De Belgische adel is een groep van zo'n 1200 adellijke families (2015) in België, tezamen goed voor een 32.500 leden.

Afschaffing en herstel van de adel In 1794 werden de Zuidelijke Nederlanden voor een periode van bijna twintig jaar ingelijfd in de Franse republiek, vervolgens keizerrijk. De Franse wetten werden stilaan toepasselijk op de ingelijfde provincies. Zo werd, bij decreet van 1 oktober 1795, waarbij de Zuidelijke Nederlanden in Frankrijk werden ingelijfd, de Franse wet van toepassing waarbij de adel werd afgeschaft.

Tussen 1808 en 1814 werd een zeventigtal Zuid-Nederlanders in de empireadel benoemd. Het ging in veel gevallen om leden van de ancien-régimeadel. Napoleon richtte geen nieuwe erfelijke adelstand op, maar verleende alleen maar titels die in de meeste gevallen persoonlijk waren, zonder erfelijkheid.

Zodra Willem I in 1814 verantwoordelijkheid kreeg over Noord- en Zuid-Nederland, en zeker vanaf de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 herstelde hij de adel. De werkwijze hiervoor werd grotendeels overgenomen van de regels die golden onder het ancien régime, met nochtans één essentiële wijziging: het verkrijgen van de adelstand ging niet meer gepaard met eender welk voorrecht. Talrijke persoonlijke erkenningen en heropnamen in de erfelijke adel werden bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. Het ging vaak om meer dan één lid van een bepaalde familie.

De heropname in de adelstand werd voor wat betreft de Zuidelijke Nederlanden toegekend met de volgende aantallen tussen 1814 en 1830: 1814: 4 1815: 4 1816: 445 1817: 68 1818: 10 1819: 5 1820: 14 1821: 13 1822: 214 1823: 97 1824: 40 1825: 18 1826: 32 1827: 28 1828: 27 1829: 24 1830: 10

In dit getal betrof de overgrote meerderheid het herstellen van vroegere adel. Slechts in een twintigtal gevallen (hoogstens 2%) ging het om verheffingen van burgers. In totaal werden over de betroffen periode meer dan 1000 erkenningen in de adel beslist.

Het is opvallend dat de erkenningen vooral in 1816-1817 plaatsvonden. Vele vroegere edellieden grepen de kans aan om opnieuw adellijke status te verwerven. In de meeste gevallen kregen ze de titels terug die ze destijds hadden gedragen.

De tweede grote erkenningsronde gebeurde in 1822-1823. Het is namelijk zo dat heel wat adellijke families in 1816-1817 geweigerd hadden een adelserkenning aan te vragen of zelfs te ontvangen uit handen van een koning die ze, om politieke of vooral om godsdienstige redenen, niet als de hunne beschouwden. Hierin kwam wijziging nadat Willem I het door Lodewijk Napoleon ingestelde Departement voor de Eredienst splitste in een afdeling voor het protestantse noorden en het katholieke zuidenStaat- en natievorming 1780-1814. Gearchiveerd op 17 april 2019., een maatregel die hij vervolgens in 1827 weer terugdraaide in zijn streven net als de Britse vorsten hoofd van een staatskerk te worden.

Heel wat van die toen opnieuw door Willem I in de adel bevestigde adel is in de loop van de voorbije tweehonderd jaar uitgedoofd. Om die reden zijn er in de Belgische adel nog slechts 356 families die hun stamboom tot onder het ancien régime kunnen doen opklimmen.

Samenstelling van de Belgische adel anno 2015 De Belgische adel bestaat in 2015 uit 1197 families, met 32.506 leden. De wettelijk erkende adellijke titels zijn, van laag naar hoog: jonkheer/écuyer, ridder, baron, burggraaf, graaf, markies, hertog, prins.

