De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) is een salamander uit de familie van de echte salamanders.

De kleine watersalamander blijft relatief klein en bereikt een lichaamslengte tot ongeveer tien centimeter inclusief staart. De lichaamskleur is bruin met donkere vlekken en strepen, met name de mannetjes. Mannetjes hebben een patroon van ronde, loodgrijs gekleurde vlekken op de flanken en de staart. Zij krijgen in de voortplantingstijd een duidelijke gegolfde staartkam en ook de kleuren op de buik en staart worden feller.

De salamander leeft hoofdzakelijk van kleine kreeftachtige diertjes zoals watervlooien. Vijanden zijn verschillende vissen, vogels, reptielen, insecten, zoogdieren en andere amfibieën. De kleine watersalamander komt in heel Europa voor en ontbreekt alleen op het Iberisch Schiereiland en noordelijke delen van Europa. Het is niet alleen een van de wijdst verbreide soorten maar ook een van de meest algemeen voorkomende amfibieën in Europa. De salamander komt ook voor in meer gematigde landen als België en Nederland. Het is hier een van de algemeenst voorkomende amfibieën.

Verspreiding en habitat thumb|left|Verspreidingsgebied

De soort komt alleen in Europa voor, maar wel in veruit het grootste gedeelte ervan in een groot aantal landen. De kleine watersalamander komt voor in de landen: Albanië, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Georgië, Griekenland, Hongarije, Kroatië, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Moldavië, Montenegro, Nederland, Noord-Macedonië, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slowakije, Slovenië, Tsjechië, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Wit-Rusland, Zweden en Zwitserland.

Landen of streken waar de soort niet voorkomt zijn; zuidelijk Frankrijk, zuidelijk Italië, Spanje en Portugal, noordelijk Scandinavië en het uiterst noordoostelijke deel van Europa. Buiten Europa komt de soort tot in Turkije voor. De kleine watersalamander komt voor in zowel laaggelegen landen als de Benelux, maar kan zich ook handhaven in uitgesproken berggebieden; in Oostenrijk werd het dier tot op een hoogte van 2150 meter boven zeeniveau aangetroffen.<ref>Global Amphibian Assessment - Triturus vulgaris - Smooth Newt - Website</ref>

De salamander kan in zeer hoge aantallen per oppervlakte-eenheid voorkomen, maar de aantallen lopen in de meeste delen van het verspreidingsgebied langzaam terug. Met name in geïndustrialiseerde landen hebben vervuiling en het verdwijnen van het leefgebied een negatieve impact op de populaties. Wel moet gezegd worden dat sommige menselijke activiteiten, zoals het graven en open houden van sloten, een positieve invloed hebben op het in stand houden van de populaties.

Habitat thumb|De kleine watersalamander komt voor in vochtige en begroeide gebieden. thumb|Door de waterafstotende huid blijven juvenielen die in landfase zijn een tijdje drijven.

De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop en kan in alle met onderwatervegetatie begroeide kleine watertjes die regelmatig in de zon staan gevonden worden. De soort leeft in stilstaande tot langzaam stromende wateren. Hij komt voor in kleine stroompjes, vijvers, sloten, vennetjes, moerassen en zelfs in gebieden met hoogveen. Snelstromend water is ongeschikt als habitat. Het is een cultuurvolger die zich kan handhaven in uiteenlopende milieus, maar het liefst vertoeft in begroeide, open gebieden. Vooral door de mens aangelegde waterreservoirs zijn geschikt, als ze tenminste deels bestaan uit een stilstaand diep water met steile wanden zodat vee er geen toegang toe heeft. Ook in grotere wateren komt de salamander voor, zoals de oeverzones van meren en vijvers en bochten van rivieren, een enkele maal ook in brak water. De voorkeur gaat uit naar heldere, niet te dichtbegroeide wateren met stilstaand water die niet al te diep zijn.

