Het empirisme is een filosofische stroming waarin gesteld wordt dat kennis voornamelijk of geheel voortkomt uit de ervaring. Volgens de kennistheorie van het empirisme bezit de mens geen enkele vorm van aangeboren kennis, en moet bij de geboorte zijn geest opgevat worden als een onbeschreven blad of tabula rasa. Het empirisme staat in deze kennistheoretische opvatting tegenover het rationalisme, dat de rede en het denken aanwijst als voornaamste kennisbron.
In de antieke filosofie zijn bij Aristoteles en Epicurus al empiristische tendenzen aan te wijzen. Echt doorbreken zou het empirisme pas in de 17e en 18e eeuw in Groot-Brittannië, uitgewerkt door denkers als Francis Bacon, John Locke, George Berkeley, David Hume en John Stuart Mill. Verdere vormen van empirisme zijn terug te vinden in het positivisme van Auguste Comte, het pragmatisme van William James, de analytische filosofie van Bertrand Russell, het logisch empirisme van Rudolf Carnap en het constructief empirisme van Bas van Fraassen.
Empirisch onderzoek is sinds de wetenschappelijke revolutie de enige geaccepteerde manier van natuurwetenschappelijke kennisverwerving.
Inhoud thumb|John Locke, wellicht een van de bekendste empiristen Het empirisme gaat uit van de kennistheoretische grondhouding, dat het menselijk individu dingen leert kennen vanuit de ervaring. Hoewel de meeste empiristen niet erg dogmatisch omgaan met dit grondprincipe, gaan sommigen, zoals John Stuart Mill, veel verder, en stellen dat zelfs de logische wetten uit de ervaring voortkomen. De logica zou volgens Mill een wetmatigheid als iets kan niet tegelijkertijd wel en niet waar zijn, simpelweg gekopieerd hebben vanuit de ervaring. David Hume verklaarde het menselijk besef van oorzakelijkheid, met een verwijzing naar de ervaring van bliksem en donder. Dat donder op bliksem volgt en dat na bliksem donder verwacht kan worden, is bekend uit de ervaring. Het geloof in oorzakelijkheid is dus ontstaan uit een gewoonte. Bertrand Russell wees er verder op dat ervaring niet noodzakelijk van dingen buiten de mens is, maar dat introspectie, met het geestesoog kijken naar wat zich in de menselijke geest afspeelt, ook een vorm van waarneming is.
Het empirisme wil de synthetische oordelen vooraf, zoals geponeerd in het rationalisme, herschrijven tot synthetische oordelen achteraf. Volgens het empirisme in zijn zuivere vorm moet het menselijk verstand worden opgevat als een onbeschreven blad, of tabula rasa. Kennis kan dus niet uit het denken alleen afgeleid worden, maar heeft haar ultieme grond in de ervaring. Een zuiver en absoluut doorgevoerd empirisme ontkent zelfs de betekenis van alle begrippen waarmee het zich a priori kan uiten, hetzij in een eenvoudige dialoog: en, of, als, niet, sommige, alle, eenheid, nummer, opvolger, oneindig, ... hetzij op een meer theoretisch niveau: substantie, oorzaak, gevolg, bewustzijn.
Verschillende stromingen binnen het empirisme: Het materialistisch empirisme van Francis Bacon, Thomas Hobbes en John Locke kan onderscheiden worden van het idealistisch empirisme van George Berkeley, David Hume, Ernst Mach en Avenarius. Het empirisme kan gezien worden als stroming die zich keert tegen het idee van a priori kennis - dat is kennis gebaseerd op het denken alleen - en die tegenover het innatisme staat, het idee dat kennis is aangeboren. Het empirisme wordt door sommigen opgevat als een theorie die uitlegt hoe betekenis kan worden gegeven, het associationisme, en die bovendien de criteria aanduidt van wanneer men al dan niet over zinvol taalgebruik kan spreken, het zogeheten verificatiebeginsel. Anderen zien het empirisme als een kennistheorie, die stipuleert dat kennisuitspraken, zoals 'Eloïse is aardig', (voortdurende) ondersteuning vanuit de ervaring nodig hebben, om het statuut van vaststaande kennis te verkrijgen. Een extreme vorm van het empirisme is het sensualisme, dat exclusief de nadruk legt op de zintuiglijke oorsprong van alle kennis. Waar bij Locke de introspectie of reflectie nog een zekere rol speelt, ontbreekt dit bij Étienne Bonnot de Condillac geheel.
