Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Vlaanderen. Let op het verschil tussen het moderne Vlaanderen en het graafschap Vlaanderen. Zo besloeg het graafschap de huidige provincies West- en Oost-Vlaanderen, een stukje van Henegouwen en een stukje van Antwerpen (provincie), Frans-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen. Het huidige Vlaanderen, omvat als het Vlaams Gewest de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg en als Vlaamse Gemeenschap heeft het daarbij ook persoonsgebonden bevoegdheden in Brussel. Dit artikel behandelt de geschiedenis van het grondgebied van de huidige Belgische deelstaat Vlaanderen.

Oudheid thumb|Verdeling van Gallië tijdens de verovering door Julius Caesar rond 54 v.Chr. In de Romeinse tijd was het gebied gelegen in de Romeinse provincies Belgica en Germania Inferior en bewoond door de Belgae, die zowel van Keltische als Germaanse oorsprong waren. Aan het einde van de Romeinse periode werden ze veroverd door de Germaanse Franken bij de Volksverhuizing in de Lage Landen.

De naam Vlaanderen dook voor het eerst op in 358, toen de Franken het Vlaanderengouw of pagus Flandrensis van de Romeinen onder hun beheer kregen. Het gebied strekte zich uit over Brugge tussen de IJzer en het Zwin en ontwikkelde zich in de loop van de eeuwen tot het belangrijke graafschap Vlaanderen.

Middeleeuwen

Wanneer het Frankische rijk gesplitst werd in 843 door het Verdrag van Verdun, kwam het westelijke deel van het huidige Vlaanderen, het latere Kroon-Vlaanderen, in West-Francië te liggen, terwijl de rest tot Midden-Francië behoorde. Dit Frankische middenrijk werd in 855 opnieuw gedeeld en het noordelijke deel werd het rijk van Lotharius II. Bij het Verdrag van Meerssen was er sprake van de Brabantgouw dat hierbij aan West-Francië werd overgedragen met Karel de Kale als koning. In 880 ging de Brabantgouw echter weer naar Oost-Francië door het Verdrag van Ribemont, tezamen met de rest van Lotharingen. Het centrale en oostelijke deel van het huidige Vlaanderen zou tot 1549 deel blijven uitmaken van het Oost-Frankische Rijk, dat in de tiende eeuw de naam Duitse Keizerrijk of Heilige Roomse Rijk zou krijgen.

het graafschap Vlaanderen, officieel deel van Frankrijk tot 1525, maar al van in het begin relatief zelfstandig ten opzichte van de Franse leenheer. het hertogdom Brabant, gegroeid uit het graafschap Leuven. het graafschap Loon, vanaf 1366 in bezit van de prinsbisschop van Luik.

Ten noorden van de Alpen was het graafschap Vlaanderen eeuwenlang een van de meest economisch- en cultureel ontwikkelde gebieden van Europa. Een hoog percentage van de inwoners leefde reeds in steden.

Graafschap Vlaanderen

miniatuur|Graafschap Vlaanderen. In 862 werd de uit Laon afkomstige Boudewijn I (bijgenaamd Boudewijn met de ijzeren arm) er de eerste gouwgraaf. De eerste expansie bereikte Boudewijn I door een huwelijk met Judith, de dochter van de West-Frankische koning Karel de Kale, waardoor hij zijn gedroomde zeggenschap kreeg over volgende gebieden: de pagus Gandensis (Gent), Wasiae (Waas), Tarvannensis (Terwaan) en Rodanensis (Rodenburg, nu Aardenburg).

Zijn zoon Boudewijn II de Kale vergrootte het bezit door grondverwerving maar ook door moord op tegenstanders, zoals de aartsbisschop van Reims en Herman van Vermandois. Hij voegde Kortrijk, Artesië, Bonen en Doornik aan de Pagus Flandrensis toe. Zo hadden de graven van Vlaanderen de pagi Flandrensis, Rodanensis, Gandensis, Curtracensis, Iserae, en Mempiscus onder de noemer van 'de Vlaanders' weten te verenigen. Het hele gebied werd door hen versterkt met nieuwe citadels en restauratie van oude Romeinse kampplaatsen.

Al vanaf het einde van de negende eeuw voer het graafschap een onafhankelijke koers tegenover zijn leenheer, de Franse koning. Dit resulteerde in verschillende conflicten. Naast Kroon-Vlaanderen was er echter ook Rijks-Vlaanderen, het deel van het graafschap Vlaanderen rond Aalst en Zeeland, deel van het Heilige Roomse Rijk in leen van de Duitse keizer.