De kleine watersalamander kan overleven in een kleine vijver zoals die van een modale tuin. Om het dier te laten gedijen en zich te laten voortplanten zijn een aantal voorwaarden van belang. Waterplanten zijn essentieel voor de afzet van de eitjes, liefst klein- en veelbladige soorten zoals waterpest. De vijver mag geen vis bevatten. De dieren hebben behoefte aan schuilplaatsen als lage, struikachtige planten en platte stenen rond de vijver en een strooisellaag om in te schuilen. De oever van de vijver mag niet te steil zijn, de vijver moet plaatselijk een minimale diepte hebben van een halve meter.

In België en Nederland De kleine watersalamander is na de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo) de meest algemene amfibie in België en Nederland. De salamander wordt hier vooral aangetroffen in zonbeschenen vijvers, poelen en vennen met in de buurt plaatsen om te schuilen zoals begroeiing of steenhopen. In Nederland en België is de salamander plaatselijk algemeen en wordt in alle hier voorkomende landschapstypen aangetroffen. De soort komt niet voor in brakwatergebieden.

In België komt de kleine watersalamander in de meeste provincies algemeen voor, vooral voor in het noorden en midden van het land. In andere streken is de soort zeldzamer, zoals in de Ardennen, zuidoostelijk Oost-Vlaanderen en rond De Kempen.

In Nederland is de salamander vooral te vinden in het oosten en het midden van het land. In Flevoland en de noordelijke provincies komt de soort minder algemeen voor. Ook op de Waddeneilanden is hij te vinden. Op Texel komen natuurlijke populaties voor; waarschijnlijk al sinds 1170 toen Texel door de Allerheiligenvloed een eiland werd. Op Ameland, Schiermonnikoog, Terschelling en Vlieland komen ook populaties voor, maar deze zijn uitgezet.

Uiterlijke kenmerken thumb|Mannetje in landfase

De kleine watersalamander wordt maximaal 11 centimeter langReptiles & Amphibians of the UK - Smooth or Common Newt - Triturus vulgaris - Website, maar exemplaren in het zuiden van het leefgebied, rond de Middellandse Zee, bereiken maximaal 6 tot 9 centimeter. De mannetjes worden in de regel iets groter dan de vrouwtjes, bij de meeste amfibieën is dit net andersom. De volwassen dieren hebben een gewicht van 1,2 tot 2,5 gram, de grootste exemplaren worden tot vijf gram zwaar.

De kop is bruin van kleur, de mannetjes hebben duidelijke lengtestrepen aan de kop. Op de keel is vaak een keelplooi te zien. De gifklieren of parotoïden zijn klein en moeilijk zichtbaar.

Sommige ondersoorten hebben, net als veel Europese kikkers, twee huidplooien aan weerszijden van de rug, die dorsolaterale lijsten worden genoemd. De tenen aan de achterpoten dragen huidzomen in de waterfase. Deze huidzomen bestaan uit randen om de teen die het oppervlak vergroten en waarvan de functie te vergelijken is met die van een zwemvlies. Mannetjes vallen op door de grote, sterk afgeplatte kam op de rug en aan de staartzoom aan de onderzijde van de staart. Deze is aan de bovenkant gegolfd tot getand en de staartzoom aan de onderzijde van de staart is vaak blauw gekleurd, hoewel dit niet altijd duidelijk is te zien. Vrouwtjes krijgen slechts een lichte kam op de staart die ophoudt bij de basis en niet doorloopt op de rug en daarnaast een eveneens lichte en nauwelijks zichtbare staartzoom. In zuidelijke delen van het verspreidingsgebied hebben sommige mannetjes een staartdraad, dit is een wormachtige staartpunt. Dit komt ook voor bij de vinpootsalamander, die altijd een staartdraad heeft.

Lichaamskleur De mannetjes zijn ook buiten de paartijd makkelijk van vrouwtjes te onderscheiden door een meer afstekende kleur, donkere ronde vlekken op de rug en flanken en een witte buikzijde met naast de vlekken een lichte oranje streep op het midden. Vrouwtjes hebben ook vlekken, maar deze zijn veel kleiner en zitten alleen op de buik, op de rug is de kleur bruin. Het midden van de rug is bij vrouwtjes vaak lichter gekleurd, zodat een rugstreep ontstaat. Deze rugstreep heeft vaak tand-achtige uitstulpingen. De huid is in de landfase droog, dof en bruin tot grijs van kleur, de buik en keel hebben vele kleine, vrij ronde zwarte vlekken, die van mannetjes zijn ook hier duidelijk groter. Mannetjes hebben twee lengtestrepen aan weerszijden van de kop, die bij vrouwtjes ontbreken. In totaal hebben de mannetjes vijf tot zeven lengtestrepen aan de kop.

