overige stammen van de Jurchen en andere die in het noordoosten woonden.

Personen en groepen in dit deel van het huidige China werden in die periode niet ingedeeld op basis van vermeende etniciteit, maar veel meer op basis van levensstijl, loyaliteit en taal. Han-Chinezen die het gezag van Nurhaci accepteerden, levensstijl en taal overnamen konden onderdeel van de identiteit Jurchen worden. Hetzelfde gold voor Mongolen in de gebieden die in het westen aan Mantsjoerije grensden. Ook transities van Jurchen naar Chinees kwamen voor. In 1621 had Nurhaci de verovering van Liaoning afgerond en van Shenyang zijn hoofdstad gemaakt. In 1616 had hij zijn dynastie benoemd als de Laatste Jin. Nurhaci werd opgevolgd door zijn achtste zoon Hong Taiji, (1592–1643). In 1635 formuleerde Hong Taiji dat zijn onderdanen voortaan de Mantsjoes genoemd zouden moeten worden.

In de meer recente geschiedschrijving wordt betoogd, dat Hong Taiji om strikt politieke redenen een identiteit trachtte te creëren die hij de naam Mantsjoe gaf. Dit om de vele vaak heel verschillende stamgebonden identiteiten van de Jurchen maar ook andere noordoostelijke stammen te vervangen. Van die nieuwe identiteit konden ook Mongolen en Han-Chinezen deel uitmaken. Die meer recente geschiedschrijving hanteert ook het beeld van de vroege Mantsjoes als een multi-etnische coalitie, waarvan de Jurchen oorspronkelijk wel de belangrijkste maar zeker niet de enige groep vormden. Die coalitie had als doel het ten val brengen van de Ming-dynastie en de verovering van China.

In 1636 hernoemde Hong Taiji de naam van de dynastie en gaf die de naam Qing. (Helder)

De verovering van China tot de inname van Peking thumb|350px|Soldaten van het Blauwe Vendel. Een van de belangrijkste stappen voor de verovering en daarna voor de vormgeving van de Qing-staat was het creëren van een vendelsysteem, een van de vele zaken waarin de Mantsjoes beïnvloed werden door de Mongolen. Er waren oorspronkelijk vier vendels. In 1616 werden de Acht Vendels gecreëerd. Uiteindelijk waren er daarnaast nog acht Mongoolse vendels en acht Chinese vendels. Iedere vendel was een militaire eenheid, maar daarnaast ook een woongebied en een eenheid voor economische productie. Met een vendel werden niet alleen de militairen bedoeld, maar ook de groepen personen die van hen afhankelijk waren. Uiteindelijk werd ieder vendel geïdentificeerd met een etnische identiteit. In de praktijk was er wel een zekere etnische homogeniteit, maar in iedere vendel waren er Chinese, Mongoolse en Mantsjoe bataljons. Op het niveau van de vendels werden dus meerdere etnische identiteiten in zekere mate geïntegreerd. De samenstelling van de vendels werd verder vooral bepaald door eisen van doelmatigheid die ook flexibel kon worden aangepast.

De vroege Mantsjoes hadden een aantal moeilijkheden te overwinnen bij de geplande verovering van China. Nadat Nurhaci zijn militaire troepenmacht steeds had uitgebreid kwamen er aanzienlijke logistieke problemen. Al vanaf ongeveer 1615 waren er regelmatig situaties dat er onvoldoende voedsel was om zowel de eigen bevolking van de Jurchen alsook de legertroepen te voeden.

In 1626 leed het leger van de Mantsjoes een zware nederlaag tegen dat van Ming. Om voldoende voedsel voor het leger te krijgen was buit van veroverde gebieden essentieel. Het stagneren van dat proces leidde tot de wens bij sommige stamleiders terug te keren naar de "goede oude dagen" van raids en plunderingen en het streven naar een staat en de verovering van China op te geven. De Mantsjoes waren in feite niet sterk genoeg om een plan voor directe en rechtstreekse verovering van China uit te voeren.

In 1634 wist Hong Taiji wel de Chahar-Mongolen te onderwerpen. Hij verkreeg daarmee ook het officiële zegel van de oude Yuan-dynastie dat Ligdan Khan leider van de Chahar en laatste keizer van de Noordelijke Yuan-dynastie in zijn bezit had. Het gebied dat nu globaal het huidige Binnen-Mongolië is werd aan zijn rijk toegevoegd. In 1636 viel hij Korea binnen en wist het gebied van de Joseondynastie die aan de Ming tribuutplichtig was tot een protectoraat te maken. Beide gebeurtenissen leverden ook weer enige buit op. In de zomer van 1642 wist een leger van de Mantsjoes door de Chinese Muur te breken en plunderde ruim een half jaar het noorden van China. In mei 1643 trok dat leger zich terug met buit en gevangenen zonder dat het een militaire confrontatie van enige betekenis had gehad met een leger van de Ming.

Het hoofddoel, de verovering van China, werd uiteindelijk bereikt doordat de Ming-dynastie geconfronteerd werd met een lange reeks van misoogsten in de jaren 1636–1643 met boerenopstanden en rebellie in grote delen van het land. De leider van de rebellen Li Zicheng wist in april 1644 Peking in te nemen. De laatste keizer van de Ming, Chongzhen, pleegde zelfmoord. Een aanzienlijk deel van het rebellenleger rukte daarna op naar de Shanhaiguan-pas aan de Chinese Muur. Daar was de enige bevelhebber met een troepenmacht van enige omvang die de Ming nog trouw gebleven was. Deze Wu Sangui besloot hierop een alliantie met de Mantsjoes aan te gaan. Het rebellenleger werd vernietigend verslagen en de Mantsjoes konden vrijwel ongehinderd Peking innemen.

Eerste beleidsmaatregelen Na de dood van Hong Taiji in 1643 was Dorgon van 1643 tot aan zijn dood in 1650 regent van de toen minderjarige keizer Shunzhi. Dorgon zette het beleid van Hong Taiji voort naar een verdergaande centralisatie van de machtsstructuur door het beperken van de macht van de vendelcommandanten. Tijdens zijn bewind werd een begin gemaakt met het beleid om de vendeltroepen te gaan legeren in garnizoenen verspreid over het rijk en het door hen ontvangen van salaris en vaak een stuk grond. thumb|Tot begin twintigste eeuw droeg het overgrote deel van Chinese mannen hun haar in een vlecht Dorgon begon het beleid van het creëren van een vorm van diarchie waarbij vroegere Ming-functionarissen en Mantsjoes gezamenlijk een hoge administratieve functie uitoefenden. Binnen de elite van de Mantsjoes werd met name over het dit punt heel verschillend geoordeeld. Er waren facties die een acceptatie van Chinese wijzen van besturen radicaal afwezen.

In 1645 werden voor het eerst weer de examens voor bestuurders gehouden. Net zoals onder de Ming-dynastie zouden die voortaan iedere drie jaar georganiseerd worden. In het examen van 1645 moesten kandidaten de vraag beantwoorden hoe Mantsjoes en Han-Chinezen verenigd konden worden, zodat hun harten dezelfde zouden worden en hoe zij samen zouden kunnen werken.