Griekse Oudheid thumb|150px|Aristoteles Al bij de vroegste filosofen, namelijk de Ionische natuurfilosofen zoals Thales van Milete en Anaximenes, speelde de waarneming een zekere rol. Zij probeerden, in tegenstelling tot het mythisch wereldbeeld, de natuur rondom hen te verklaren door te verwijzen naar alledaagse fenomenen. Zo duidde Thales het water aan als oorsprong van de wereld omdat hij in zijn alledaagse ervaring steeds zag hoe leven ontstond en bestond uit water. Hij hanteerde dus een analogiebewijs op basis van wat hij in zijn gewone leven tegenkwam. Toch kan men dit nog niet echt empirisme noemen omdat deze filosofen nog geen echte kennistheorie hanteerden en de ervaring niet expliciet als kennisbron aanduidden.
Een reeks filosofen na deze natuurfilosofen leunden dan weer sterker aan wat later bekend zou staan als het rationalisme: kennis over de wereld moest verkregen worden door het denken en de rede, en niet zozeer door de ervaring. Heraclitus bleef nog een middenpositie bekleden door te stellen dat kennis mogelijk is doordat vuur zowel aan de oorsprong van de wereld als de menselijke ziel lag, maar er wel bij te vermelden dat niet iedereen de goede (intellectuele) houding heeft om kennis te vergaren. Pythagoras en Parmenides daarentegen leken de rol van de waarneming te minimaliseren en vooral de nadruk te leggen op de rol van het verstand. Ook Plato en de door hem opgevoerde Socrates kozen de rationalistische kant: kennis kon niet gebaseerd zijn op de steeds veranderende en onstabiele zintuiglijke wereld, maar was daarentegen gebaseerd op het intellectueel aanschouwen van de Ideeënwereld.
Pas bij Aristoteles is er voor het eerst sprake van echt empirisme, hoewel ook hij een sterke rol aan de rede toeschreef. Aristoteles stelde dat de mens kennis verkrijgt door middel van abstractie van de dingen die hij in de ervaring tegenkomt, maar deze kennis zat al in potentie vervat in het menselijk verstand. Ieder mens bezat dus al in zekere zin deze kennis, maar deze moest nog geactualiseerd worden door de ervaring.
De eerste filosoof die een radicaal empirisch perspectief koos, was Epicurus. Hij bouwde verder op het atomisme van Leucippus en Democritus, en deelde dus de overtuiging dat de wereld bestond uit een oneindig aantal atomen, die objecten vormen door samen te klitten. (2011): 'Ancient Atomism' in (red.) The Stanford Encyclopedia of Philosophy Overigens speelde het empirisme van Epicurus een secundaire rol in zijn filosofie: het diende slechts om zijn ethiek, namelijk het epicurisme, te funderen. Om zo'n fundament te zoeken, gaat Epicurus op zoek naar vaste, onbetwijfelbare uitgangspunten die hij vindt in de ervaring. Hij stelt dat de ervaring van dingen die de mens omringen een zeker gegeven is. Waarneming houdt voor Epicurus, net als voor de atomisten, in dat de atomen constant een bepaald soort beeldjes (eidôla) afscheiden, die worden opgevangen door de zintuigen. Hierdoor is via waarneming te zien hoe voorwerpen echt zijn en kunnen adequaat voorspellingen over hen worden gedaan. De beeldjes geven immers de exacte structuur van de atomen door, er komt geen vervorming aan de pas. Elke waarneming is waar stelde Epicurus. Dit houdt in dat elke waarneming door iets echts veroorzaakt is: zelfs illusoire waarnemingen, zoals de illusie van een gebroken stok in het water, kloppen nog in die zin dat het een adequate waarneming is van het verbuigen van het licht.