De kleine watersalamander heeft een oranje streep op de verder witgeel gekleurde buik. Deze oranje kleur wordt intenser gedurende de voorplantingstijd. Bij de mannetjes stopt deze streep voor de staart, terwijl de oranje kleur bij de vrouwtjes verder doorloopt. Ook de onderzijde van de staart is bij de vrouwtjes oranjeachtig. Bij de mannetjes is de staartzoom altijd blauw van kleur, ook in de landfase.

Baltskleur thumb|Buikzijde van een mannetje, duidelijk te zien is de opgezwollen cloaca onder de staartwortel.

Tijdens de voortplantingsperiode leeft de kleine watersalamander in het water en krijgt dan speciale aanpassingen die het uiterlijk drastisch veranderen, vooral bij de mannetjes. De korzelig aandoende, grauw gekleurde en droge huid verandert in een gladde huid met felle kleuren aan de buikzijde. Ook zwelt de cloaca op, vooral die van de mannetjes. De huid past zich aan waardoor deze dunner en gladder wordt en de waterafstotende eigenschappen verdwijnen waardoor de salamander door de huid kan ademen. Om aan voldoende zuurstof te komen tijdens deze actieve periode moet ook steeds adem worden gehaald aan de oppervlakte. Alleen in het water overwinterende dieren, wat bij volwassen salamanders zelden voorkomt, ademen soms maandenlang door de huid maar zijn dan niet actief zodat ze bij de lage watertemperatuur nog maar heel weinig zuurstof nodig hebben.

De achterpoten van de mannetjes zijn duidelijk groter dan die van vrouwtjes. De huidzomen van de mannetjes zijn ook donkerder van kleur.

Deze aanpassingen verdwijnen weer na de voortplantingsperiode voor de landfase; de huid wordt weer leer-achtig waardoor de salamander minder snel uitdroogt. Er zijn zeven ondersoorten die allemaal iets afwijken en enige variatie kennen in kleur, patroon en gemiddelde lengte.

Onderscheid met andere soorten De kleine watersalamander is maar met weinig andere soorten te verwarren. De vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) valt in de waterfase op door de sterk ontwikkelde zwemvliezen aan de achterpoten en het worm-achtige aanhangsel van de staart. Zwarte vlekjes op de keel ontbreken bij deze soort.

De kamsalamander (Triturus cristatus) wordt groter tot 20 cm en heeft een meer donkere kleur en de mannetjes hebben een meer puntige kam in plaats van een gegolfde kam. De kam van de kamsalamander heeft een duidelijk onderbreking boven de staartwortel, de kam van de kleine watersalamander niet. Andere salamanders, zoals de vuursalamander (Salamandra salamandra) hebben een te sterk afwijkend uiterlijk om verward te kunnen worden met de kleine watersalamander.

Levenswijze thumb|Tijdens de landfase zijn de dieren nachtactief.

De kleine watersalamander is een van de meest op het land aangepaste soorten salamanders in Europa, er zijn twee stadia die zich jaarlijks afwisselen: de landfase in de winter, herfst en zomer en de waterfase in de lente tijdens de voortplantingstijd. De uiterlijke kenmerken zoals huidskleur en morfologie en permeabiliteit van de huid veranderen drastisch, zie het kopje kenmerken. Jonge salamanders die het larvestadium al achter de rug hebben maar nog niet geslachtsrijp zijn leven uitsluitend op het land.

Populaties in het zuiden van het verspreidingsgebied hebben een dusdanig korte winter- en zomerrust dat ze praktisch het hele jaar te vinden zijn. In westelijk Europa zoals in Nederland en België houdt de soort in de winter een winterslaap op het land en in de zomer komen de dieren ook het water uit om op het land te gaan jagen. Ze zijn dan nachtactief en komen overdag alleen bij vochtig weer tevoorschijn.