thumb|400px|Processie om een schaap te offeren aan de Charites (schilderij op hout, wijgeschenk, pinax uit Pitsa grot in Korinthe, ca. 540-530 v.Chr., Nationaal Archeologisch Museum van Athene).

De oud-Griekse godsdienst was "een religie zonder dogma's, zonder credo en bijna geen priesters, die bestond uit een verzameling culten, gebaseerd op mythes", La Religion grecque: dieux, cultes, rites et sentiment religieux dans la Grèce antique, Parijs, 1969, p. 9 (a). waar geloof aan werd gehecht. Om Édouard des Places verder te citeren: "Zij kent zo weinig eenheid dat men er beter in het meervoud over spreekt."

De oude Grieken deelden voor hun godsdienst wel dezelfde Griekse taal, ze kenden allen de Ilias en de Odysseia van Homerus, waarin de Olympische goden een grote rol spelen. Velen van hen gingen hen naar de religieus geïnspireerde Panhelleense spelen, of bezochten het Panhelleense orakel van Delphi. Door de culturele uitstraling van Athene in de Griekse wereld werden daarnaast veel culten van deze polis overgenomen door andere poleis. Bovendien deelden de Grieken een reële devotie voor dezelfde goden.

De Grieken kenden zelf geen equivalent voor het woord 'godsdienst'. Zij spraken van "eer bewijzen aan de goden" ( / theôn timai).Zie , L'expression du sacré dans la religion grecque, in (éd.), L'expression du sacré dans les grandes religions, III, Louvain-la-Neuve, 1986, pp. 109–256; , Notions fondamentales de la pensée religieuse et actes constitutifs du culte dans la Grèce classique, Parijs, 20002, Het Griekse woord voor 'god' is theos (); in tegenstelling tot het Latijnse deus is het niet afgeleid van het Indo-Europese *deiwos., Greek religion: archaic and classical, Malden - Oxford - Carlton, 1985, p. 271.

Primaire aspecten van de oud-Griekse godsdienst Er zijn twee belangrijke aspecten van de oud-Griekse godsdienst die men moet beschouwen alvorens dieper te kunnen ingaan op deze godsdienst(en).

Godsdienst is geen mythologie Men houdt er doorgaans te weinig rekening mee dat men mythologie en godsdienst van elkaar moet onderscheiden. Mythen zijn diepzinnige verhalen waarin een volk vorm geeft aan zijn (pre-wetenschappelijke) opvattingen over de godenwereld, over ontstaan en oudste geschiedenis van de wereld en over de zin van het menselijke bestaan. Voor verhalen over gebeurtenissen uit de heldentijd, die overigens dikwijls met de mythen nauw verwant zijn, kan beter de naam "sage" worden gebruikt.

De oorsprong van de meeste Griekse mythen moet gezocht worden in heilige verhalen die van oudsher over de verschillende goden in omloop waren en vooral op de cultusplaatsen werden verteld. Uit deze verhalen ontstonden reeds in Myceense periode mythen en mythencycli, door opvulling van lacunes en door contaminatie.

De grootste rol hebben bij dit proces de epische dichters gespeeld; hun systematiek is in grote lijnen gangbaar gebleven tot het einde van de oudheid. Door deze poëtisering zijn de Griekse mythen weliswaar min of meer losgeraakt van de oorspronkelijke religieuze ervaringen, maar daaraan hebben ze tevens hun onsterfelijkheid en hun invloed tot op de huidige dag te danken.

Reeds sinds de 6e eeuw v.Chr. poogden de Grieken hun mythen - die sinds geruime tijd niet meer aan eigentijdse religieuze opvattingen beantwoordden - ook als symbool of allegorie te verklaren.

Een eerste verklaring die door sommigen geuit werd, was dat de goden niets anders waren dan gepersonifieerde natuurkrachten. Een tweede poging tot verklaring kwam van Euhemerus van Messene, die in zijn Hiera anagraphe ("Heilige kroniek") - ons in fragmenten overgeleverd bij Diodoros van Sicilië en Lactantius - vertelt over het eiland Panchaia waar in de tempel van Zeus een inscriptie stond met de namen van koningen uit het verleden en die van Zeus als eerste koning van het eiland. Hiermee trachtte hij aan te tonen dat mythen de min of meer vervormde verhalen over daden van grote koningen uit het verleden waren. Deze interpretatiewijze heet euhemerisme. Er waren er ook die meenden dat mythen enkel tot doel hadden als aition (: verklaring) te dienen voor bepaalde rites, waarvan men intussen al lang de oorspronkelijke betekenis was vergeten.

