thumb|Lezing door Piet Stinissen (UHasselt) over multiple sclerose - Universiteit van Vlaanderen Multiple sclerose of multipele sclerose (MS) is een aandoening van het centrale zenuwstelsel en waarschijnlijk een auto-immuunaandoening.International Multiple Sclerosis Genetics Consortium, Wellcome Trust Case Control Consortium 2, Sawcer S, et al. Genetic risk and a primary role for cell-mediated immune mechanisms in multiple sclerosis. (2011) Nature 476:214-219. . Besproken in Kate Kelland - Scientists unravel genetic clues to multiple sclerosis, Multiple sclerosis genetic clues found, CBC News, 11 augustus 2011 & MS toch auto-immuunziekte. Healthylives.nl 11 Augustus 2011
De ziekte wordt getypeerd door de aantasting van de myelineschede van de zenuwvezels door afweercellen van het immuunsysteem in een willekeurig aandoend patroon. De myelineschede is een isolerende laag rondom de zenuwuitlopers, meer bepaald de axonen. Door de aantasting van de isolerende laag raakt de impulsgeleiding van de zenuw verstoord, waardoor bij de patiënt neurologische stoornissen zoals krachtvermindering kunnen ontstaan. De aantasting van de myeline wordt demyelinisatie genoemd.
Prevalentie thumb|DALY voor MS per 100.000 inwoners in 2004 Wereldwijd is de prevalentie van MS over het algemeen tussen 2 en 150 per 100.000 inwoners. De aandoening komt in het ene land meer voor dan bij het andere, en bij de ene bevolkingsgroep meer dan bij de andere. Volgens een schatting door MS Atlas, een gezamenlijk project van de Internationale MS-federatie (MSIF) en de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation; WHO) uit 2013, is in de Benelux de prevalentie 1 op 1000. Na 2013 zijn deze schattingen door de MS Atlas niet meer bijgewerkt, maar uit andere registraties (door huisartsen in zorgdatabank Nivel en de hersenstichting) en steekproeven lijkt in 2020 dat het aantal in Nederland rond de 1 op 500 ligt. Deze schatting ligt volgens het onderzoek meer in lijn met het voorkomen van de aandoening in omliggende landen. Op Curaçao zijn ongeveer 40 mensen met MS: op een bevolking van circa 160.000 (stand 2015) is het daarmee een zeldzame ziekte.
MS komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen, gemiddeld in de verhouding 3:1.
De aandoening openbaart zich vaak op jongvolwassenen tot volwassen leeftijd, maar ook mensen jonger dan 25 of ouder dan 80 kunnen de diagnose krijgen.
Beschrijving van de aandoening Multiple sclerose is waarschijnlijk een auto-immuunaandoening, dat wil zeggen dat het immuunsysteem het eigen weefsel beschadigt, in dit geval het myeline en de axonen van het centraal zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg). Er is nog veel onbekend over het precieze mechanisme. Vast staat dat macrofagen het myeline beschadigen, dat er in de loop der tijd verval optreedt van de oligodendrocyten (myeline producerende cellen) en van axonen. Tijdens een aanval van MS (meestal schub of relapse genoemd) bij de relapsing-remitting variant treedt er een invasie op van lymfocyten in het brein vanuit kleine bloedvaten, vaak venulen. Er komt cytokineproductie op gang, geactiveerde microglia (astrocyten) presenteert een nog onbekend antigeen, er volgt nog meer cytokineproductie en uiteindelijk vorming van macrofagen die het myeline beschadigen. In welk stadium axonenverlies optreedt wordt onderzocht, waarschijnlijk treedt dit al vrij vroeg op.
Beloop en beloopsvormen Het beloop van de ziekte kan sterk variëren: over een toekomstig beloop zijn enkel statistische uitspraken te doen die voor een individuele patiënt zeer weinig voorspellende waarde hebben. De levensverwachting is door het chronische beloop echter maar weinig verkort in vergelijking met mensen zonder MS.Brønnum-Hansen H, Stenager E, Hansen T, et al. Survival and mortality rates among Danes with MS. (2006) Int MS J 13(2):66-71. . Een aanzienlijk percentage van de patiënten is ook na twintig jaar nog niet rolstoelafhankelijk; anderen zijn na vijf jaar geheel op hulp van anderen aangewezen.