Onzekerheid komt pas ten tonele wanneer de mens op basis van onbetwijfelbare waarnemingen betwijfelbare oordelen maakt. Deze op zich zijn niet zeker, maar kunnen wel - al dan niet eenvoudig - gecontroleerd worden via het verrichten van nieuwe waarnemingen. Natuurlijk is niet alles waarneembaar en is niemand onfeilbaar in de waarneming. Wat met zaken als de zon of de sterren, of wat met atomen? Epicurus stelde dat toch gesproken kan worden over deze objecten, door ze indirect te toetsen, via waarnemingen van gevolgen of bijverschijnselen. Dit leidde volgens Epicurus wel hoogstens tot wat hij noemde niet-weerlegging (ouk antimarturêsis): de stelling over dit voorwerp is na indirecte empirische controle niet onmogelijk en dus mogelijk waar.
Epicurus liet ook nog wel minder empirische methoden toe zoals analogiebewijs, dromen of het funderen in een gemeenplaats: een soort gemeenschappelijk idee dat afstamt van vroegere opgedane ervaringen (eventueel door al gestorven mensen). Zo is er ook bewijs voor het bestaan van goden, namelijk via de door sommige mensen opgedane ervaringen in visioenen en dromen. Epicurus betoogde dat dromen en visioenen worden veroorzaakt door een speciaal en fijn soort atomen die rechtstreeks tot de ziel doordringen.
Moderne tijd thumb|Francis Bacon Nadat het in de middeleeuwen grotendeels op een laag pitje had gestaan, met de uitzondering van Roger Bacon, kreeg het empirisme in de moderne tijd een nieuwe impuls. De oorzaak was de moderne wetenschappelijke methode, die denkers als Francis Bacon en Isaac Newton ertoe aanzet de waarneming weer als voornaamste bron van kennis aan te nemen. In zijn Philosophiae Naturalis Principia Mathematica (1687) stelde Newton dat zijn wetenschappelijke stellingen louter voortkwamen uit de zuivere waarneming. (1989): Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, Universitaire Pers Leuven In die context moet ook zijn uitspraak ik verzin geen hypotheses: Hypotheses non fingo begrepen worden. Newton baseerde zich grotendeels op Bacon, die in zijn Novum Organum (1620) poogde de nieuwe wetenschappelijke methode te beschrijven. Na Aristoteles, die de nadruk legde op deductie, plaatste Bacon de inductie centraal. Inductie is de methode van het wetenschappelijk onderzoek: algemene wetten en gegevens worden afgeleid vanuit de onbevooroordeelde ervaring van een aantal particuliere gevallen. De onafhankelijke menselijke rede komt hier niet zozeer aan te pas, het draait om het zuiver interpreteren van het openliggende boek van de natuur.
Brits empirisme Het empirisme trad pas echt op de voorgrond met de opkomst van het Brits empirisme, met denkers als John Locke, George Berkeley en David Hume. In zijn Essay concerning Human Understanding (1690), stelde Locke dat kennis enkel voortkomt uit ervaring, en dat niet van aangeboren ideeën gesproken kan worden. De menselijke geest is als een onbeschreven blad of tabula rasa. Werkelijk alle kennis komt voort uit de ervaring of simple ideas, of uit de combinatie en associatie van de door ervaring opgedane ideeën : de complex ideas. Locke concludeerde hier uit dat de nieuwe natuurfilosofie - de huidige natuurkunde - nooit een zekere wetenschap kon worden, maar hoogstens een systeem van meningen of opinions. Alleen de wiskunde zou zo'n zekerheid hebben, omdat daar louter met complex ideas gewerkt kan worden, waarbij deze aan elkaar getoetst en met elkaar vergeleken worden. Locke maakte verder het onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen. Primaire eigenschappen van een voorwerp zijn bijvoorbeeld grootte of gewicht, secundaire eigenschappen betreffen zaken als kleur, geur of smaak. Secundaire eigenschappen zijn iets subjectiefs, maar primaire eigenschappen zijn van het waargenomen object zelf. Maar ook deze primaire eigenschappen, zoals het bestaan van de dingen achter de ervaringen (de substantie) kunnen niet met zekerheid bevestigd worden, ze kunnen hoogstens verondersteld worden. (2009): 'Substance' in (red.) The Stanford Encyclopedia of Philosophy Hij schreef: & (red.) (1997): An Essay Concerning Human Understanding, Penguin Books, II xxiii 2
thumb|George Berkeley