Dit artikel bespreekt Italië in de Tweede Wereldoorlog.

Italië voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog thumb|Het Italiaanse gebied in 1940 In 1915 nam Italië, aan de zijde van de geallieerden, deel aan de Eerste Wereldoorlog. Dit leverde Italië bij de vredesverdragen van 1919 gebiedsuitbreiding op maar er heerste onvrede in het land. Honderdduizenden waren gesneuveld, de economie lag in puin, en er was een torenhoge staatsschuld. De Italianen vonden dat ze daarom onvoldoende beloond werden voor hun deelname. Een veelgehoorde leus was: 'We hebben de oorlog gewonnen maar de vrede verloren!' Italië trachtte aanspraken te doen gelden op Rijeka en zelfs op een deel van Turkije (hoewel ze dit avontuur uiteindelijk wegens toenemend Turks-nationalistisch verzet opgaven). Italië werd in 1922 overgenomen door de fascisten onder leiding van Benito Mussolini, die deze gedachte aanhingen en vertolkten.

De fascisten begonnen overal in het land minderheden zoals de Slovenen en Kroaten in Istrië en de Duitsers in Zuid-Tirol te italianiseren door ze de Italiaanse taal en gewoonten op te dringen. Mussolini verkondigde als eerste dat sommige gebieden die in historisch en soms ook taalkundig opzicht Italiaans waren, behoorden tot de Italiaanse staat. Zo maakte Italië aanspraak op Nice, Savoye en sommige delen van Joegoslavië. De Italiaanse bevolking werd overspoeld met propaganda over een Italiaans rijk dat het oude Romeinse Rijk moest evenaren in macht en glorie. Hier kwam bij dat Mussolini een koloniaal rijk ambieerde: de Italiaanse bezittingen in Afrika bevatten weinig waardevolle gebieden en zelfs kleine landen als Portugal, Nederland en België bezaten grotere en rijkere koloniale gebieden. Overigens was Mussolini aanvankelijk nog zeer terughoudend met zijn verlangens naar gebiedsuitbreiding.

Naar het oog van de buitenwereld wist Mussolini zich te presenteren als een schepper van orde uit de chaos. Een van zijn meest geslaagde (en onware) staaltjes van propaganda was de bewering dat hij de treinen op tijd zou hebben laten rijden. Hoewel zijn beleid niet altijd consequent was, nam de chaos op straat onder de brute dwang van de fascisten af. Ook wist hij een brug te slaan naar de Rooms-katholieke Kerk door zijn concordaat met de paus. Zodoende oogstte hij in Europa, met name onder het politiek conservatievere deel, een zekere bewondering. Mussolini wist zich te presenteren als een 'streng doch rechtvaardig' heerser die Italië wist te behoeden voor het communisme dat men na de revoluties van 1917 en 1918 als gevaarlijker en gewelddadiger beschouwde. Overal in Europa en daarbuiten werden fascistische partijen opgericht (ook de NSB was aanvankelijk eerder fascistisch dan nationaalsocialistisch). Leiders als Plaek Pibul Songkram en Juan Peron zagen Mussolini als voorbeeld. Ook voor Adolf Hitler en de NSDAP was Mussolini met zijn fascisme aanvankelijk een voorbeeld. Hitler had begin 1934 een eerste korte ontmoeting met Il Duce en was duidelijk de mindere van Mussolini die hem met pracht en praal wist te imponeren.

Italië was aanvankelijk nazi-Duitsland vijandig gezind: het beschermde de Oostenrijkse onafhankelijkheid tijdens de Juliputsch in 1934. Mussolini en de meeste fascisten waren het niet met Hitlers antisemitisme eens en hadden bovendien ook geen behoefte aan een sterke Duitse staat die de Duitse minderheid in Zuid-Tirol zou kunnen inspireren en bovendien een concurrent op de Balkan en in het Donaubekken zou kunnen worden, de gebieden die Mussolini nou juist zelf als invloedssfeer wenste. Italië trok voornamelijk met Frankrijk en Engeland op, met wie het immers in de Eerste Wereldoorlog had samengewerkt en vormde met hen het anti-Duitse Stresa-front. Persoonlijk had Mussolini ook weinig op met Hitler van wie hij eigenlijk een lage dunk had. De Italiaanse bevolking, veel leden van de fascistische partij, en het establishment tot de koning toe waren bovendien over het algemeen anti-Duits gezind.