Het moderne onderzoek naar de oud-Griekse religie meent dat het waarschijnlijk om een mengeling ging en dat er een wisselwerking bestond tussen mythe en rite: een mythe kon ontstaan uit een rite, maar evengoed kon een rite ontstaan uit een mythe. De dagelijkse rituelen van de eredienst speelden zich voornamelijk af rond het brengen van offers op een altaar waarop vuur brandde. Dat vuur moest vooral zuiver blijven en werd daarom met eerbied en ontzag behandeld, zowel thuis als in de tempels waar dag en nacht het ‘heilige stadsvuur’ brandde.

Terminologie

De terminologie die men gebruikte binnen de oud-Griekse godsdienst laat ons toe een blik te werpen op de gedachtewereld van de gelovigen.

Een eerste belangrijk element zijn de vier verschillende termen die men kende in het Grieks om iets uit te drukken dat ons woord "heilig" benadert: / hierós (een begrip dat reeds in de Myceense tijd werd gebruikt en enkel gebruikt kon worden bij zaken (af en toe bij personen) die in nauwe verbinding stonden met een godheid of heiligdom), / hósios (dat altijd in contrast met hierós moet gezien worden kan (1) vroom, heilig of (2) gedesacraliseerd betekenen), / hágios (zeldzaam in de oudheid zelf en afgeleid van het werkwoord / házomai (eerbiedige vrees hebben tegenover iets/iemand), heeft slechts betrekking op zaken die in verband staan met het goddelijke en aldus onbereikbaar of transcendent zijn) en / hagnós (vaker gebruikt dan hágios in de oudheid en ook afgeleid van hetzelfde werkwoord, wijst op de zuiverheid van zowel zaken als personen, of het nu goden of mensen waren). Uit al deze termen kunnen we afleiden dat voor de Grieken de onaantastbaarheid en zuiverheid van heilige zaken of personen belangrijk was. Men kan in dit verband ook de asylia (onschendbaarheid) van heiligdommen beschouwen.

Het belang van angst, vrees of schroom in de oud-Griekse religie blijkt uit de verscheidene termen met / seb (gevaar, angst, veneratie) in: zo kent men de woorden / sébomai (vereren), / sébas (ontzag, eerbied, schaamte), / semnós (vereerd), / eusébeia (eerbiedigheid, piëteit; vroomheid), / theosébeia (godsvrucht) en / asébeia (oneerbiedigheid, goddeloosheid). Ook de term / aidôs (angst voor, schroom en eerbied tegenover de goden) werd vaak gebruikt.

Sinds Hesiodos maakte men in de oud-Griekse theologie ook een onderscheid in goddelijke wezens die men aanduidde als protogenoi (letterlijk de eerst geborenen, de eerste goden die over de wereld heersten), theoi (wat wij meestal vertalen met goden, d.i. een macht die de grenzen van het menselijke overstijgt; hier behoren ook de Titanen toe), daimonen (mindere goden, die meestal een chtonisch en theriomorf karakter hebben en waartoe ook de nymphai behoren), herôes of heroën (dit zijn de legendarische helden of halfgoden) en Theres (dieren en monsters, zoals Giganten, draken en centauren).

Oorsprong van de oud-Griekse godsdienst De oorsprong van de oud-Griekse godsdienst is nog behoorlijk omstreden, maar twee belangrijke opvattingen springen toch in het oog: de tweeledige opvatting van , Der allwissende Gott. Zur Geschichte der Gottesidee, Frankfurt, 1960. en de vijfledige opvatting van ., La Religion grecque à l'époque archaïque et classique, in (ed.), Histoire des religions, I, Parijs, 1970, pp. 489–503.

Tweeledige opvatting Deze opvatting gaat ervan uit dat de oud-Griekse godsdienst uit twee componenten bestaat: een agrarisch matriarchale en een Indo-Europese patriarchale component. De eerste component, de agrarische, komt zelden tot uiting in de bronnen (bijvoorbeeld thesmophoriaHerodotus, Historiae II 171.). Deze component zou de nadruk leggen op het mysterie van het leven, vruchtbaarheid en de dood. Toen de pre-Helleense bevolking door de Doriërs werd verdreven naar de minder vruchtbare gebieden, bleef ze haar godsdienst voortzetten.