Het aantal titels dat door deze families gedragen wordt, is: prins: 8 hertog: 6 markies: 8 graaf: 85 burggraaf: 35 baron: 455 ridder: 158 jonkheer: 377

De oorsprong van deze adel situeert zich voor de 1197 families als volgt: adel uit het ancien régime (herbevestigd onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden: 356 (29,8 %) onder Napoleon I: 6 (0,5 %) onder keizer Frans I: 1 (0,1 %) onder Lodewijk XVIII: 1 (0,1 %) onder Willem I: 19 (1,6 %) onder Leopold I: 50 (4,2 %) onder Leopold II: 92 (7,7 %) onder Albert I: 109 (9,0 %) onder Leopold III: 29 (2,4 %) onder prins Karel: 5 (0,4 %) onder Boudewijn: 269 (22,5 %) onder Albert II: 210 (17,6 %) onder Filip: 49 (4,1 %)

Opname in de adel Er zijn vier manieren, andere dan door geboorte, om tot de Belgische adelstand toe te treden: een vroegere adellijke status binnen de familie (Belgische dan wel buitenlandse) laten erkennen (adelserkenning); een inlijving als lid van de buitenlandse adel (incorporatie/inlijving);De vraag is of inlijving de facto niet is opgehouden te bestaan. Eric Cusas, Le statut de la noblesse en France et en Belgique, 2002, suggereert dat de procdure van inlijving sinds het Koninklijk Besluit van 31 januari 1978 is vervangen door die van erkenning van buitenlandse adel (zie aldaar, p. 217). Het betekent echter wel dat het om een erkenning als lid van de Belgische adel gaat. een verheffing wegens verdiensten: het bij beslissing door de uitvoerende macht (koning en regering) geadeld worden (concessie/verheffing); een rehabilitatie komt hoogstzelden voor, en werd onder andere toegepast in het geval van de broers Breydel de Groeninghe.

De edellieden die tot de Belgische adel behoren hebben hun adellijke status en titel uit verschillende bronnen ontvangen. De oudste adel heeft zijn wortels in het ancien régime en vroegere perioden. De titels werden verleend door ofwel de koning van Frankrijk of de keizer van het Heilige Roomse Rijk, al naargelang waar het met de adelstitel verbonden territorium gelegen was. Later was dit door de koning van Spanje toen de Zuidelijke Nederlanden de Habsburgers als vorsten hadden en vervolgens in de Oostenrijkse Nederlanden door de Habsburgse keizer.

De adellijke oorsprong van slechts een 350-tal families klimt op tot onder het ancien régime, hetzij iets minder dan 30 % van het totaal.

Alle titels dienden tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden te worden herbevestigd. Sommige families deden dit niet, hetzij om principiële redenen, hetzij omdat ze door de revolutiejaren arm waren geworden. Een aantal onder hen liet zich later erkennen onder het Koninkrijk België.

Het grootste deel van de huidige adel (70%) betreft nieuwe adellijke gunsten en titels verleend onder het Belgisch koninkrijk. Zo vonden tijdens het koningschap van Boudewijn 242 verheffingen plaats en 27 inlijvingen al dan niet gekoppeld aan het verlenen van titels, terwijl aan 217 adellijke personen een hogere titel werd verleend.M. Van Damme, p. 38-39.

In tegenstelling tot de adellijke status zelf, worden titels steeds minder vaak erfelijk verleend, alhoewel dit toch nog voorkomt. Ter gelegenheid van het huwelijk van prins Filip met jonkvrouw Mathilde d'Udekem d'Acoz, werden haar vader, diens twee broers en al hun afstammelingen met de titel graaf of gravin vereerd. Voormalig eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken Pierre graaf Harmel kreeg het voorrecht van de overdraagbare titel voor al zijn rechtstreekse mannelijke en vrouwelijke afstammelingen die de naam Harmel dragen. Andere voorbeelden hiervan vindt men bij de bankiers-industriëlen Maurice Lippens en Georges Jacobs. In de meeste gevallen, als er al erfelijkheid van de titel wordt toegekend, is dit meestal door overdracht bij eerstgeboorte. Oud-premier Gaston Eyskens kreeg aldus de titel van burggraaf met erfelijke overdracht op de eerstgeborene.

Meer en meer worden ook vrouwen in de adelstand opgenomen, ongeacht of ze gehuwd zijn. Aan hen worden de titels barones, burggravin of gravin toegekend. Er is geen vrouwelijk equivalent van de riddertitel. Deze verheffingen zijn uiteraard steeds ten persoonlijke titel, zonder erfelijkheid.

Uitsterven Sommige oude titels worden volgens recht enkel wettelijk gedragen door het mannelijk hoofd van de familie. Als deze geen mannelijke erfgenamen kon voortbrengen, dan stierf deze familie uit. Een bekende familie die dreigt uit te sterven is de familie Beaufort-Spontin. Slechts zelden kiezen edelen ervoor om een jongen te adopteren zodat de titel blijft voortbestaan. Tot de uitgestorven huizen behoren de oude huizen Borluut en Baillet-Latour.