Toen Duitsland machtiger werd hoopte Mussolini zijn voordeel te doen door beide zijden tegen elkaar uit te spelen. De eerste stap die de Italianen maakten naar een nieuw groot rijk werd gezet in 1936 met de verovering van het onafhankelijke Ethiopische keizerrijk. Hij hoopte van de Frans-Britse angst voor een herrezen Duitsland gebruik te maken door bij deze landen goedkeuring te krijgen om Ethiopië of een deel ervan te annexeren. Hoewel dit aanvankelijk leek te lukken lekte een en ander voortijdig uit (Hoare-Laval-plan) waardoor de publieke verontwaardiging leidde tot internationale sancties van de Volkenbond. De tegenstand van het licht bewapende luchtmachtloze Ethiopische leger viel zwaarder uit dan verwacht. Hoewel Ethiopië uiteindelijk viel, vormde deze oorlog een blok aan het been voor de zwakke economie, wat nog verergerd werd door de Volkenbondsancties. Ethiopië werd samen met Italiaans-Eritrea en Italiaans-Somaliland omgevormd tot de kolonie Italiaans-Oost-Afrika.

In 1936 stuurde Mussolini tevens een grote legermacht naar Spanje om in de Spaanse Burgeroorlog de nationalisten bij te staan. Op het hoogtepunt hadden de Italianen 70.000 soldaten in Spanje, waarvan rond de 10% zou sneuvelen. Zij boden de nationalisten cruciale steun. Ook ter zee hielp Italië de nationalisten door de republikeinse bolwerken Málaga, Valencia en Barcelona te bombarderen, en de republikeinse zeeblokkade van Spaans-Marokko te breken. Verder zond Mussolini Franco materiële hulp in de vorm van 660 vliegtuigen, 150 tanks, 800 stukken geschut, 10.000 machinegeweren, en 240.747 geweren. Dit alles werd uitgebreid uitgemolken door de fascistische propaganda. Wat de propaganda verzweeg was dat in Spanje ook de tekortkomingen van het Italiaanse leger aan het licht kwamen, en dat bovenal Italië de leveranties eigenlijk niet kon missen wat het land in de Tweede Wereldoorlog flink zou opbreken.

Deze militaire operaties isoleerden Italië echter op diplomatiek gebied, waardoor het land toenadering moest zoeken tot haar voormalige rivaal Duitsland. In 1938 waren de banden al sterk aangehaald en bezocht Mussolini Duitsland. Hoewel Mussolini onder de indruk was en met Hitler het Staalpact sloot, was het ook duidelijk dat Hitler hem in aanzien voorbij aan het streven was. Datzelfde jaar liet Mussolini toe dat Duitsland Oostenrijk annexeerde. De verdere Duitse gebiedsuitbreidingen in 1938 en 1939 wakkerden de jaloezie verder aan, en leidden tot de annexatie van Albanië in 1939. Albanië werd in een personele unie met Italië verenigd. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verklaarde Mussolini zich 'non-belligerent' en stelde zich afwachtend op. Hij stelde op 2 september 1939 een vredesconferentie voor zoals in München. Mussolini besefte dat hij nog niet klaar was voor een oorlog met de geallieerden en wilde liever nog een paar jaar vrede. De geallieerden hadden echter, juist met de herinnering aan dit fiasco in gedachten, geen zin deze vergissing een tweede keer te maken en gingen hier niet op in. Tot het Duitse lente-offensief van 1940 trachtte Mussolini de mogelijkheid alsnog aan geallieerde zijde aan de oorlog deel te nemen open te houden, maar hier werd niet op ingegaan. De Duitsers werd voorgehouden dat hij aan hun kant stond maar nog niet klaar was voor oorlog, en om economische hulp gevraagd. In 1940 overtuigden de Duitse successen Mussolini ervan dat Duitsland de oorlog zou winnen en dat Italië dus beter aan Duitse zijde kon meevechten om te voorkomen dat het na de oorlog met lege handen zou achterblijven.