In 1996 heeft de United States National Multiple Sclerosis Society samen met de eveneens in de Verenigde Staten gevestigde Multiple Sclerosis International Federation een standaard ontwikkeld, waarin vier beloopsvormen algemeen beschreven worden. De standaard werd voor het laatst herzien in 2013. clinically isolated syndrome (CIS) relapsing remitting (RR) secundair progressief (SP) primair progressief (PP)
Daarnaast wordt soms milde ('benigne') MS genoemd. Dit is echter geen beloopsvorm maar een kenmerking van de heftigheid waarmee de aandoening zich uit.
Er is een tijd sprake geweest van een "progressive relapsing" (PR) variant: deze is in het 2013 model buiten beschouwing gelaten omdat men tijdens de herziening concludeerde dat deze personen in eerste instantie waarschijnlijk een verkeerde variant als diagnose kregen.
Veelvoorkomende symptomen thumb|Een enkel-voetorthese kan ondersteuning bieden bij loopklachten zoals een klapvoet. De symptomen verschillen per persoon en vrijwel geen enkele patiënt heeft last van alle verschijnselen. Alle symptomen zijn uitingen van neurologische uitval die ook door andere oorzaken kunnen optreden; de diagnose kan dan ook meestal niet gesteld worden door de aanwezigheid van deze symptomen, maar door het typische beloop, waarbij nu eens hier, dan eens daar een probleem ontstaat, en waarbij ook vaak herstel van de klachten kan optreden.
Bekende symptomen van MS zijn: Stijve spieren en spierzwakte: Tremoren (stuurloosheid van beweging) Spasmes Intentietremor: geen trilling in de hand bij rust, maar als er actie wordt ondernomen Hyperreflexie gedeeltelijke of volledige uitval van spierkracht, bijvoorbeeld in ledematen of de romp Ataxie (coördinatiestoornis) Balansproblemen Incontinentie: blaasatonie Urge-incontinentie overactieve blaas Constipatie Spraakproblemen, waaronder: dysartrie - onvermogen tot correcte uitspraak door stoornis in de articulatie parafasie - verwisseling van woorden, onvolledige vorm van afasie agnosie - niet kunnen herkennen van voorwerpen Oogklachten: ontsteking van de oogzenuw uitval van een deel van het gezichtsveld (scotoom) stoornis in kleur zien, pijn bij oogbewegingen, bleekheid van pupilOogzenuw atrofie stoornissen in uitwendige oogmotoriek (dubbelzien, internucleaire oftalmoplegie, nystagmus) Slikproblematiek Gehoorproblematiek Gevoelsstoornissen en neuralgie: sensibele stoornissen, bijvoorbeeld problemen met de positiezin of trigeminusneuralgie (pijn van de aangezichtszenuw(en)) paresthesieën (tintelingen), branderig gevoel, jeuk over het lichaam Fenomeen van Uhthoff in het algemeen meer gnostische (gevoel) dan vitale (warm/koud, scherp/stompgevoel) uitval Symptoom van Lhermitte MS hug Seksuele problemen, zoals een verminderde gevoelsbeleving Stoornissen in de cognitie: problemen in de sensorische integratie geheugenstoornissen persoonlijkheidsveranderingen stemmingsstoornissen (euforie en depressie) stoornissen van abstractievermogen (uit alternatieven de juiste keuze maken) en begripsvorming Vermoeidheid: duizeligheidsaanvallen en misselijkheid
Diagnose thumb|Een open MRI-scan thumb|Op de MRI beelden wordt het verschijnen en verdwijnen van de laesies van MS zichtbaar. De diagnose van MS is in veel gevallen moeilijk te stellen. Sinds 2001 wordt er voor het stellen van een diagnose gewerkt volgens de McDonaldcriteria.Diagnostic criteria for multiple sclerosis: 2010 revisions to the McDonald criteria. (2011) Ann Neurol . Hierbij wordt gekeken naar het patroon van de klachten: deze dienen zich in minstens twee episoden te hebben voorgedaan (relapsing-remitting) of moeten gedurende minstens een half jaar progressief zijn geweest. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van een MRI-scan en soms ook van een lumbale punctie waarbij hersenvocht ('liquor') afgenomen wordt. Het tijdens de lumbaalpunctie afgenomen hersenvocht wordt onderzocht op aanwezigheid van de voor MS typische oligoclonale banden (oligoclonale IgG).