Vlaanderen territoriale leider

Tussen ongeveer 925 en 1350 had in de Lage Landen een territorialisering van wereldlijke en geestelijke landsheerlijkheden uit die onoverzichtelijke lappendeken van kleine graafschappen plaats, hetgeen erop neerkwam dat een aantal feodale heren zijn gebied en gezag ten koste van dat van de buren wist uit te breiden. Deze ontwikkeling ging gepaard met de opkomst van grotere steden. Ook daarin nam Vlaanderen het voortouw.

Onder Arnulf II (962) verloor het graafschap nog aan macht, maar diens zoon Boudewijn IV maakte het verval ongedaan en ontwikkelde wolproductie op de kustschorren, een opmaat voor de latere bloei van de belangrijkste steden Brugge, Gent, Rijsel, Kortrijk en Ieper met voornamelijk handel in wol en laken.

Inmiddels was door huwelijken een stevige band ontstaan met het Franse hof en in 1051 ontstond een (tijdelijke) personele unie met het graafschap Henegouwen door de verbintenis van Boudewijn VI met gravin Richildis van Bergen. Ook de opvolgende graven hadden nauwe banden met Frankrijk, hetgeen zich ook uitte door deelname aan diverse kruistochten.

In 1119 werd Karel de Goede graaf van Vlaanderen, een Deense prins. Hij werd echter na acht jaar vermoord na een conflict met een adellijke familie in Brugge. Doordat hij kinderloos was, volgde er een opvolgingsstrijd die met steun van de Vlaamse steden beslecht werd in het voordeel van Diederik van de Elzas, die in ruil de steden invloed verleende op het feodale bestuur. Zijn zoon Filips bouwde de macht verder uit door verbindingen met het Franse hof, huwde zelf een Portugese prinses maar stierf kinderloos, waardoor het graafschap vererfde aan Boudewijn van Henegouwen. Na deze tweede personele unie ontstond onder Boudewijn IX een verwijdering van Frankrijk, dat aanspraak maakte op Vlaams bezit. De graaf werd in 1205 na een kruistocht vermist en zijn 6-jarige dochter Johanna kon de daaropvolgende vermindering van macht niet keren. Twee jaar later werd zij met haar zuster Margaretha overgebracht naar het Franse hof. Vlaanderen en Henegouwen waren daardoor feitelijk onderworpen aan de Franse koninklijke familie Capet. In 1212 werd dit bekrachtigd door het verdrag van Pont-à-Vendin, waarmee Vlaanderen formeel werd overgedragen aan Frankrijk.

De echtgenoot van Johanna, de Portugese prins Ferrand, verzette zich tegen het verdrag en kreeg daarbij steun van Engeland (Jan zonder Land) en het Heilige Roomse Rijk (keizer Otto IV). Dit leidde tot een Franse inval in 1213, waarbij onder meer de stad Damme werd geplunderd. Een jaar later versloegen de Fransen te Bouvines de te hulp gesnelde keizer Otto IV. Ferrand werd gevangengenomen en Vlaanderen werd een vazal van de Franse koning Filips August. Het geraakte meer en meer betrokken bij de Frans-Engelse tegenstellingen, werd afhankelijk van de Franse kroon en werd vanaf 1226 verplicht ongunstige verdragen met Frankrijk af te sluiten.

thumb|De Vlaamse Leeuw, zoals gevoerd in de hoge middeleeuwen. Pas in 1297 keerde de (Franstalige) graaf Gwijde van Dampierre zich tegen de Franse invloed in Vlaanderen en sloot een militair verbond met Engeland. In 1300 was het Franse geduld op en Filips de Schone liet Vlaanderen bezetten en annexeren met hulp van Fransgezinde stadsbesturen (leliaards). Graaf Gwijde werd gevangengezet, maar kon rekenen op steun van de liebaards: adel, ambachtslieden en boeren. Op 18 mei 1302 werden Franse soldaten en Fransgezinden te Brugge tijdens de Brugse Metten na een bloedige overval vermoord. Hierop volgde de Guldensporenslag op 11 juli 1302 (de huidige feestdag van de Vlaamse Gemeenschap). De Vlamingen, waaronder vooral boeren, werden geleid door Willem van Gulik, Gwijde van Namen, Phillipus Baelde, Pieter van Belle, en Jan III van Renesse. De 2000 Franse ridders werden geleid door Robert II van Artesië en gesteund door Godevaart van Brabant, met enkele edelen die hoopten om na de overwinning op de Vlamingen, met Franse steun de Hertog Jan II van Brabant van de troon te stoten. Dus het Hertogdom Brabant steunde feitelijk de Vlamingen en vocht zeker niet aan Franse zijde mee, zoals vaak gedacht wordt. De Fransen lieten zich in hun hoogmoedTuchmann B (2001) De Waanzinnige veertiende eeuw. De Arbeiderspers. pp 103, 113. Over hoe de Franse ruiterij het een oneer achtte om een overwinning aan het voetvolk te laten echter verrassen, onder andere door het moerassige terrein, en lieten bijna allen het leven. Hun teruggevonden 500 gouden sporen werden opgehangen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk.