Erkenning of inlijving Daarnaast worden personen uit sommige buitenlandse geslachten in de Belgische adel erkend, met behoud van hun familietitels. Hiervoor moeten leden van het geslacht een verzoekschrift aan de koning richten met hun stamboom en bewijsvoering. Het gaat dus niet om erkenning van 'een geslacht' maar om individuele erkenningen. De aanvragen worden bestudeerd door de Raad van Adel en desgevallend bij Koninklijk Besluit aanvaard.

Als het om burgers gaat die bij de geboorte de Belgische nationaliteit hebben verworven wordt hen erkenning verleend. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in 2007 voor twee leden van het Pools prinselijk huis Swiatopelk-Czetwertynski. Anderen, die de Belgische nationaliteit pas later hebben verworven, kunnen de inlijving in de Belgische adel bekomen, zoals in 1958 gebeurd is voor de Boheemse prins Ladislas de Lobkowicz (1925-1985), in 1978 voor aartshertog Rodolphe de Habsbourg Lorraine en in 1983 voor zijn broer, aartshertog Carl-Christian de Habsbourg Lorraine. Allen zijn voorafgaandelijk tot Belg genaturaliseerd (hebben desgevallend bij hun meerderjarigheid voor de Belgische nationaliteit geopteerd als zonen van een Belgische moeder) en hebben in dit land een carrière opgebouwd.

De procedure van verheffing thumb|Burggraaf Frank De Winne, een Belgisch kosmonaut, die door de koning in de adelstand verheven werd In België kan men wegens verdienste in de adelstand worden opgenomen en een adellijke titel verwerven. Dit is een regaal voorrecht, wat niet betekent dat de vorst hierin persoonlijk kan beslissen. 'De Koning' betekent in deze, zoals steeds, 'de uitvoerende macht'. Aan de toekomstige begunstigde zelf wordt om voorafgaande aanvaarding gevraagd.

In tegenstelling tot een nogal verspreid idee is het niet de koning als persoon die tot opname in de adelstand beslist, maar 'de koning' als uitvoerende macht, wat in eerste instantie de regering betekent. De minister van buitenlandse zaken is traditioneel hiermee belast en alle voorstellen moeten door hem worden goedgekeurd en ondertekend, alvorens ook aan de handtekening van de koning te worden voorgelegd en als Koninklijk Besluit te worden uitgevaardigd. Dit geldt eveneens voor de voorstellen die kunnen toegevoegd worden aan die van de Adviesraad, hetzij door de minister zelf, hetzij door het koninklijk paleis.

Gelet op het voorgaande is het onvermijdelijk dat geen beslissingen dienaangaande worden genomen door ontslagnemende regeringen. Dit is tot uiting gekomen tijdens de lange periode van regering 'in lopende zaken' in 2010 en 2011 evenals 2019-2020 tijdens dewelke geen adellijke gunsten werden verleend. Het is vanuit onwetendheid ter zake dat in juli 2011 in krantenonder meer in De Standaard 21 juli 2001 en een tv-programmaVTM werd gesuggereerd dat dit een uiting van ongenoegen was vanwege de koning omwille van het uitblijven van een akkoord over een nieuwe regering. In juli 2012 werd de traditie van de adellijke gunsten weer opgenomen.

Het verlenen van een adellijke titel of de opname in de adel gebeurt volgens welbepaalde regels. In de schoot van het Ministerie van Buitenlandse Zaken fungeert een 'Adviescommissie voor de adellijke gunsten' die bestaat sinds het begin van de jaren negentienzeventig en is samengesteld uit een twaalftal onafhankelijke leden, de helft Franstalig, de helft Nederlandstalig, de helft edellieden, de helft niet-edelen, met nagenoeg één derde vrouwelijke leden. Het voorzitterschap wordt beurtelings aan een Franstalige en een Nederlandstalige opgedragen.

In zijn advies houdt de raad rekening met een billijke verdeling tussen de taalgemeenschappen, de filosofische overtuigingen, het geslacht, enz. Ook worden personen onderscheiden uit zeer verschillende beroepen en activiteiten (onderwijs, magistratuur, leger, kunst, caritatieve werken, ondernemingswereld, sport, enz.) om hiermee een ruimere erkenning te onderstrepen dan voor de persoon zelf.