De MRI is het belangrijkste aanvullend onderzoek: naast de klachten en klinische verschijnselen om dissociatie in plaats en tijd aan te tonen, kijkt men met het MRI resultaat naar de plaatsen van de hersenschade die de klachten mogelijk veroorzaken. Bij 95% van de patiënten kunnen meerdere laesies (afwijkende plekken) worden aangetoond, meestal rond de ventrikels (periventriculair) en in het corpus callosum, die worden beschouwd als zogenaamde 'MS-specifieke locaties'.Miller DH, Filippi M, Fazekas F, et al. Role of magnetic resonance imaging within diagnostic criteria for multiple sclerosis. (2004) Ann Neurol 56(2):273-278. . Ook laesies in de hersenstam, de kleine hersenen en het ruggenmerg kunnen goed worden aangetoond. De sensitiviteit voor het aantonen van laesies in de nervus opticus (oogzenuw) is duidelijk lager. Door het intraveneus toegediende contrastmiddel gadolinium kan eventueel een onderscheid gemaakt worden tussen recent ontstane, actieve laesies en oude, inactieve laesies. Ter plaatse van zich nieuw ontwikkelende laesies blijkt namelijk de bloed-hersenbarrière verbroken te zijn, hetgeen leidt tot een aankleuring door het contrastmiddel ter plekke. Waarschijnlijk treedt MS ook subklinisch 5 tot 10 keer zo vaak op als klinisch waarneembare ziekte-activiteit.Siva A. The spectrum of multiple sclerosis and treatment decisions. (2006) Clin Neurol Neurosurg 108:333-338. .
Het al dan niet optreden van klinische verschijnselen (de klachten en verschijnselen die de patiënt zelf ervaart), wordt voornamelijk bepaald door de plaats en het volume van de laesies. Bij niet-typische MRI-afwijkingen kan liquordiagnostiek een rol spelen; dit wordt ook altijd aanbevolen bij een primair progressief ziekteverloop. Onderzoek van de hersenvocht toont bij ongeveer 90% van de MS-patiënten afwijkingen. Het aantal cellen in de liquor is licht verhoogd, met name lymfocyten en plasmacellen. Tevens is het IgG verhoogd; door vergelijking met de in een gelijktijdige bloedafname verkregen serum- en liquoralbumine en de serum- en liquor-IgG, kan een index berekend worden als maat voor het binnen het centrale zenuwstelsel aangemaakt IgG. Deze index is bij MS verhoogd: men spreekt dan van meer oligoclonale banden.
Voor de komst van de MRI-scan in de jaren 1990 werd veel gebruikgemaakt van geëvoceerde potentialen. Vooral met de visuele vorm hiervan kunnen veel subklinische laesies, in dit geval van de oogzenuw, worden aangetoond. Bij ongeveer 90% van de patiënten kan zo een stoornis in de impulsgeleiding worden aangetoond.
Belangrijk voor de diagnose is dat de klachten en afwijkingen niet door een andere oorzaak kunnen worden verklaard: aanvullend onderzoek voor het uitsluiten van andere oorzaken is van belang. Zenuwontstekingen door vitaminegebrek (m.n. B12), infecties zoals ziekte van Lyme en de vrij onbekende conversiestoornis moeten als oorzaak worden uitgesloten.
Pathofysiologie In de eerste fase van de ziekte zijn de klinische verschijnselen het gevolg van gehele of gedeeltelijke blokkade van de impulsgeleiding door demyelinisatie ter plaatse van de laesies. In latere fasen worden de klinische verschijnselen ook voor een groot deel veroorzaakt door het optreden van axonale beschadiging en hersenatrofie (hersenkrimp). De ziekte wordt gekarakteriseerd door het optreden van verschijnselen die enerzijds berusten op de aandoening van meerdere, van elkaar gescheiden locaties in het centrale zenuwstelsel (multipel in plaats), en anderzijds door plotselinge verslechteringen (relapses) gevolgd door spontane verbeteringen, dan wel door geleidelijke voortgang (progressie) (multipel in tijd).