Na de invasie van Zeeland in 1303 begonnen de Vlamingen nu ook een offensief in het zuiden. Bij Kassel werd een leger verzameld dat de grens overtrok en Sint-Omaars aanviel, waarbij de Fransen vluchtten. Het Vlaamse leger plunderde de streek rond Sint-Omaars en Terwaan en viel in augustus ook nog het land van Doornik binnen. In enkele maanden tijd waren zowel de Vlaamse noord- als zuid- en zuidwestgrens stevig beveiligd. In augustus begon Filips de Schone met de vorming van een nieuw leger, maar door muiterij vanwege achterstallige soldij kon hij niet in actie komen. In september kwam hij daarom een wapenstilstand overeen met de Vlamingen tot mei 1304, die later werd verlengd tot juni 1304. Dit bestand gaf de Fransen de kans om opnieuw een leger op te bouwen. Ook werd militaire steun verkregen van Engeland en Brabant, en politieke steun met de zegen van de paus.

Vlaanderen had zijn zelfstandigheid van vroeger herwonnen, maar werd bij de Slag bij Pevelenberg in 1304 tijdens de onderhandelingen tot zware toegevingen gedwongen nadat die slag onbeslist eindigde. De graaf van Vlaanderen bleef onafhankelijker dan de andere Franse leenmannen, maar de Franse koning verstevigde zijn gezag en de graaf boette een deel van oude verworvenheden in. Het is pas na de Honderdjarige Oorlog en de Bourgondische eenmaking dat Vlaanderen uit het Frans leenverband werd gelicht, wat een definitief beslag vond in 1548 met de Transactie van Augsburg.

In 1316 probeerde het Franse leger een nieuwe invasie, maar dit mislukte door slechte weersomstandigheden. De periode tussen 1314 en 1316 was namelijk uitzonderlijk nat en draaide uit in een zware hongersnood. Men spreekt zelfs van een modderleger omdat de Franse troepen door de modder hun materiaal moesten achterlaten.

In 1323 brak in de Vlaamse kuststreek verzet uit tegen buitensporige grafelijke belastingen. Dit was de Opstand van Kust-Vlaanderen. De Kerels van Vlaanderen onder bevel van Nicolaas Zannekin veroverden zelfs Nieuwpoort, Veurne, Kortrijk en Ieper. Pas 5 jaar later slaagde graaf Lodewijk van Nevers er met Franse steun in de opstand na de Slag bij Kassel bloedig te onderdrukken.

Door de steun van Lodewijk van Nevers aan Frankrijk in de Honderdjarige Oorlog tegen Engeland, raakte Vlaanderen in een economische crisis nadat de Britten in 1336 de aanvoer van wol en levensmiddelen staakten. Het leidde tot het stilvallen van de wol- en lakenindustrie en een daaropvolgende verpaupering. In Gent brak als reactie in december 1337 een opstand uit tegen de Fransgezinde graaf. Onder leiding van Jacob van Artevelde werd in Gent een revolutionair bewind gevestigd dat zich in de Frans-Engelse strijd neutraal verklaarde. De graaf vluchtte naar Frankrijk en de Vlaamse steden sloten een verbond met Engeland. De Engelse wolstapel keerde weliswaar terug, maar tegelijkertijd nam de invloed van Londen op het Vlaamse bestuur fors toe. Dat niet alle Vlamingen hier gerust op waren bleek bij de moord door Gentenaren op Jacob van Artevelde in 1345 bij diens terugkeer van een gesprek met de Engelse vorst Eduard III. De lynchpartij werd gevoed door geruchten over een mogelijke overdracht van het graafschap aan de prins van Wales.