De tweeledigheid wordt door Pettazzoni gebruikt ter verklaring van de duistere en orgiastische fenomenen, het idee van vruchtbaarheid en de ziel als goddelijk element in de mens, de tegenstelling tussen het Elyseion en de Hades, tussen het noodlot (moira) en de almachtige wil van de goden, de verschillende visies op het ontstaan van de mens (uit water en klei, uit stenen enzovoorts) en de nederige functie van Hermes en Hephaistos.

Het is echter moeilijk deze componenten aan te tonen, wat de theorie omstreden maakt.

Vijfledige opvatting In deze opvatting worden vijf componenten onderscheiden: "fonds indigène"; Minoïsche component; Oosterse component; Thraco-Phrygische component; Indo-Europese component. De "fonds indigène" zou de lokale goden (Titanen), vegetatiegodinnen (Pandrosos, Herse, Aglauros, Damia, Auxesia, Helena, Callisto, Alea en Potnia (?)), enkele mannelijke goden (Hyakinthos [de uitgang -inthos wijst op een pre-Helleense oorsprong], Pan, Hermes), berg- (Helicon, Atlas) en stroomgoden (Achelous, Inachus, Alphaeus) alsook bronnimfen (mogelijk ook Nereus) hebben geleverd voor de oud-Griekse godsdienst.

De Minoïsche inbreng zou de verering in grotten op bergtoppen geweest zijn, zoals Apollon Aktros in Anactoriona aan de Ambracische golf en Zeus verering op de bergtoppen van de Ida en Hymettus. Maar ook sommige elementen van de Demetercultus (zie Potnia Theron) en de associatie van bepaalde vogels aan godinnen zijn afkomstig uit deze Minoïsche inbreng.

De oosterse invloed is duidelijk merkbaar in de oosterse oorsprong van Apollon, Artemis, Aphrodite en Hephaistos. Het zou vooral om organisch gegroeide elementen gaan.

De Thraco-Phrygische invloed daarentegen zou het wilde, orgiastische karakter aan de oud-Griekse godsdienst verleend hebben met goden zoals Ares en Dionysos, maar ook met een heros als Orpheus. Vele mysteriecultussen komen ook uit deze streek.

Tot slot is er nog de Indo-Europese component, waartoe men Zeus en Poseidon rekent. Deze component zou er ook voor hebben gezorgd dat de goden een bepaalde functie kregen en deze een menselijke activiteit of bepaalde klasse beschermden. Dankzij deze invloedssfeer zou er ook een geleidelijke scheiding ontstaan tussen het profane en sacrale door de goden op de Olympos te plaatsen, waardoor men de goden makkelijker kan plaatsen en het contact met de goden hierdoor wordt vergemakkelijkt.

Geschiedenis Prehistorie In de loop van het 2e millennium v.Chr. vond in "Griekenland" een versmelting plaats van de pre-Helleense godsdiensten met de godsdienst die de Indo-Europese voorvaderen der Grieken uit het noorden meebrachten.

Oudheid Reeds vroeg moet een proces van assimilatie van de honderden in "Griekenland" vereerde lokale godheden op gang zijn gekomen, waarbij de machtigere, meer verbreide godenfiguren vele kleinere absorbeerden. Getuigen daarvan zijn de talloze bijnamen die de grote goden ook in latere tijd nog droegen, en waarvan de Grieken zelf de betekenis dikwijls niet of nauwelijks meer wisten.

Op deze basis bouwden de oude dichters (bijv. Homerus en Hesiodus), naar het model van de aristocratische samenleving van hun tijd, hun overzichtelijk geordende antropomorfe godenwereld, die niet alleen het literaire beeld en de artistieke vormgeving van de goden voor de gehele verdere oudheid bepaald heeft, maar ook de religieuze opvattingen van de grote stadstaten diepgaand beïnvloedde.

Archaïsche periode In de archaïsche periode (7e/6e eeuw v.Chr.) schreed de "panhellenisering" voort o.i.v. de kolonisatiebeweging, de organisatie van de grote panhelleense feesten en het groeiende aanzien van de grote orakelplaatsen. Tegelijkertijd werden binnen het staatsbestel van de polis de verschillende plaatselijke erediensten strakker georganiseerd.

Klassieke periode