Uitgangssituatie Italië had op papier een van de grootste legers en luchtmachten ter wereld. Dit leger was echter zwaar verouderd en kampte met gebrek aan brandstof. Hoewel Italiaanse ingenieurs zeker meededen in de technische ontwikkeling en het leger over geavanceerde uitrusting beschikte, waren de hoeveelheden veel te klein. Het leger was nog onvoldoende gemotoriseerd en leende voor parades soms zelfs voertuigen van de politie. Het gros van de soldaten had geweren die uit 1891 dateerden. Verder was de economie onvoldoende ontwikkeld om qua productie zo'n groot militair apparaat te steunen; deze was sterk afhankelijk van import en in het geheel niet zelfvoorzienend. Deze import was bovendien sterk beperkt door de Volkenbondsancties, waardoor er tekorten waren. De sancties waren weliswaar in 1936 opgeheven en niet efficient, maar ze hadden de economie toch pijn gedaan en tekorten veroorzaakt. Bovendien had de verslechterende politieke situatie en nadien de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog een negatief effect op de handel. Italië moest het grootste deel van zijn kolen en staal invoeren omdat de eigen productie bij lange na niet voldoende was. Met olie was het nog slechter gesteld: Italië produceerde dit vrijwel niet en was afhankelijk van invoer uit de Verenigde Staten, Iran, de Sovjet-Unie en Roemenië. Bij uitbraak van de Tweede Wereldoorlog vielen leveranties uit de VS en Iran stil, en had de USSR al eerder leveringen stopgezet vanwege de Italiaanse steun voor Franco in de Spaanse Burgeroorlog. Roemenië wilde wel leveren maar kwam onder steeds sterkere Duitse dominantie, en de Duitsers eisten een steeds groter deel van de Roemeense olieproductie voor zichzelf op, waardoor steeds minder voor Italië overbleef.

De kwaliteit was er maar het ontbrak aan kwantiteit. Feitelijk kon in 1940 het leger maar 200.000 man in het veld brengen, hoewel het op papier meer dan 1 miljoen man sterk was. De luchtmacht was op papier 1.700 toestellen sterk maar feitelijk waren er slechts 900 strijdwaardig. De marine bezat moderne slagschepen maar geen vliegdekschepen. Bovendien bezaten de Fransen en de Britten strategische punten in de Middellandse Zee (Gibraltar, Corsica, Malta, Tunesië, Cyprus, Egypte). Daarbij had Mussolini in zijn gretigheid de Spaanse nationalisten in de Spaanse Burgeroorlog te steunen hen ruim toebedeeld met materieel dat Italië zelf eigenlijk niet kon missen.

Ook sociaal en demografisch was het land niet klaar voor de oorlog. Analfabetisme was hoog, met name in het zuiden. Het agrarische zuiden werd gedomineerd door grootgrondbezit en analfabetisme, zodat zuidelijke laag opgeleide of analfabete jongeren bij de infanterie kwamen. Beter opgeleide jongens uit het noorden kwamen in aanmerking voor de artillerie, genie en het officierskorps. Soldaten uit het door grootgrondbezit en ongelijkheid getekende zuiden, toch al niet erg geneigd hun levens op het spel te zetten voor een systeem dat hen bijna als slaven behandelde, voelden zich nu dubbel gekoeioneerd omdat alle betere banen naar noorderlingen gingen terwijl zij zelf slechts goed genoeg waren om als 'kanonnenvoer' te dienen. De noord-zuidtegenstellingen belemmerden hierdoor de motivatie van de troepen. Een militaire carrière was bovendien niet populair want het leger stond in laag aanzien, waardoor het leger moeite had talent aan te trekken.

De bevelstructuur was bovendien inefficiënt. Mussolini bemoeide zich intensief met alle drie de krijgsmachtonderdelen. De generale staf had slechts weinig personeel ter beschikking en fungeerde als weinig meer dan een doorgeefluik voor Mussolini's bevelen. Generaals en maarschalken hadden weinig beleidsvrijheid en werden vervangen om het minste of geringste. Verder was er ook (mede hierdoor) grote concurrentie tussen de hoge bevelhebbers en tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen, niet alleen om de gunsten van Mussolini maar ook om de schaarse hulpbronnen. Tussen de verschillende onderdelen was derhalve weinig communicatie, en het resultaat was een logge gecentraliseerde bevelstructuur rondom Mussolini.